Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

woensdag 2 januari 2013

Openbaring - Hoofdstuk 7



Enkele uitgangspunten om de Apocalyps te verklaren:

• Een profetisch boek toegevoegd aan de boeken van het OT om de Joden van de Eindtijd tot richtsnoer te zijn.

• De gebeurtenissen voltrekken zich voor een groot gedeelte in de 70ste Jaarweek der Joden, wanneer YHWH Elohim de draad der geschiedenis in verband met zijn uitverkoren volk weer oppakt.

• De Christelijke Gemeente bevindt zich dan [waarschijnlijk] niet meer op aarde omdat ze bij het begin van de 70steWeek is weggerukt in de 'Opname'.

Tekst

Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien op de aarde noch op de zee noch over enige boom.
En ik zag een andere engel opkomen van de opgang der zon, in het bezit van een zegel van een levende God; en hij riep luidkeels tot de vier engelen aan wie het werd gegeven om schade toe te brengen aan de aarde en de zee,
zeggend: Brengt geen schade toe aan de aarde noch aan de zee noch aan de bomen tot wij de dienaren van onze God op hun voorhoofden hebben gezegeld.
En ik hoorde het aantal van hen die gezegeld werden, 144000, gezegeld uit elke stam van de zonen van Israël.
Uit de stam Juda 12000 gezegelden, uit de stam Ruben 12000, uit de stam Gad 12000,
uit de stam Aser 12000, uit de stam Naftali 12000, uit de stam Manasse 12000,
uit de stam Simeon 12000, uit de stam Levi 12000, uit de stam Issaschar 12000,
uit de stam Zebulon 12000, uit de stam Jozef 12000, uit de stam Benjamin 12000 gezegelden.
Na deze dingen zag ik en zie! Een talrijke menigte die niemand tellen kon, uit alle natiën en stammen en volken en talen, staande vóór de troon en vóór het Lam, gehuld in witte gewaden en palmtakken in hun handen.
10 En zij roepen luidkeels, zeggend: De redding [behoort] aan onze God die op de troon zit en aan het Lam.
11 En alle engelen stonden rondom de troon en de Oudsten en de vier levende wezens, en zij vielen op hun aangezichtvóór de troon en brachten  hulde aan God,
12 zeggend: Amen! De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte aan onze God tot in de eeuwen der eeuwen. Amen!
13 En één uit de Oudsten antwoordde, zeggend tot mij: Dezen die gehuld zijn in de witte gewaden, wie zijn zij en vanwaar kwamen zij?
14 En ik heb tot hem gezegd: Mijn Heer, gij weet [het]. En hij zei tot mij: Dezen zijn zij die komen uit de Grote Verdrukking, en zij wasten hun gewaden en maakten ze wit in het bloed van het Lam.
15 Om die reden zijn zij vóór de troon van God en verrichten zij dag en nacht voor hem heilige dienst in zijn tempelheiligdom. En Hij die op de troon zit zal zijn tent over hen vestigen.
16 Zij zullen geen honger of dorst meer hebben; de zon noch enige andere hitte zal op hen vallen.
17 Want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen geleiden naar bronnen van wateren des levens. En God zal elke traan uit hun ogen wegwissen.

Exegese

1   μετα τουτο ειδον τεσσαρας αγγελους εστωτας επι τας τεσσαρας γωνιας της γης κρατουντας τους τεσσαραςανεμους της γης ινα μη πνεη ανεμος επι της γης μητε επι της θαλασσης μητε επι παν δενδρον
2   και ειδον αλλον αγγελον αναβαινοντα απο ανατολης ηλιου εχοντα σφραγιδα θεου ζωντος και εκραξεν φωνημεγαλη τοις τεσσαρσιν αγγελοις οις εδοθη αυτοις αδικησαι την γην και την θαλασσαν
3   λεγων μη αδικησητε την γην μητε την θαλασσαν μητε τα δενδρα αχρι σφραγισωμεν τους δουλους του θεουημων επι των μετωπων αυτων 

Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien op de aarde noch op de zee noch over enige boom. En ik zag een andere engel opkomen van de opgang der zon, in het bezit van een zegel van levende God; en hij riep luidkeels tot de vier engelen aan wie het werd gegeven om schade toe te brengen aan de aarde en de zee, zeggend: Brengt geen schade toe aan de aarde noch aan de zee noch aan de bomen tot wij de dienaren van onze God op hun voorhoofden hebben gezegeld

Hoofdstuk 6 eindigde met de vertwijfelde vraag van degenen die Gods Grote Dag en de daarmee gepaard gaande gramschap op zich af zien komen: Wie kan die Dag doorstaan? In hoofdstuk 7 krijgen we blijkbaar het antwoord. Doorstaan of standhouden betekent in dit verband ontkomen aan,gered worden uit die komende Dag van gramschap.

In Lk 21:36 gaf Yeshua het Joodse Overblijfsel van de Eindtijd met het oog op die Dag passende raad:

Blijft dan wakker, te allen tijde smekend dat jullie in staat mogen zijn te ontkomen aan al deze dingen die op het punt staan tegeschieden, en te staan voor het aangezicht van de Mensenzoon.

Er moeten daarom tijdig stappen worden gedaan tot overleving. Dralen tot het tijdstip waarop de mensen tot de bergen en de rotsen [zullen]zeggen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van hem die op de troon zit en voor de gramschap van het Lam; want de Grote Dag van hun gramschap kwam en wie kan standhouden?  zou zeker te laat zijn. De Dag van Gods toorn kan alleen worden doorstaan door degenen die dankbaar reageren op Gods raadsbesluiten die Hij in zijn Voorzienigheid al tijden geleden bekendmaakte.  

Op zijn beurt ziet hij er zorgzaam op toe dat met het oog op die personen tijdig de juiste maatregelen ter overleving worden genomen. En dat is wat we hier zien gebeuren: de dienaren van onze God worden aan hun voorhoofd gezegeldZichtbaar voor allen ontvangen zij een merkteken dat hen moet vrijwaren voor het toebrengen van welke schade maar ook.

Om die reden voert dit Schriftdeel ons terug naar een vroeger tijdstip dat kennelijk nog vóór de Grote Verdrukking ligt.
Daarmee zien we een in de Openbaring geregeld terugkerend fenomeen: teruggaan in de tijd voor het verstrekken van aanvullende bijzonderheden.
Overigens is dat niet iets waarover wij ons moeten verbazen. Yeshua zelf deed dit reeds toen hij in zijn Eindtijdrede het teken van zijn paroesie met vier van zijn leerlingen doornam.

In de opsomming van Mt 24:4-14 verschafte hij globaal een aantal voorname gebeurtenissen die zijn paroesie (tegenwoordigheid) zouden kenmerken:
Het verschijnen van de Antichrist tot en met de komst van het eindeVervolgens keerde hij vanaf 24:15 terug naar het midden van de Jaarweek voor het geven van zeer belangwekkende, aanvullende bijzonderheden.
Maar ook verderop in zijn betoog, bijvoorbeeld vanaf vers 37, en opnieuw vanaf vers 45 en aansluitend daarop in Mt 25:1, gaat hij terug in de tijd, deels om de aard van zijn paroesie te beschrijven, deels om zijn gehoor te attenderen op gevaarpunten en betekenisvolle ontwikkelingen die zich eveneens zullen voordoen tijdens zijn tegenwoordigheid.

Het tafereel waarmee dit tweede deel onder het zesde zegel begint, sluit aan bij Ez 9:1-11, waar profetisch, in een visionair tafereel, een levendig beeld wordt verschaft van de maatregelen die God neemt om het Overblijfsel van zijn volk te sparen voor de ondergang die hij brengt over het ontrouwe deel van het Huis Israël.
Zes 'mannen', kennelijk van hemelse oorsprong, staan gereed om met vernietigingswapens in de hand, heel dat Huis van Israël en van Juda neer te slaan. Waarom? Omdat hun dwaling zeer, zeer groot is, het land met bloedvergieten is gevuld en de stad Jeruzalem vol verkeerdheid is (Ez 9:9).

De nadruk ligt op Jeruzalem, de letterlijke stad, want dáár, in het heiligdom, worden de meest afschuwelijke dingen bedreven, die in het voorafgaande hoofdstuk al zijn opgesomd: Taferelen die God onteren en die in een of andere vorm ook verschijnen in de Openbaring in verband met de afgodische verering van het Beest en zijn Beeld. Zie Ez 8:3-18.
Let bijvoorbeeld op Ez 8:3 en 5.

Toen hief de geest mij op tussen aarde en hemel en bracht mij in visioenen Gods naar Jeruzalem, bij de ingang van de binnenste poort, die op het Noorden uitziet, waar het afgodsbeeld zich bevond, het voorwerp van naijver, dat naijver opwekt... Mensenzoon, richt uw blik naar het Noorden! Toen richtte ik mijn blik naar het Noorden, en zie, ten Noorden van de poort bij het altaar stond aan de ingang dat afgodsbeeld, het voorwerp van naijver.

Uit vers 14 blijkt dat het afgodsbeeld vereenzelvigd moet worden met Tammuz, één van de mystieke benamingen van Nimrod die gewelddadig ter dood werd gebracht en die bijgevolg een voorafbeelding werd van het Beest dat de zwaardslag had (Op 13:311-12).
Vergelijk ook Mt 24:15 waar hetzelfde beeld door Yeshua werd opgeroepen: de verwoestende gruwel in de 'heilige plaats'. Ook beschreven in 2Th 2:3-4.

Zie: 
De mens achter het getal 666

Ez 8:17-18 is een overgang naar Ez 9:1

Hij zei tot mij: Hebt gij dat gezien, mensenkind? Was het voor het huis Juda nog niet genoeg om de gruwelen te doen, die zij hier bedrijven, dat zij ook het land met geweld vullen en Mij telkens weer krenken? En zie, zij houden een wijnrank bij hun neus. Daarom zal Ik in grimmigheid met hen handelen. Ik zal niet ontzien en geen deernis hebben. Al roepen zij met luider stem aan mijn oren, toch zal Ik naar hen niet horen (nbg).

Merk op dat het steeds over het Joodse volk van de Eindtijd gaat >> Het Huis van Juda. 
Voor de Joden die God totaal de rug toekeren ten gunste van de Antichrist schetst hoofdstuk 9 van Ezechiël een onheilspellende afloop:

1  Een machtige stem weerklonk in mijn oren: De kastijders der stad zijn  nabijgekomen, ieder met zijn werktuig des verderfs in de hand. 2  En zie, daar kwamen zes mannen van de kant der naar het Noorden gekeerde Bovenpoort, ieder met zijn knots in de hand, in hun midden één, in linnen gekleed, met een schrijfkoker aan zijn middel; zij kwamen en gingen naast het koperen altaar staan.
3  Inmiddels was de heerlijkheid van de God Israëls van de cherub, waarop zij zat, opgerezen en naar de drempel van de tempel gegaan. Daar riep hij tot de in linnen geklede man die de schrijfkoker aan zijn middel droeg.
4  YHWH zei tot hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een teken op het voorhoofd der mannen die zuchten en steunen over al de afschuwelijkheden die in haar midden bedreven worden.
5  En tot de anderen zei hij te mijnen aanhoren: Trekt achter hem de stad door en velt neer! Verschoont niet en spaart niet.
6  Grijsaard, jongeling, maagd, kind en vrouw—slaat ze dood ten verderve.  Maar roert niemand aan op wie het teken staatBegint bij mijn heiligdom!  Zo begonnen zij met de mannen die voor de tempel stonden.
(LV)

De beveiliging van de getrouwe Rest wordt gegarandeerd doordat de leden ervan op hun voorhoofden worden gekentekend. De man in linnen gekleed met schrijfgerei aan zijn heup selecteert hen. Hij moet wel Yeshua, de verheerlijkte Masjiachafbeelden, immers aan hem heeft de Vader het gehele oordeel toevertrouwd (Jh 5:22).

In Openbaring 13, bij de beschrijving van het Beest uit de zee, respectievelijk van het Beeld dat voor dat Beest moet worden opgericht, is er onmiskenbaar een relatie met de hoofdstukken Ezechiël 8 en 9. Zie: Openbaring 13:14-15

En het misleidt hen die op de aarde wonen wegens de tekenen die hem gegeven werden om te verrichten voor het aangezicht van het Beest, zeggend tot hen die op de aarde wonen dat zij een beeld maken voor het Beest dat de zwaardslag heeft en leefde. En het werd hem gegeven geest aan het beeld van het Beest te geven, opdat het beeld van het Beest zowel zou spreken alsook zou bewerken dat allen die het beeld van het Beest niet zouden aanbidden gedood zouden worden.

De verering van het beeld van het Beest verwijst onder meer terug naar Ezechiël 8 en 9, met name naar de afgod Tammuz die door Israëlitische vrouwen beweend werd. Naar men meent is De Tammuz niemand anders dan Nimrod, de indrukwekkende jager en bouwer van de stad Babel met zijn toren, maar die (naar men meent) op gewelddadige wijze ter dood werd gebracht (Gn 10:8-12). Na zijn dood werd hij echter vergoddelijkt en onder verschillende benamingen, Osiris, Adonis, Bacchus, etc., werd zijn dood jaarlijks betreurd. Als een prototype van de Antichrist, het Beest dat de zwaardslag heeft en leefde, werd hij door de afgodendienaars bij de (visionaire) tempel niet alleen vereerd, maar was er tot zijn verheerlijking kennelijk ook een afgodisch beeld, een gruwel, opgericht. Juist vanwege deze en andere verfoeilijkheden werd op de voorhoofden van de Joden die daarover kermden en zuchtten, het beschermende kenteken geplaatst (Ez 9:4-6).

Veel profetische gedachten in verband met de Eindtijd [of: laatste dagen] worden in hun oervorm aangetroffen in het Bijbelboek Jesaja. Dit geldt ook voor Ez 8 en 9. Bij nader onderzoek blijken zij een verdere toelichting te verschaffen op het Schriftdeel Js 66:1-6.

Dit heeft YHWH gezegd: "De hemel is mijn troon en de aarde mijn voetbank. Waar is dan het huis dat gij mij kunt bouwen, en waar is dan de plaats, mij tot rustplaats? 

Het gaat hier om de nog op te richten Derde Tempel, maar YHWH Elohim heeft die tempel beslist niet nodig. De Tempelstad Nieuw Jeruzalem - die de hemel met de aarde verbindt - nadert tegen die tijd juist haar voltooiing. Zie Js 65:17 en 66:22-23, die ons helpen in welke context we de vervulling moeten zoeken.

Al deze dingen heeft mijn eigen hand gemaakt, zodat al deze zijn ontstaan", spreekt YHWH. "Op deze dan zal ik zien, op de ellendige en de verslagene van geest en die voor mijn woord beeft.
Wie de stier slacht, is als iemand die een man neerslaat. Wie het schaap ten slachtoffer brengt, is als iemand die een hond de nek breekt. Wie een gave offert - zwijnenbloed! Wie een gedachtenis[offer] van geurige hars aanbiedt, is als iemand die een zegen uitspreekt met magische woorden. Zij zijn ook degenen die hun eigen wegen hebben verkozen, en in hun walgelijkheden [gruwelen] heeft hun ziel behagen geschept.
 De hervatte offercultus in de Derde tempel is God een gruwel. Walgelijk zullen de offers van die afvalligen in zijn ogen zijn, omdat zij opnieuw zijn leiding verwerpen en in plaats daarvan naar demonen opzien. Bovendien heeft Yeshua al in 33 AD het ene toereikende offer van zijn eigen leven (ziel) gebracht (Js 53:10-12Mt 20:28).

Ik zal op mijn beurt manieren kiezen om hen slecht te behandelen, en de dingen die hun schrik aanjagen, zal ik over hen brengen; omdat ik geroepen heb, maar niemand antwoordde, ik gesproken heb, maar er geen waren die luisterden; en zij bleven doen wat kwaad was in mijn ogen en verkozen datgene waarin ik geen behagen schepte".
Hoort het woord van YHWHgij die voor zijn woord beeft [het Joodse overblijfsel]"Jullie broeders [de ontrouwen onder de Joden] die jullie haten, die jullie uitsluiten wegens mijn naam, hebben gezegd: 'Moge YHWH verheerlijkt worden!' Hij zal ook met verheuging van jullie zijde verschijnen, en zij zijn degenen die beschaamd gemaakt zullen worden". 
Er is een geluid van gedruis uit de stad, een geluid uit de tempel! Het is het geluid van YHWH, die zijn vijanden het verdiende loon betaalt.

De strekking komt overeen met die van Ez 9:6-7. In de herbouwde tempel van hun eigen keuze zal de God van Israël juist met die opstandelingen afrekenen.
  
Onder het zesde zegel zien we dezelfde thematiek, maar binnen een enigszins ander tafereel, te beginnen met vier engelen die zich aan de vier hoeken der aarde bevinden en die de vier winden van de aarde beheersen, resp. in bedwang houden. Gelet op de onmiddellijke context moet er een relatie zijn met Gods gramschap die dreigend hangt boven hen die dekking zoeken in de spelonken en rotsen der bergen (Op 6:15-17).

De Bijbel toont dat engelen een rol vervullen in de voltrekking van Gods oordelen aan goddeloze mensen die zijn gramschap verdienen (Op 19:11-16Gn 19:15-22Rc 5:202Kn 19:35Jl 3:11b).
Hier worden engelen geassocieerd met de vier winden der aarde; in Op 14:18 met het vuur, en in Op 16:5 met de wateren.

Dat die gramschap hier wordt voorgesteld door de vier winden der aarde berust weer op bekende Bijbelse beelden

Dit heeft YHWH der legerscharen gezegd: Ziet! Rampspoed gaat uit van natie tot natie, een zware storm zal verwekt worden van de meest afgelegen streken der aarde. Dan zullen zij die door YHWH op die dag worden neergeveld, liggen van het ene einde der aarde helemaal tot het andere einde der aarde (Jr 25:32-33).

Wanneer die vier winden der goddelijke gramschap uit vier hoeken der aarde worden losgelaten, kan men zich voorstellen dat dit tot een alles verwoestende wervelwind moet leiden. Vergelijk Ps 11:683:15Jr 49:36.

Later, in Op 9:4, zullen we nog zien dat de bescherming van het zegel nog verder reikt dan gespaard te worden voor de goddelijke gramschap. Daar wordt namelijk vermeld dat de demonische sprinkhanen onder de Vijfde trompet alléén schade mogen toebrengen aan de mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hebbenEn aangezien slechts een selectie uit elke stam van de zonen van Israël wordt gezegeld, zou daaruit nogmaalsblijken dat de laatste generatie christenen tegen die tijd de aarde moet hebben verlaten.

In dit zinnebeeldige tafereel moeten ook de aarde, de zee, de bomen een andere betekenis hebben dan de letterlijke. Omdat deze drie dingen het aangezicht van onze planeet bepalen, kunnen we denken aan het uiterlijke voorkomen van onze maatschappij met deels stabiele, rustige situaties [aarde], maar anderzijds ook met zeer roerige, onrustige toestanden [zee], en dat alles onder het bestuur van personen in overheidsfuncties [bomen].

De engel die Johannes ziet opkomen van de opgang der zon doet denken aan de man met het schrijfgerei in het visioen van Ezechiël. Hij is immers in het bezit van Gods zegel en heeft de autoriteit om

a. het loslaten van de winden te bepalen, en
b. het zegel te drukken op de voorhoofden van hen die daarvoor in aanmerking komen.

Hoewel velen zich zullen verzetten tegen de gedachte dat ook Yeshua in de hemel een engel is, moeten wij op grond van de aan hem verleende macht tóch tot die conclusie komen (Mt 28:181Pt 3:22).
Hij is duidelijk de eerste onder de engelen. Vergelijk Op 12:7 met Judas 9 en 1Th 4:16. In Judas 9 wordt hij aangeduid als de aartsengel Michaël.


Er is nog iets wat afgeleid kan worden uit Ezechiëls visioen: de tijd waarin het beschermende en reddende zegel wordt aangebracht, namelijk wanneer de bewoners van Jeruzalem zuchten en steunen over al de afschuwelijkheden die in haar midden bedreven worden
Gelet op Op 13:14-15 en Mt 24:15 in het licht van Ez 8:3-18, moet de tijd daarom de Tweede helft van de Jaarweek omvatten.

Tot hiertoe hebben wij bij de verklaring van de betekenis van het ´verzegelen´ alle nadruk gelegd op het beschermende karakter ervan. Wenden we evenwel onze blik vooruit, naar Hoofdstuk 14, dan moeten we wel concluderen dat het ontvangen van het ´zegel´ de 144000 tevens in staat stelt goede tijdingen te proclameren.
Daarbij komt beslist Mattheüs 24 in beeld, met name vers 14, t.w. het proclameren van goede tijdingen van een opgericht Messiaans koninkrijk - een zeer belangrijke activiteit voor de Tweede helft van de Week - voordat het einde komt (Mt 24:14).

Oók dit is een themalijn waardoor de Openbaring wordt gekenmerkt. En dit gebeurt niet onverwacht. De OT voorzeggingen wezen al in die richting:

Toen zei ik [Jesaja zelf die YHWH Elohim in een tempelvisioen had gezien]: Wee mij, ik ben verloren! want ik, een mens met onreine  lippen en die te midden van een volk met onreine lippen woont, ik heb  met eigen oog de koning, YHWH der legerscharen, gezien.
Maar één der serafim vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had, raakte daarmee mijn mond aan en zei: Nu deze je lippen aangeroerd heeft, wijkt je schuld en wordt je zonde verzoend. Daarop hoorde ik YHWH zeggen: Wie zal ik zenden, en wie zal voor ons gaan? En ik zei: Hier ben ik; zend mij.
Toen sprak hij: Ga, en zeg tot dit volk: Horen zult gij, maar niet  begrijpen, en zien, maar niet verstaan. Maak het hart van dit volkvet, zijn oren ongevoelig en sluit zijn ogen; opdat het niet ziet met de ogen en niet hoort met de oren, en opdat hun hart niet begrijpt, terugkeert en genezen wordt. Hierop zei ik: Tot hoelang, Heer? Hij sprak: Totdat de steden vernield liggen, zonder inwoners, en de huizen zonder mensen, het akkerland tot een wildernis is geruïneerd (Jesaja 6:5-11).

Jesaja lijkt hier model te staan voor een figuur die elders, in Ml 4:5-6, de profeet Elia wordt genoemd, die in de Eindtijd, in de periode die vooraf gaat aan de Grote Dag van YHWH, eveneens een zending naar het volk toe zal vervullen:

Ziet!, ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag van YHWH komt; hij zal het hart van de vaders terugbrengen tot dat der zonen en het hart der zonen tot dat van hun vaders; opdat ik niet kom en het land  met de ban sla.

De vrucht van die zending was reeds in Ml 3:16-18 vermeld:

Toen spraken degenen die YHWH vrezen met elkaar. En YHWH luisterde en hoorde het. En voor zijn aangezicht werd een gedenkboek geschreven aangaande hen die YHWH vrezen, hen die zijn naam eerbiedigen. Zij zullen mijn eigendom worden, zegt YHWH der legerscharen; mijn speciale bezit op de dag waarop ik handel. Dan zal Ik hen sparen, zoals een man zijn zoon spaart, wanneer die hem dient. Dan zult gij opnieuw het verschil zien tussen de rechtvaardige en de boosdoener, tussen degene die God dient en degene die hem niet dient.

Een vergelijking van beide schriftdelen in Maleachi, doet de vraag rijzen of de Elia-figuur van Ml 4:5 wellicht overeenkomt met degenen die YHWH vrezen [en] die met elkaar spreken (van Ml 3:16). Zij vormen in ieder geval een groot contrast met anderen van het volk die in de dagen van de Antichrist lasterlijk tegen God spreken (Ml 3:13-16); waaruit blijkbaar geconcludeerd mag worden dat zij die YHWH vrezen het godvruchtige Overblijfsel van de Eindtijd vertegenwoordigen.

4   και ηκουσα τον αριθμον των εσφραγισμενων εκατον τεσσερακοντα τεσσαρες χιλιαδες εσφραγισμενοι εκ πασης φυλης υιων ισραηλ
5   εκ φυλης ιουδα δωδεκα χιλιαδες εσφραγισμενοι εκ φυλης ρουβην δωδεκα χιλιαδες εκ φυλης γαδ δωδεκα χιλιαδες
6   εκ φυλης ασηρ δωδεκα χιλιαδες εκ φυλης νεφθαλιμ δωδεκα χιλιαδες εκ φυλης μανασση δωδεκα χιλιαδες
7   εκ φυλης συμεων δωδεκα χιλιαδες εκ φυλης λευι δωδεκα χιλιαδες εκ φυλης ισσαχαρ δωδεκα χιλιαδες
8   εκ φυλης ζαβουλων δωδεκα χιλιαδες εκ φυλης ιωσηφ δωδεκα χιλιαδες εκ φυλης βενιαμιν δωδεκα χιλιαδες εσφραγισμενοι

En ik hoorde het aantal van hen die gezegeld werden, 144000, gezegeld uit elke stam van de zonen van Israël. Uit de stam Juda 12000 gezegelden, uit de stam Ruben 12000, uit de stam Gad 12000, uit de stam Aser 12000, uit de stam Naftali 12000, uit de stam Manasse 12000, uit de stam Simeon 12000, uit de stam Levi 12000, uit de stam Issaschar 12000, uit de stam Zebulon 12000, uit de stam Jozef 12000, uit de stam Benjamin 12000 gezegelden

Het valt op dat Johannes deze keer niet vermeldt dat hij de 144000 ook echt zag in het visioen. Hij vermeldt slechtsEn ik hoorde het aantalKennelijk heeft dat te maken met het tafereel dat op het zegelen volgt, want vanaf vers 9 zal hij hen opnieuw beschrijven als een Grote Schare. Maar dan ziet hij hen ook werkelijk.

Een en ander is vergelijkbaar met Op 5:5-6. Daar hoorde Johannes dat er iemand voldoende waardig was om de rol met de zeven zegels te openen: de Leeuw uit Juda. En waarschijnlijk verwachtte hij dat hij die 'Leeuw' nu ook te zien zou krijgen. Dat bleek echter niet zo te zijn. Wat hij werkelijk zag was een Lam, nog met de tekens van de dood op zich. In deze twee symbolen, de Leeuw van Juda en het Lam dat werd geslacht, ziet Johannes de ene Persoon van de MasjiachYeshua. Iets soortgelijks geldt voor heel hoofdstuk 7, voor wat betreft de twee manieren waarop één klasse van mensen aan de lezer wordt voorgesteld.

Wat betreft de evenwichtige selectie van de 144000 gezegelden uit elke stam van de zonen van Israël, met de stam Juda in een prominente rol als eerstgenoemde stam, hoort Johannes voorlopig alleen hun aantal. Naderhand ziet hij een Grote Schare, gehuld in witte gewaden, gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam.
Wat betekent dat als we proberen vast te stellen om welke personen het precies gaat in Gods voornemen?

Kennelijk luidt het antwoord dat we de identiteit van de Grote Schare alleen kunnen vaststellen als we rekening houden met de kenmerken van de 144000. En ook omgekeerd: De identiteit van de 144000 moet mede bepaald worden aan de hand van de bijzonderheden die vermeld worden ten aanzien van de Grote Schare. Want die twee gedeelten van dit hoofdstuk [ 7:1-8 en 7:9-17 ] versterken elkaar!

Dat wij de 12 stammen moeten opvatten als letterlijk de 12 stammen van Israël naar het vlees, en niet als een geestelijk Israël, blijkt uit minstens 3 punten:

(1) De namen van de stammen worden één voor één gespecificeerd. Deze namen kunnen niet anders dan een letterlijke betekenis hebben.
(2) Het boek Openbaring verplaatst ons in de Dag die de Heer toebehoort (Op 1:10), waarvan het grootste deel wordt gevormd door de 70steJaarweek voor Israël. Het is alleen maar te verwachten dat het boek laat uitkomen dat binnen het herstelde Israël een Rest verschijnt.
(3) In de lijst van de 12 stammen ontbreekt de stam Dan.
Dit berust niet alleen op historische gebeurtenissen waardoor die stam zich diskwalificeerde [zie Rechters, hoofdstuk 18, waar we vernemen dat Dan de eerste stam was die tot afgoderij verviel], maar vooral op voorzeggingen waaruit valt op te maken dat er een relatie is tussen de stam Dan en de Antichrist.

In Genesis 49:16-17 vergeleek Jakob op zijn sterfbed die stam met een slang, een hoornslang of een adder, die vanwege zijn zandkleur onopgemerkt blijft totdat hij dodelijk toebijt.
In verband met de verraderlijke aard van Dan, richt Jakob zich dan ook meteen (in vers 18) smekend tot God: Op uw redding hoop ik YHWHwoorden die ongetwijfeld ook in de mond zullen zijn van het toekomstige, godvruchtige Overblijfsel in de tijd van verdrukking door de Antichrist.

Ook Mozes legt in Dt 33:22 een verband tussen het verschijnen van de Antichrist en de stam Dan: Dan is een leeuwenwelp; uit Basan stormt hij tevoorschijn.
Vergelijk Dt 3:11, waar Og de koning van Basan wordt vermeld, afkomstig uit de Refaïeten, het reuzengeslacht.

Het getal 144000 is symbolisch, want uit het volgende tafereel zal duidelijk worden dat het getal geen rol meer speelt. Maar ook uit de samenstelling van het getal blijkt dat het niet letterlijk opgevat moet worden: 12 x 12 x 1000.
Hierin is 1000 het grootste getal zondermeer, terwijl 12 een volheid vertegenwoordigt en wel in organisatorisch opzicht. Het getal 12000, betrekking hebbend op hen die uit elke stam worden geselecteerd, is eveneens  symbolisch en een aanduiding van een uitgekozen aantal.

Wellicht dat er hier zelfs sprake is van een Oudtestamentische relatie. Toen Achitofel, een voorafbeelding van de Antichrist, de zoon der vernietiging (Ps55:12-14Jh 17:122 Th 2:3),  met het duivelse plan kwam om de vermoeide David na te jagen en hem des nachts te overvallen, vroeg hij aan AbsalomLaat mij toch 12000 man uitkiezen; dan zal ik opstaan en vannacht David achternajagen. (2Sm 17:1).
Indien de Antichrist geïdentificeerd moet worden met de stam Dan, dan zouden we de 12000 van Achitofel in het tegenbeeld met die stam mogen verbinden. Daar zouden dan de 12 stammen van Israël, elk bestaande uit een selectie van 12000, tegenover staan.

Maar nogmaals, het ontvangen van het beschermende zegel zal de 144000 tevens in staat stellen om tijdens de Tweede Weekhelft het Nieuwe Lied te ´zingen´, d.igoede tijdingen verkondigen aan de aardbewoners:

En zij zingen een nieuw lied vóór de troon en vóór de vier Levende wezens en de Oudsten; en niemand kon het lied leren behalve de 144000, zij die van de aarde gekocht zijn… En ik zag een andere engel vliegend in het midden der hemel, hebbend een eeuwig Evangelie om als goede tijdingen te verkondigen aan hen die op de aarde gezeten zijn, en aan elke natie en stam en taal en volk, zeggend met een luide stem: Vreest God en geeft hem heerlijkheid, want het uur van zijn oordeel kwam, en aanbidt hem die de hemel en de aarde en zee en bronnen van wateren maakte.

Trouwens, wat hierna volgt, in de vv 7 tm 17, maakt voldoende duidelijk dat de 144000, alias de Grote Schare,
aallereerst erkennen dat zij redding hebben ontvangen van hun God, YHWH, en daarom luidkeels roepen, zeggend: De redding [behoort] aan onze God die op de troon zit en aan het Lam.
b. zijnde vóór de troon van God, tevens dag en nacht voor hem heilige dienst verrichten in zijn tempelheiligdom.

Zie naast de interessante details die hierna volgen, ook de studie
En dan in het bijzonder wat onder Gesuggereerd Einde wordt vermeld omtrent de 1150 dagen (2300 avonden/morgens) met betrekking tot het wegnemen van de tamid, het gedurig offer. De Grote Schare zal direct daarop, en dat vanaf het Midden der Week, alsnog dag en nacht dienstbaar zijn jegens YHWH Elohim in zijn naos, het tempelheiligdom.

9   μετα ταυτα ειδον και ιδου οχλος πολυς ον αριθμησαι αυτον ουδεις εδυνατο εκ παντος εθνους και φυλων και λαων και γλωσσων εστωτεςενωπιον του θρονου και ενωπιον του αρνιου περιβεβλημενους στολας λευκας και φοινικες εν ταις χερσιν αυτων
10  και κραζουσιν φωνη μεγαλη λεγοντες η σωτηρια τω θεω ημων τω καθημενω επι τω θρονω και τω αρνιω

Na deze dingen zag ik en zie! Een talrijke menigte die niemand tellen kon, uit alle natiën en stammen en volken en talen, staande vóór de troon en vóór het Lam, gehuld in witte gewaden en palmtakken in hun handen. En zij roepen luidkeels, zeggend: De redding [behoort] aan onze God die op de troon zit en aan het Lam

Een belangrijke sleutel tot begrip van de talrijke menigte, gewoonlijk aangeduid als de Grote Schareis gelegen in de uitdrukking die niemand tellen kon. Waarom? Omdat het 'zaad' dat aan Abraham werd beloofd in het boek Genesis bij herhaling op die manier nader wordt aangeduid:
- de niet te tellen zandkorrels aan de oever der zee, respectievelijk de stofdeeltjes der aarde, en
- de eveneens niet te tellen aantal sterren aan de hemel (Gn 13:14-1715:3-6).

Toen de Christelijke Gemeente met Pinksteren 33 AD ontstond werd geleidelijk duidelijk dat Abrahams zaad niet slechts uit een aards maar ook uit een hemels deel zou bestaan, maar in Gn 22:17-18 was al duidelijk geworden dat alle natiën der aarde zich in beide delen van dat zaad zouden zegenenDe natie Israël ging van nature tot dat zaad behoren; de leden van de Christelijke Gemeente worden tot het zaad gerekend vanwege het feit dat zij Masjiach Yeshua toebehoren: Indien jullie dan van [de] Messias zijn, zijn jullie werkelijk zaad van Abraham, volgens een belofte erfgenamen (Gl 3:29).
Maar van beide delen van het zaad wordt te kennen gegeven dat niet verwacht mag worden dat ook maar enig mens het kan tellen.

Om welk deel van dat zaad gaat het hier? Het aardse of het hemelse deel ervan? Gaat het in dit geval om de gemeente van Israël of de Christelijke gemeente?
Het is onze overtuiging dat de Grote Schare van Openbaring 7:9-17 tot Abrahams aardse zaad behoort, dus tot de gemeente van Israël naar het vleeswant in dit Schriftdeel wordt ons de toekomstige redding uit de Grote Verdrukking van een gelovig Joods Overblijfsel getoond.

Wat Johannes volgens Op 7:4 niet zag doch slechts hoorde - het symbolische aantal dat uit alle stammen van Israël werd gezegeld - krijgt hij nu in weer een andere setting werkelijk te zien. Op 7:9-17 bevat immers, zoals we zullen zien, de ene na de andere verwijzing naar OT herstelprofetieën waarin een getrouwe Rest centraal staat.

Maar afgezien daarvan geeft Op 7:17 op zich al voldoende aanwijzing: Want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.
In dat beeld wordt al gedoeld op wat in hoofdstuk 22 uitvoeriger zal worden beschreven: de Rivier van water des levens die over de brede straat van het Nieuwe Jeruzalem tijdens het Millennium naar de mensheid op aarde zal stromen: de voorzieningen ten leven gebaseerd op de verdienste van Yeshua's slachtoffer.

De leden van de Grote Schare komen heel begrijpelijk uit alle natiën, stammen, volken en talenwant daar verbleven zij die vele eeuwen [en verblijven zij trouwens nog altijd] in hun toestand van verstrooiing, opgesloten in ongehoorzaamheid (Rm 11:32).

Vele malen, te beginnen met Dt 30:1-6, lezen  wij over de bijeenvergadering van Israël in de Eindtijd. Uit alle richtingen zullen zij bijeengebracht wordenvan de vier windstreken of van de einden der aarde en ook uit alle natiën.

Zie ondermeer Js 11:12; 27:12-13; 49:12; 66:20.
Jr 31:7-9; Ez 39:21-29; Zc 2:6-12; 8:7-8.
Mt 24:31.

In laatstgenoemde tekst lezen we:

Dan [tijdens zijn paroesie] zal hij [Masjiach Yeshua] zijn engelen uitzenden, en onder luid bazuingeschal zullen zij zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeenbrengen, van het ene uiteinde der hemelen tot het andere uiteinde daarvan.

Dus ook hier is, wat de zeven zegels betreft, wederom sprake van overeenkomst in profetische gedachte met Yeshua's Eindtijdrede volgens Mt 24.

Dat de Joodse 'schapen' die de getrouwe Rest van de Eindtijd zullen vormen uit alle natiën en stammen en volken en talen bijeengebracht zouden worden voor de troon van God en het Lam, kon al uit het boek Ezechiël afgeleid worden. In de strafrede waarin hij bij voorbaat Israëls nalatige herders berispt, gaf YHWH Elohim het volgende te kennen:

Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid. Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar ze vraagt, en niemand die ze zoekt…. Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zál die herders! Ik eis mijn schapen op uit hun hand, en doe hen ophouden met het weiden van de schapen. Die herders zullen zichzelf niet meer weiden en Ik zal mijn schapen uit hun mond redden, zodat ze hun niet meer tot voedsel zijn. Want zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal zelf naar mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan. Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van donkere wolken. Ik zal ze uitleiden uit de volken, ze bijeenbrengen uit de landen en ze brengen naar hun land. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de waterstromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land. In goede weide zal Ik ze weiden en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Ze zullen daar neerliggen in een goede weideplaats en ze zullen grazen in de voortreffelijkste weide op de bergen van Israël.
(Ez 34:5-6, 10-14; hsv aangepast)

Dat de leden van de Grote Schare zich voor de troon en voor het Lam bevinden, terwijl zij op aarde zijn, levert niet werkelijk enige moeilijkheid op.
Ενωπιον του θρονου betekent letterlijk in het gezicht van de troon.
In Op 20:11-12 zien we - binnen een Millenniumtafereel - uit de dood opgewekte personen, de groten en de kleinen, mensen uit alle rangen en standen van de wereldbevolking, op aarde verschijnen, eveneens staande vóór de [grote, witte] troon.  

De Grote Schare bevindt zich ook vóór het Lam.
De overeenkomst in profetische gedachte is nu met Mt 25:31-46, waar de Mensenzoon in zijn paroesie als Koning-Rechter op zijn troon van heerlijkheid zit terwijl alle natiën als het ware voor hem verschijnen. Dat geschiedt met de bedoeling om vast te stellen wat tijdens de verdrukking van de 70ste Jaarweek (voor Israël) de opstelling van al die Heidenen [natiën] zal zijn ten opzichte van deze mijn broedersd.i. Yeshua's Joodse broeders.

Tenslotte worden de leden van de Grote Schare door Johannes ook nog gezien met palmtakken in hun handen.
Dat sommigen van hun voorvaders destijds Yeshua als hun koning binnenhaalden met palmtakken, is overbekend. Een getrouw Overblijfsel zal in de Eindtijd alsnog naar dat beeld - maar dan blijvend en met echte overtuiging - Yeshua in geloof als de ware Masjiach erkennen en aanhangen. Vergelijk Jh 12:12-13.
Zij zullen voor het eerst in hun geschiedenis redding toeschrijven, niet slechts aan God die op de troon is gezeten, maar ook aan het Lam.

Overigens wordt hier, in Op 7:9, palmtakken op een andere manier weergegeven dan gebruikelijk is in het NT: niet βαια των φοινικων, zoals in Jh12:13, maar φοινικες, of volgens de codex Sinaïticus: φοινικας.
Φοινικας wordt verder alleen nog aangetroffen in de Septuagint, in het apocriefe boek Twee Makkabeeën 10:7. Daar worden de vreugdevolle ceremoniën verhaald rondom de reiniging en het weer in gebruik nemen van de tempel te Jeruzalem na de ontwijding ervan door Antiochus IV:

Vol vreugde vierden ze acht dagen lang feest, zoals dat ook voor het Loofhuttenfeest gebruikelijk is… Ze droegen met loof versierde stokken, groene twijgen en palmtakken [φοινικας] en zongen lofliederen op Hem die hen in staat had gesteld Zijn huis te reinigen. Bij algemeen besluit werd bepaald dat het hele Joodse volk voortaan ieder jaar deze dagen zou vieren (2Mk 10:6-8; nbv).

Het is niet onmogelijk dat in Openbaring 7:9 op deze geschiedschrijving wordt ingespeeld: 

(1) Het gaat hier om het Chanoekafeest dat Yeshua blijkbaar erkende.
Zie Jh 10:22-23

(2) De ontwijding van de tempel door Antiochus IV werd door Daniël profetisch aangekondigd in Dn 11:30-31

(3) In Mt 24:15 gaf Jezus te kennen dat die gebeurtenis typologische betekenis heeft. In de Eindtijd zou de Antichrist, afgebeeld door Antiochus IVde gruwel der verwoesting oprichten. 

(4) Zoals uit bovenvermeld citaat blijkt werd het feest Chanoeka volgens de wijze van het Loofhuttenfeest gevierd. Chanoeka wordt daarom ook wel aangeduid met Het Loofhuttenfeest van de maand Kislev. Vandaar dat de feestvierders palmtakken droegen.

(5) In de context van het relaas - in vers 5 - is sprake van de reiniging van het tempelheiligdom, de ναος (of: νεως in Attisch Grieks). 

(6) In het Bijbelboek Daniël - in hoofdstuk 8 - wordt geprofeteerd dat de Antichrist onder de figuur van een Kleine Horen zich arrogant zal verheffen tegen de Hemel, ja, zelfs tegen God, de Vorst van het Heir. Het dagelijks offer zal Hem ontnomen worden en Zijn heiligdom zal vertrapt worden. Maar na 2300 avonden-morgens, kennelijk 1150 volledige dagen vertegenwoordigend, zal het heiligdom in rechten staat hersteld worden.
Zie Dn 8:9-14.

Welke details omtrent de Grote Schare van Openbaring 7:9 mogen wij uit dit alles wellicht afleiden? Welnu, in dat visioen zien wij hen voor de troon van God, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen, terwijl zij redding toeschrijven aan God en aan het Lam. Naderhand zal een Oudste aan Johannes uitleggen dat zij uit de Grote Verdrukking komen; dat zij hun gewaden hebben gewassen en wit hebben gemaakt in het bloed van het Lam; en dat zij om die reden zich voor de troon van God bevinden en hem dag en nacht dienen in zijn ναος (Op 7:10, 14-15).

Tegen die tijd is de Grote Schare blijkbaar door de tegenbeelden gegaan van de hierboven opgesomde voorbeeldige gebeurtenissen. Gods Heiligdom is na de neerwerping ervan door de Antichrist in rechten staat hersteld; de ναος is gereinigd zodat de tegenbeeldige Levieten, de getrouwe Joodse Rest, daarin God voortdurend kunnen dienen; het Loofhuttenfeest van het Millennium - het feest van de grote inzameling - kan gevierd worden. 


Zie: Ezechiël 40 en Een mogelijk verloop van de 70ste Jaarweekmet name wat over de 2300 avonden-morgens (1150 dagen) wordt uiteengezet onder het kopje Gesuggereerd Einde.


7:11-12 
11  και παντες οι αγγελοι ειστηκεισαν κυκλω του θρονου και των πρεσβυτερων και των τεσσαρων ζωων και επεσαν ενωπιον του θρονου επι ταπροσωπα αυτων και προσεκυνησαν τω θεω
12  λεγοντες αμην η ευλογια και η δοξα και η σοφια και η ευχαριστια και η τιμη και η δυναμις και η ισχυς τω θεω ημων εις τους αιωνας τωναιωνων αμην

En alle engelen stonden rondom de troon en de Oudsten en de Vier Levende wezens, en zij vielen op hun aangezicht vóór de troon en brachten hulde aan God, zeggend: Amen! De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte aan onze God tot in de eeuwen der eeuwen. Amen!

Bij nieuwe ontwikkelingen in Gods handelen, geven engelen blijk van hun betrokkenheid en waardering.
Vergelijk Op 5:11-12Jb 38:7Ps 103:20.

Met hun 'Amen!' stemmen zij in met wat de Grote Schare dankbaar uitroeptDe redding [behoort] aan onze God die op de troon zit en aan het LamTegelijkertijd voegen zij hun eigen hulde eraan toe. In Gods wonderbaarlijk handelen met zijn uitverkoren volk onderscheiden zij zijn ongeëvenaarde wijsheid; volop reden om hem lof toe te zwaaien.

Toen de apostel Paulus door de kracht van Gods geest van inspiratie de wonderlijke weg had beschreven die God in verband met zijn Naamvolk volgt: Zijn volk tot redding brengen door een correctie van eeuwen - t.w. opsluiting in hun ongehoorzaamheid jegens de Masjiach - voelde óók hij zich gedwongen om in een doxologie uit te roepen:

O diepte van rijkdom en van wijsheid en kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen, en onnaspeurlijk zijn wegen!

Wanneer mensen en engelen God lof toezwaaien voor de wijze waarop Hij met Israël door de millennia heen handelt, en hen, al is het via de omweg der Heidenvolken, alsnog in een positie brengt om tot zegen te worden van de natiën, lijkt het op zijn minst vermetel om te beweren dat Israël als volk bij Hem zou hebben afgedaan, of dat zijn handelen met hen niet rechtvaardig zou zijn.
Zie Gn 28:10-14 en vergelijk Rm 11:11-12, 30-33.

13  και απεκριθη εις εκ των πρεσβυτερων λεγων μοι ουτοι οι περιβεβλημενοι τας στολας τας λευκας τινες εισιν και ποθεν ηλθον
14  και ειρηκα αυτω κυριε μου συ οιδας και ειπεν μοι ουτοι εισιν οι ερχομενοι εκ της θλιψεως της μεγαλης και επλυναν τας στολας αυτων καιελευκαναν αυτας εν τω αιματι του αρνιου

En één uit de Oudsten antwoordde, zeggend tot mij: Dezen die gehuld zijn in de witte gewaden, wie zijn zij en vanwaar kwamen zij ? En ik heb tot hem gezegd: Mijn Heer, gij weet [het]. En hij zei tot mij: Dezen zijn zij die komen uit de Grote Verdrukking, en zij wasten hun gewaden en maakten ze wit in het bloed van het Lam

Dezen zijn zij die komen uit de Grote Verdrukking…
Die mededeling voert ons terug naar Yeshua's voorzegging in Mt 24:21-22 waar hij de weergaloos Grote Verdrukking voor de Eindtijd aankondigde, tijdens de Tweede helft van de 70ste Week. Op zijn beurt ontleende hij, de Masjiach, de term aan Daniël 12:1. De openbaringsengel deelde aan Daniël mee:

In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst die de zonen van je volk ter zijde staat. Het zal een tijd van verdrukking zijn, zoals er niet geweest is sinds er een natie is ontstaan. In die tijd zal je volk ontkomen: allen die in het boek zijn opgetekend.

Het Hebreeuwse woord dat in dat vers met verdrukking is weergegeven en op benauwdheid doelt, wordt ook in Jeremia 30:4-7 aangetroffen waar profetisch sprake is van "de tijd van benauwdheid voor Jakob".

Dit zijn de woorden die YHWH over Israël en Juda gesproken heeft. Ja, zo zegt YHWHHet geluid van siddering horen wij, van verschrikking, en er is geen vrede.
Vraagt toch, ziet of een manspersoon baart; waarom zie ik dan iedere sterke man met zijn handen op zijn heupen als een barende vrouw en hebben alle aangezichten een lijkkleur gekregen? Wee! Want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob. Maar daaruit zal hij worden gered.

Oók die profetie correspondeert met Mt 24:21-22 en Opb 7:14.
Van belang is echter dat in Jr 30:7 de profetische verzekering luidt dat Jakob -bedoeld wordt een deel van Israël, de vaak vermelde getrouwe Rest - uit die benauwdheid of verdrukking zal worden gered. Geheel in overeenstemming derhalve met datgene wat aan Daniël te kennen werd gegeven betreffende "de zonen van je volk", d.i Gods eigen volk Israël. 

Om die reden gaf Yeshua in zijn Olijfbergrede de Joodse heiligen van de Eindtijd de verzekering dat "die dagen zouden worden verkort", daar anders "geen vlees gered zou worden; maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort". 
Die door hem vermelde uitverkorenen zijn dan ook geen leden van de Christelijke Gemeente, zoals door sommigen wordt gesuggereerd, maar zij die tot het Joodse Overblijfsel zullen behoren. Het is immers de bedoeling dat "vlees" wordt gered, zodat zij kunnen overleven tot in het Millennium, teneinde het aardse, Joodse deel van het Nieuwe Jeruzalem te vormen (Op 22:1421:9-14). 

Uit de Grote Verdrukking komen duidt daarom op redding uit de benauwdheid die door de Antichristelijke vijand zal worden teweeggebracht.  Die redding hangt duidelijk samen met hun vertrouwen in Yeshua die zij tenslotte in geloof hebben erkend als hun eigen, ware Masjiach. En zoals voorheen, tijdens de Gemeente-eeuw, de generaties van Christenen deden, zijn ook zij tenslotte gaan steunen op zijn zondeverzoenend offer. Zij hebben [immers] hun gewaden gewassen en ze witgemaakt in het bloed van het Lam.

De vermelding van die bijzonderheid wijst er kennelijk op dat zij pas zeer recent gelovigen zijn geworden en op de reinigende kracht van hetloskoopoffer van hun Masjiach zijn gaan steunen. Dit verklaart wellicht ook de achtergrond van de vraagstelling aan Johannes door één van die 24 Oudsten: "Johannes, zie je die menigte, gehuld in witte gewaden? Waar zijn die opeens vandaan gekomen?" [een soortgelijke vraag en ook een gelijksoortig antwoord, vindt men in Ez 37:3]. 

Johannes moest het antwoord schuldig blijven. Voor hem waren zij blijkbaar ook geheel onverwacht 'opgedoken'. In ieder geval herkende hij in de menigte niet de Christelijke Gemeente.
Dit wijst er op dat de verschijning van de gelovige Joodse Rest op het toneel van deze wereld - ná zo’n lange tijd van verstoktheid en op zo’n laat tijdstip - tot verrassende reacties zal leiden.

Niettemin is dit alles profetische zekerheid. Ook weten wij vanuit het profetische Woord bij voorbaat dat dit Joodse Overblijfsel het meteen zwaar te verduren zal krijgen van de zijde van de Antichrist. Nadat de Christelijke Gemeente niet langer op aarde is, wordt de ware aanbidding van God, berustend op het offer van Masjiach Yeshua, immers nog slechts binnen hun gelederen aangetroffen. 

Door zijn instrument zal de Duivel bijgevolg alles in het werk stellen om hun invloed te verpletteren.
In de Openbaring zullen wat dat betreft, in de trant van Dn 12:7, nog andere  profetische aankondigingen volgen, zoals ondermeer in Op 12:13-17

Het enige wat de leden van dat toekomstige Joodse Overblijfsel dan ook in die moeilijke tijd kunnen doen is al hun vertrouwen stellen in hun pas gevonden Masjiach. Dat zal hen in staat stellen de overwinning te behalen "op het Beest, op zijn Beeld en op het getal van zijn naam" (Op 15:2).

7:15a 
15a  δια τουτο εισιν ενωπιον του θρονου του θεου και λατρευουσιν αυτω ημερας και νυκτος εν τω ναω αυτου

Om die reden zijn zij vóór de troon van God en verrichten zij dag en nacht voor hem heilige dienst in zijn tempelheiligdom

De reden waarom zij zich voor Gods troon bevinden en voor zijn aangezicht mogen dienen in zijn tempelheiligdom [ναοςnaos]hebben we zojuist vernomen uit vers 14: Zij hebben hun gewaden gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam.
Dat blijkt een zo belangrijk gebeuren te zijn dat zij nu tot God mogen naderen. Het bewijs daarvoor zien we in het feit dat zij dienst doen in Gods heiligdom. In een priesterlijke functie verrichten zij hun dienst voor God in het tegenbeeldige Voorhof der Priesters. Welke vorm van priesterlijke dienst? Komen zij met de priesters òf met de helpers der priesters, de Levieten, overeen? 

In het oude Israël verrichtten de priesters zowel heilige dienst in het priesterlijk Voorhof alsook periodiek in de voorste afdeling van het Heiligdom, het Heilige. De Levieten daarentegen, zij die de priesters terzijde stonden bij het brengen van de offers, mochten niet verder komen dan het Voorhof; zij kwamen dus nooit in het Heiligdom zelf.
Beide gedeelten van de naos hebben blijkbaar tegenbeeldige betekenis. Naar het schijnt vertegenwoordigt het binnenste Voorhof waar zowel de priesters als de Levieten tempeldienst verrichtten, een status of positie (op aarde, in het vlees): gerechtvaardigd op grond van geloof in de Messias.

Het Heilige vertegenwoordigt kennelijk de staat van het geestelijk zoonschap, waarin de leden van de Christelijke Gemeente zich op grond van adoptie, of aanneming als zoon, thans verheugen. Weliswaar terwijl zij nog op aarde zijn, maar het biedt hun wel het perspectief om te bestemder tijd, bij de Opname, voorbij het Gordijn te gaan en het Allerheiligste of de hemel zelf binnen te gaan.

Die voorste afdeling binnen het Heiligdom wijst daarom op de geestelijke situatie waarin Christenen met de apostel Paulus kunnen zeggenOns burgerschap bestaat in de hemelen van waaruit wij ook vurig een redder verwachten, Heer Jezus Messias (Fp 3:20).
Als de tegenbeeldige Levieten echter zal het Joodse Overblijfsel in het tegenbeeldige Voorhof der Priesters dienen, hier op aarde derhalve en aldaar blijvend; maar op grond van hun geloof in Masjiach Yeshua worden ook zij gerechtvaardigd. 

Het Griekse werkwoord dat in ons vers met wit maken is weergegeven, is leukainoo. Het komt in het NT alleen nog voor in Mr 9:3 in de beschrijving van het transfiguratievisioen. Uit het gebruik van dit werkwoord in de LXX kunnen we afleiden dat leukainoo beantwoordt aan het Hebreeuwse laaban. Dat werkwoord treffen we ondermeer aan in Dn 12:10, waarop Op 7:14 trouwens teruggaat.
In de context van de Grote Benauwdheid lezen we daar over de zonen van Daniëls volk:

Velen worden gereinigd, wit gemaakt en gelouterd; doch de goddelozen zullen goddeloos handelen, en geen der goddelozen verstaan het, maar zij die inzicht hebben zullen het verstaan.

Tussen die regels door lezen we ook hier - zoals in vele andere profetische, op de Eindtijdgerichte passages het geval is - dat er in de tijd van het einde [vers 4 van Dn 12] sprake zal zijn van een tweedeling onder de Joden.
Vergelijk bijvoorbeeld Js 10:20-2265:13-1666:5-6Zf 3:12-17.

De leden van de Grote Schare hebben hun gewaden niet slechts wit gemaakt. Zij hebben ze ook gewassen. Het wit maken is een terugverwijzing naar Dn 12:10, zoals we al concludeerden. 
Waarop steunt het wassen? Specifiek: het wassen der klederen, niet wassen in de zin van zich baden.
Bij het beantwoorden van die vraag komen we uit bij de ceremonie in de wildernis waarbij de Levieten voor dienst aan YHWH Elohim werden aangeboden.
Volgens Nm 8:6, 7 kreeg Mozes de volgende opdracht: 

Neem de Levieten apart uit de zonen van Israël en reinig hen. En aldus zult gij met hen doen om hen te reinigen: Gij zult hen besprenkelen met het water der ontzondiging, en vervolgens moeten zij hun hele lichaam scheren en hun kleren wassen; dan zijn zij rein.

In het tegenbeeld zal het Overblijfsel dit ervaren als de vervulling van Ez 36:24-28 waardoor zij tot nieuwe mensen worden gemaakt. Ook zij zullen een wedergeboorte ervaren en tot een nieuwe schepping worden, en dát zal hen geschikt maken om in Gods voornemen, als het aardse deel van het Israël Gods, tot zegen voor alle natiën te worden, dienend in zijn naos.

7:15b-17  
15b και ο καθημενος επι του θρονου σκηνωσει επ αυτους
16  ου πεινασουσιν ετι ουδε διψησουσιν ετι ουδε μη πεση επ αυτους ο ηλιος ουδε παν καυμα
17  οτι το αρνιον το ανα μεσον του θρονου ποιμανει αυτους και οδηγησει αυτους επι ζωης πηγας υδατων και εξαλειψει ο θεος παν δακρυον εκτων οφθαλμων αυτων

En Hij die op de troon zit zal zijn tent over hen vestigen. Zij zullen geen honger of dorst meer hebben; de zon noch enige andere hitte zal op hen vallen. Want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen geleiden naar bronnen van wateren des levens. En God zal elke traan uit hun ogen wegwissen

En Hij die op de troon zit zal zijn tent over hen vestigen… 
De gedachte komt vrijwel overeen met Jesaja 4:5-6, dat gedeeltelijk luidt:

Over al wat heerlijk is, zal een beschutting zijn; als een tent die schaduw biedt tegen de zonnehitte, als een schuilplaats die beschut tegen regen en storm.

Wanneer het Joodse Overblijfsel uit de Grote Verdrukking is gekomen krijgt het zegel op hun voorhoofd meer dan ooit beschermende waarde. Want dan breekt de Grote Dag van Gods gramschap aan en worden de vier winden der aarde niet meer tegengehouden (Op 6:15 – 7:1). Natuurlijk is het niet Gods bedoeling om hen dan, nadat zij gered zijn uit de zware vervolging van de Antichristelijke vijand, zijn oordeel te laten voelen zoals hij dat gaat brengen over hun ongelovige Joodse broeders die voor hen de verdrukking (mede) hadden veroorzaakt. Voor hen breekt dan juist verlichting aan.
Vergelijk 2Th 1:6-9.

Oók de rest van het Schriftdeel steunt op het profetische woord van Jesaja. Zie Js 25:8 en in het bijzonder Js 49:9-10, omdat daar elke twijfel over de identiteit van de Grote Schare wordt weggenomen. In bewoordingen die overeenkomen met de verzen 16 en 17, beschrijft de profeet het bijeenbrengen en terugleiden naar hun land van de Joodse Rest: 

Aan de wegen zullen zij weiden, en op alle kale hoogten ligt voor hen een weide. Zij zullen niet hongeren, noch zullen zij dorsten, noch zal verschroeiende hitte of zon hen treffen. Want hun Ontfermer zal hen leiden en naar waterbronnen zal hij hen voeren.

Dat het werkelijk om hun terugkeer gaat, wordt des te duidelijker als men inziet dat de aanleiding daartoe ligt in Gods verklaring ten aanzien van zijn Knecht, Yeshua Masjiach.
In Js 49:6 wordt Gods profetische Woord als volgt specifiek tot hém gericht:

Het is te gering, dat gij mijn Knecht zoudt zijn, om de stammen van Jakob op te richten en de bewaarden van Israël te doen terugkeren.

Zie verder ook:
 Jesaja hoofdstuk 12, waaruit men kan opmaken dat het Overblijfsel in die tijd YHWH in gloedvolle bewoordingen zal danken voor hun redding, en ook dat zij vol vreugde water zullen putten uit de bronnen der redding.
 Jeremia 31:7.-9 (nbg). Binnen een context van Israëls herstel en het sluiten van een Nieuw Verbond met hen stuiten we ook in die passage op dezelfde zegenrijke vooruitzichten voor dat oude Godsvolk:

Want zo zegt YHWH: Jubelt van vreugd over Jakob, juicht om het hoofd der volkeren, verkondigt, looft en zegt: YHWH heeft zijn volk verlost, het overblijfsel van Israël. Zie, Ik breng hen uit het land van het Noorden en verzamel hen van de einden der aarde; onder hen blinden en lammen, zwangeren en barenden tezamenin een grote schare zullen zij hierheen terugkeren. Onder geween zullen zij komen en onder smeking zal Ik hen leiden; Ik zal hen voeren naar waterbeken op een effen weg, waarop zij niet struikelen. Want Ik ben Israël tot een vader, en Efraïm, die is mijn eerstgeborene.

-.-.-.-
Naar Openbaring 8 


Geen opmerkingen: