Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

maandag 25 maart 2013

De Eerste Korinthebrief - Hoofdstuk 15




1   Γνωριζω δε υμιν, αδελφοι, το ευαγγελιον ο ευηγγελισαμην υμιν, ο και παρελαβετε, εν ω και εστηκατε,

Maar ik maak jullie bekend, broeders, het Evangelie dat ik jullie als evangelie verkondigde, dat jullie ook aanvaardden, waarin jullie ook staan,
2   δι ου και σωζεσθε, τινι λογω ευηγγελισαμην υμιν ει κατεχετε, εκτος ει μη εικη επιστευσατε.
waardoor jullie ook gered worden, indien jullie vasthouden aan het woord waarin ik het jullie als evangelie verkondigde, tenzij jullie tevergeefs tot geloof kwamen.
3   παρεδωκα γαρ υμιν εν πρωτοις, ο και παρελαβον, οτι Xριστος απεθανεν υπερ των αμαρτιων ημων κατα τας γραφας,
Want onder de eerste dingen leverde ik aan jullie over wat ook ik ontving dat [de] Messias voor onze zonden stierf naar de Schriften,
4   και οτι εταφη, και οτι εγηγερται τη ημερα τη τριτη κατα τας γραφας,
en dat hij begraven werd en op de derde dag opgewekt, naar de Schriften,

Het waren vrouwen die de opgestane Jezus als eersten aanschouwden.
Zie Lukas 24

Is hoofdstuk 13 onvergetelijk geworden wegens het loflied op de (bovennatuurlijke) liefde, dit hoofdstuk (15) werd fameus op grond van de vele details omtrent de opstanding.
En dat alles naar aanleiding van nog meer verontrustende berichten die Paulus te Efeze hadden bereikt omtrent de ernstige twijfels waarvan sommige Korinthiërs dienaangaande blijk gaven.
Het fundamentele leerpunt van het Christendom, Jezus’ opstanding, was daarbij feitelijk niet in het geding; althans niet rechtstreeks. Eerder was er -onder invloed van de Griekse wijsbegeerte- iets anders, iets zeer fundamenteels, aan de orde wat betreft de leer der opstanding in het algemeen.

Om Paulus’ argumentatie met betrekking tot de opstanding, met name die van onze Heer, Messias Jezus, naar waarde te kunnen schatten, herinneren wij de lezer aan de partij der Libertijnen die – gezien de extreme opvattingen die men erop na hield - binnen de Korinthische gemeenschap waarschijnlijk de grootste geestelijke bedreiging vormde.
De dingen die Paulus schreef in hoofdstuk 6, de vv 12 en 13, verwezen vooral naar hun vrije, morele opvattingen:

Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar wat mij betreft ik zal mij door niets onder autoriteit laten brengen. De spijzen voor de buik en de buik voor de spijzen!

Op moreel gebied zou volgens de Libertijnen alles geoorloofd zijn, waarbij zij zo ver gingen dat men zich 'zonder problemen' met een tempelprostituee kon afgeven en toch een waar christen kon zijn! Want, zo redeneerden zij in hun wereldwijze opvattingen, 'zoiets raakt alleen je lichaam en dat is slechts uiterlijk; het hogere levensbeginsel, de geest, de mens die men innerlijk is, deert dat in het geheel niet'.
Die extreme benadering ontleenden zij aan het heidense, Griekse denken van die tijd en was  helemaal in de geest van de Cynische en Stoïcijnse scholen die op grond van de menselijke natuur de kuisheid verwierpen.

Maar die libertijnse ideeën welke geheel op het hogere, de dingen van de geest, gericht waren, hadden nog andere consequenties: De minachting voor het lichamelijke hield voor hen in dat het ondenkbaar was dat God bij de opstanding het lichaam zou opwekken.
Die Griekscultische gedachtegang was al eerder in de Handelingen aan het licht gekomen, namelijk bij de gelegenheid dat Paulus op de Areopagus, in de aanwezigheid van epicurische en stoïsche wijsgeren,  de opstanding ter sprake bracht:

God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat hij een dag heeft bepaald, waarop hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die hij aangewezen heeft, waarvan hij voor allen het bewijs geleverd heeft door hem uit de doden op te wekken. Toen zij nu van een opstanding van doden hoorden, spotten sommigen (Hn 17:30-32; nbg).

Op dat moment keerden die wereldwijze Grieken zich van Paulus af. Hoe dwaas was volgens hen wat hij verkondigde: Bij de dood is de geest van de mens juist van zijn lichaam verlost, ja, bevrijd van dat inferieure deel van zijn wezen. Hoe ondenkbaar daarom dat de bevrijde geest naar de 'gevangenis' van een lichaam zou willen terugkeren!  Waarom zou God dus een lichaam dat van geen waarde was willen opwekken!

Sommigen der vroege christenen die met die Hellenistische kijk besmet waren, kwamen dan ook tot de gevolgtrekking dat de opstanding puur geestelijk verstaan moest worden.
In 2Tm 2:17-18 waarschuwde Paulus Timotheüs naderhand voor zulke lieden: Hun woord zal voortwoekeren als de kanker. Tot hen behoren Hymeneüs en Filetus, die uit het spoor der waarheid geraakt zijn met hun bewering, dat de opstanding reeds heeft plaatsgehad (nbg).
Daarmee doelden zij op datgene wat elke christen ervaart wanneer hij een lid wordt van Jezus’ Gemeentelichaam:

Maar God, die rijk is aan barmhartigheid, heeft ons, vanwege zijn diepe liefde waarmee hij ons liefhad, toen óók wij doden waren in de overtredingen, tezamen met de Messias levend gemaakt – door liefderijke gunst zijn jullie geredde [mensen]  en hij wekte ons mede op en hij deed ons mede plaats nemen in de hemelsferen in Messias Jezus (Ef 2:4-6).

Voor Paulus was er daarom op het leerstuk der opstanding zeer veel recht te zetten. In dit hoofdstuk benut hij dan ook niet minder dan bijna zestig verzen om het ene argument na het andere ten gunste van een lichamelijke opstanding te presenteren.
Maar in vers 1 herinnert hij zijn Korinthische broeders allereerst aan het Evangelie dat hij onder hen had gepredikt en door hen was aanvaard. De beide aoristen van de werkwoorden wijzen terug naar de specifieke tijd dat zij tot geloof kwamen. In vers 2 voegt hij er aan toe dat zij op grond daarvan in een voortdurende staat van gered zijn verkeren. Het werkwoord redden staat namelijk in het praesens, de voortdurende tegenwoordige tijd. Tenzij, zo voegt hij er aan toe, tenzij jullie slechts schijngelovigen blijken te zijn doordat jullie het kernpunt van het Evangelie loslaten.

In de vv 3 en 4 komt de apostel meteen ter zake: De Messias stierf om de Gemeente van de zonde te bevrijden. Hij werd begraven maar opgewekt op de derde dag, en die waarheden behoorden tot de vroegste feiten welke hij hun had bekendgemaakt (1Ko 2:1-2).
En dat alles was geschied naar de Schriften. Vergelijk: Jesaja 53; Ps 16:8-11 (Hn 2:24-28); Jona 1:17 (Mt 12:40); Lukas 24.

5   και οτι ωφθη Kηφα, ειτα τοις δωδεκα∙
en dat hij verscheen aan Kèfas, daarna aan de twaalven.
6   επειτα ωφθη επανω πεντακοσιοις αδελφοις εφαπαξ, εξ ων οι πλειονες μενουσιν εως αρτι, τινες δε εκοιμηθησαν∙
Vervolgens verscheen hij aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten tot nu toe er nog zijn; doch sommigen zijn ontslapen.
7   επειτα ωφθη Iακωβω, ειτα τοις αποστολοις πασιν∙
Vervolgens verscheen hij aan Jakobus, daarna aan al de apostelen.
8   εσχατον δε παντων ωσπερει τω εκτρωματι ωφθη καμοι,
Doch als laatste van allen - als het ware aan de ontijdig geborene - verscheen hij ook aan mij.

Na gewezen te hebben op de bewijsvoering vanuit de OT-Geschriften, voert Paulus vervolgens nieuwe bewijzen aan voor Jezus’ lichamelijke opstanding: Verscheidene leerlingen hebben hem persoonlijk ná zijn opstanding met eigen ogen gezien, ja, zelfs van dichtbij meegemaakt. Er zijn concrete getuigen voorhanden!
Uit de Evangelieverslagen blijkt onomstotelijk dat Jezus allereerst aan enkele van zijn vrouwelijke leerlingen verscheen, maar de apostel gaat aan dat feit voorbij. Hij vermeldt alleen degenen die voor de Korinthiërs als officiële getuigen golden, mannen, wier gezag door hen werd erkend:

∙ Petrus (Kèfas) >> Lk 24:33-34 Zij [de twee uit Emmaüs] vonden de elf en hen die bij hen waren tezamen vergaderd, die zeiden: De Heer is inderdaad opgewekt en is aan Simon verschenen.
Zij wisten heel goed dat verschillende vrouwen Jezus al vóór Petrus (Simon) hadden gezien!
∙ De twaalven (meervoud). Eigenlijk 11, maar de term is weer een officiële aanduiding, t.w. voor het apostelcollege. Uit bovenstaande tekst kan overigens geconcludeerd worden dat nog andere leerlingen op die avond van de opstandingsdag in Jeruzalem aanwezig waren.

∙ Meer dan 500 tegelijk. Plaats en gelegenheid zijn niet bekend. Het meest in aanmerking komt Mt 28:17, waaruit wellicht mag worden afgeleid dat nog (vele) anderen, buiten de 11, aanwezig waren voor de samenkomst met de opgestane Heer, op de berg in Galilea. Daar had hij hen ontboden om hen te informeren omtrent hun toekomstige taak de Heidenvolken te onderwijzen εως της συντελειας του αιωνος  d.i. tot de voleinding der eeuw.
Van die menigte waren rond 55 AD, het jaar van de Brief, de meesten nog in leven en hun getuigenis in het bijzonder maakte Jezus’ opstanding tot een onweerlegbaar feit.

∙ Jakobus. Zeer waarschijnlijk Jezus’ halfbroer, hij die later, in 49 AD, prominent was tijdens het apostelconvent. Hij is de Jakobus van de gelijknamige Brief, de broer van de Heer. Dat Jezus aan hem verscheen gaf kennelijk de doorslag om zijn aanvankelijk ongeloof opzij te zetten. Want kort daarop, ná Jezus’ hemelvaart, is hij aanwezig bij de andere leerlingen in de bovenzaal te Jeruzalem (Jh 7:1-5; Hn 1:12-14).

∙ Alle apostelen. Kan verwijzen naar Jh 20:26, maar ook naar Hn 1:1-11.
In Jh 20:26-27 lezen we: En na acht dagen waren zijn discipelen weer binnen en Thomas was bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, en hij stond in hun midden en zei: Vrede zij jullie. Daarna zei hij tegen Thomas: Kom hier met je vinger en bekijk mijn handen, en kom hier met je hand en steek die in mijn zijde; en wees niet ongelovig, maar gelovig.
Uit deze en andere passages kan geconcludeerd worden dat Jezus lichamelijk aan hen verscheen, maar in wisselende materialisaties. In dit geval had hij de stigmata in zijn handen en zijde gematerialiseerd.

De twee leerlingen van Emmaüs herkenden hem pas toen hij op de voor hen bekende wijze het brood brak (Lk 24:30-31). Ook bij de wonderbare visvangst, toen de opgestane Jezus aan de oever van het meer Petrus en enkele anderen toeriep, herkenden zij hem aanvankelijk niet als hun Heer (Jh 21:1-8). Allemaal aanwijzingen dat Jezus zijn geesteslichaam waarmee hij was opgewekt in verschillende zichtbare lichamen van vlees en beenderen materialiseerde  (Lk 24:39).
Verderop in dit hoofdstuk zal Paulus nog uitweiden over het opstandingslichaam, zoals in vers 45:
De eerste mens Adam werd tot een levende ziel (bij zijn schepping);de laatste Adam tot een levendmakende geest (bij zijn opstanding).Dat strookt met het voorafgaande vers (44), waar met betrekking tot de opstanding van de leden der Gemeente wordt gezegd:Er wordt een zielenlichaam gezaaid [in de dood];er wordt een geesteslichaam opgewekt.
Het opstandingslichaam van christenen, de Leden van Jezus’ Gemeentelichaam, zal identiek zijn aan dat van hun Heer. Maar steeds is er sprake van een lichaam:

Want ons burgerschap bestaat in de hemelen, van waaruit wij ook vurig een redder verwachten, Heer Jezus Messias, die het lichaam van onze vernedering van gedaante zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, overeenkomstig de werking dat hij in staat is ook alle dingen aan zich te onderwerpen (Fp 3:20-21).

∙ Paulus zelf. Als laatste, maar die gebeurtenis vond dan  ook onder heel aparte omstandigheden plaats. Jezus verbleef al enige tijd in de hemel, aan de rechterhand van de Vader, en vóór de stadspoorten van Damaskus maakte hij zich plotseling bekend aan de fanatieke vervolger van Joden die Jezus als hun Messias erkenden (Hn 9:1-19): Als het ware aan de ontijdig geborene.

Blijkbaar bedoelde hij daarmee te zeggen dat hij, in vergelijking met de twaalf -alle apostelen die hij zojuist als voorlaatsten had genoemd en met wie hij zich ook in de vv die volgen vergelijkt - op een ongewone wijze tot het apostelschap was geroepen. Zij waren reeds Jezus’ leerlingen voordat hij hen aanstelde. Doordat zij steeds in zijn nabijheid verkeerden kregen zij een grondige opleiding.

Niets van dat alles had Paulus meegemaakt; hij werd als het ware 'als een onvoldragene gebaard'. Maar ook aan hem verscheen Jezusniet in een visioen zoals bij latere gelegenheden, maar in een rechtstreeks contact met hem. Tot driemaal toe lezen wij dat de Heer in een verblindend licht met hem sprak. Ondanks het feit dat Jezus inmiddels een verheerlijkt geesteslichaam bezat - het lichaam van zijn heerlijkheid - werd er over en weer een gesprek gevoerd. 
Vergelijk: Hn 9:3-6; 22:6-11; 26:12-18, alsook 18:9-10.

9   Eγω γαρ ειμι ο ελαχιστος των αποστολων, ος ουκ ειμι ικανος καλεισθαι αποστολος, διοτι εδιωξα την εκκλησιαν του θεου∙
Want ik ben de geringste der apostelen; ik ben niet waard een apostel genoemd te worden, aangezien ik de gemeente vervolgde.
10  χαριτι δε θεου ειμι ο ειμι, και η χαρις αυτου η εις εμε ου κενη εγενηθη, αλλα περισσοτερον αυτων παντων εκοπιασα, ουκ εγω δε αλλα η χαρις του θεου [η] συν εμοι.
Maar naar Gods liefderijke gunst ben ik wat ik ben, en zijn genade jegens mij bleek niet tevergeefs, maar ik zwoegde overvloediger dan zij allen; doch niet ik maar de liefderijke gunst van God die met mij is.
11  ειτε ουν εγω ειτε εκεινοι, ουτως κηρυσσομεν και ουτως επιστευσατε.
Hoe dan ook, of zij het nu zijn of ik, zó prediken wij en zó kwamen jullie tot geloof.

Nog een argument: Hoewel Paulus op een oneigenlijke manier tot de kring der apostelen was gaan behoren -van een 'kerkvervolger' werd hij van de een op de andere dag een ongewoon actieve promotor van het geloof- ten aanzien van de kerngedachte van het Christendom was er absoluut geen onderscheid tussen hem en hen: de opstanding was voor allen het voornaamste leerpunt bij de prediking van de nieuwe waarheden. Tot geloof komen geschiedde slechts op die grondslag.

Dankzij de aan hem betoonde liefderijke gunst had Paulus aan die verkondiging van alle apostelen het grootste aandeel. Letterlijk: Ik zwoegde overvloediger dan allen van hen. Maar God had dan ook van meet af grote verrichtingen voor hem in gedachten. En Paulus kende de zin van die speciale roeping: Het dacht God goed zijn Zoon in mij te openbaren opdat ik hem onder de Heidenvolken als evangelie zou verkondigen (Gl 1:15-16).
In de Tweede Korinthebrief zou hij over dat 'zwoegen' nog in bijzonderheden uitweiden (2Ko 11: 23-33). Maar nederig wijst hij er met klem op dat hij slechts wegens Gods liefderijke gunst dat alles kon volbrengen.

Gezien die eenduidige geloofsverkondiging verbaast het hem vooral wat hij vanuit Korinthe heeft vernomen:

12  Eι δε Xριστος κηρυσσεται οτι εκ νεκρων εγηγερται, πως λεγουσιν εν υμιν τινες οτι αναστασις νεκρων ουκ εστιν;
Indien er nu van [de] Messias wordt gepredikt dat hij uit doden is opgewekt, hoe zeggen [dan] sommigen onder jullie dat er geen opstanding van doden is?
13  ει δε αναστασις νεκρων ουκ εστιν, ουδε Xριστος εγηγερται∙
Indien er echter geen opstanding van doden is, is ook [de] Messias niet opgewekt.
14  ει δε Xριστος ουκ εγηγερται, κενον αρα [και] το κηρυγμα ημων, κενη και η πιστις υμων,
Maar indien [de] Messias niet is opgewekt, is ook onze prediking waarlijk zonder inhoud; zonder inhoud ook jullie geloof.
15  ευρισκομεθα δε και ψευδομαρτυρες του θεου, οτι εμαρτυρησαμεν κατα του θεου οτι ηγειρεν τον Xριστον, ον ουκ ηγειρεν ειπερ αρα νεκροι ουκ εγειρονται.
Dan ook worden wij pseudogetuigen van God bevonden, omdat wij tegen God in getuigden dat hij de Messias opwekte, die hij niet opwekte indien inderdaad doden niet worden opgewekt.
16  ει γαρ νεκροι ουκ εγειρονται, ουδε Xριστος εγηγερται∙
Want indien doden niet worden opgewekt, is ook [de] Messias niet opgewekt,
17  ει δε Xριστος ουκ εγηγερται, ματαια η πιστις υμων, ετι εστε εν ταις αμαρτιαις υμων.
maar indien [de] Messias niet is opgewekt, is jullie geloof zinloos; jullie zijn nog in jullie zonden!
18  αρα και οι κοιμηθεντες εν Xριστω απωλοντο.
Zij die in [de] Messias ontsliepen gingen ook waarlijk ten onder.
19  ει εν τη ζωη ταυτη εν Xριστω ηλπικοτες εσμεν μονον, ελεεινοτεροι παντων ανθρωπων εσμεν.
Indien wij alleen in dit leven onze hoop op [de] Messias gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardigen van alle mensen.

Tegen zo’n redenatie is niets in te brengen, ook al is het een opeenstapeling van principieel hetzelfde argument. Zonder opstanding is er geen hoop; voor niemand.
Er is geen toekomst voor wie dan ook. Alle gestorvenen zijn voor altijd weg, voorgoed ten onder gegaan. Niemand is van zijn zonden verlost, want degene die als enige voor verlossing kon zorgen is zelf ook niet opgewekt.

Maar…, zal iemand tegenwerpen: Jezus bracht toch betreffende de zonden het offer van zijn eigen volmaakte leven, en vormt dat niet de grondslag voor de hoop van het Christendom? En heeft hij door die daad niet de wereld en zijn heerser overwonnen? Hoe zouden christenen dan valse getuigen van God kunnen zijn?

Om met die laatste vraag te beginnen: Wanneer God zijn Zoon inderdaad niet uit de dood heeft opgewekt dan is de prediking van zijn opstanding simpelweg een leugen. Wij houden anderen dan iets voor wat niet werkelijk gebeurd is.

"Goed; dat mag dan zo zijn, maar de waarde van zijn offer is toch, hoe dan ook, beschikbaar!"
Welnu, met die bewering zit het helemaal fout. De gunstige effecten van Jezus’ offer konden namelijk niet beschikbaar komen als hij nooit werd opgewekt! Waarom niet? Omdat hij dan ook niet kon opstijgen naar de hemel om in de tegenwoordigheid van zijn Vader God te verschijnen en aan Hem de waarde van dat offer aan te bieden!
De Tabernakel in de wildernis leerde typologisch dat verlossing zonder het precies volgen van die procedure te enen male onmogelijk is! Wij moeten ons tot de Hebreeënbrief wenden:

Want de Messias ging niet binnen in een met handen gemaakte meest heilige plaats, kopie van de ware, maar in de hemel zelf, om nu ten behoeve van ons voor Gods aangezicht te verschijnen. Ook niet opdat hij zichzelf dikwijls [ten offer] zou opdragen, zoals de hogepriester jaarlijks binnengaat in de meest heilige plaats met vreemd bloed; anders moest hij dikwijls lijden sinds [de] grondlegging der wereld. Maar nu is hij eens voor altijd, bij de voleinding der eeuwen, openbaar gemaakt voor terzijdestelling van de zonde door zijn slachtoffer (Hb 9:24-26).

Jezus bracht niet alleen het offer van zijn eigen ziel. Hij droeg dat offer ook op in de functie van tegenbeeldig hogepriester; niet naar de wijze van Aäron maar volgens de orde van Melchizedek (Psalm 110).
De Aäronische hogepriester ging, om verzoening te doen voor zichzelf, zijn huis en het volk, elk jaar opnieuw een heiligdom binnen dat slechts een kopie of nabootsing [antitype] was van de meest heilige plaats, de hemel zelf. Die verzoening was van ceremoniële aard en had dus geen werkelijke kracht, ondermeer omdat de Aäronische hogepriester vreemd bloed binnenbracht, dat van de stier en de bok hetwelk geen verzoenende waarde kon hebben.

De hogepriesters van de oude orde lieten dieren bloeden voor de eigen zonden, maar de zondeloze en onschuldige hogepriester Jezus droeg zijn eigen bloed ten offer op om de zonden van anderen terzijde te stellen. En de waarde van dat bloed moest hij bovendien, naar de typologie rond de vroegere hogepriester, in het hemelse Tempelheiligdom brengen.
En als de Messiaanse hogepriester hoefde hij zijn offer slechts één keer te brengen. Het is zó doeltreffend dat het niet van jaar tot jaar herhaald behoeft te worden. Het effect er van gaat helemaal terug tot op alle mensen die sinds de grondlegging der wereld hebben geleefd, maar ook ziet het vooruit naar allen die nog in de toekomst zullen leven. Mensen van alle generaties kunnen door geloof uiteindelijk van hun zonden worden gered.
Met zijn optreden kwam de geschiedenis dan ook tot een climax. De voleinding der eeuwen staat namelijk in antithese tot de grondlegging der wereld.

Het bewijs voor de noodzaak van deze, door God verordende procedure kwam op de Pinksterdag. Want eerst toen kon met het toedienen der effecten van het bevrijdende offer een aanvang worden gemaakt. Veel Joden, afkomstig uit de diaspora en voor het feest aanwezig in Jeruzalem, werden getuigen van die hoogst belangrijke nieuwe ontwikkeling in Gods reddingsplan. Zoals ook door Petrus werd verwoord: Deze Jezus deed God opstaan, waarvan wij allen getuigen zijn. Hij dan, die door de rechterhand van God verhoogd is en de belofte van de heilige geest ontving van de Vader, stortte dit uit wat jullie zien en horen (Hn 2:32-33).

Vanaf die dag kon de roeping der leden van Jezus’ Gemeentelichaam een aanvang nemen, een procedure die de gehele 'eeuw der Gemeente' heeft voortgeduurd; tot nu toe.
In deze Brief had Paulus al eerder op hun bestemming gezinspeeld: Weten jullie niet dat jullie lichaam een tempelheiligdom is van de heilige geest welke in jullie is? … Want jullie werden duur gekocht (1Ko 6:19-20).

Wanneer de Opname der Gemeente plaats vindt, zullen die 'levende stenen', afgewerkt aan de groeve, in alle stilte worden gelegd bij het daadwerkelijk optrekken van de Tempelstad Nieuw Jeruzalem (1Kn 6:7; Openbaring 21).

Vervolgens zullen nog veel meer effecten van het verzoenend offer toegediend worden bij het in werking komen van het Messiaanse koninkrijk. Want vanuit die Stad waarin dat Messiasrijk zijn zetel zal hebben, zullen de levengevende effecten van Jezus’ offer duizend jaar lang als water des levens helder als kristal naar de Heidenvolken op aarde stromen (Openbaring 22)
En die vooruitzichten vormen - door hem in kort bestek samengevat - ook precies de kern van datgene wat de apostel in het nu volgend gedeelte van de Brief, de vv 20 tm 28, gaat bespreken.   


20  Nυνι δε Xριστος εγηγερται εκ νεκρων, απαρχη των κεκοιμημενων.
Maar nu, [de] Messias is opgewekt uit doden, eerstelingsgave van hen die ontslapen zijn.
21  επειδη γαρ δι ανθρωπου θανατος, και δι ανθρωπου αναστασις νεκρων∙
Want aangezien dood door een mens [is][is] ook opstanding van doden door een mens.

Na de opsomming der vele sombere consequenties welke een vermeende niet-bestaande opstanding zou hebben, met name die van Christus, een kreet van verlichting; alle geopperde zaken vormen slechts academisch getinte dialectiek: De Messias is wel degelijk opgewekt. Zelfs als eeneerstelingsgave, wat inhoudt dat nog anderen zullen volgen.
Naar de Wet werd bij het binnenhalen van de gerstoogst de eerste schoof naar de Tabernakel gebracht om aan God te worden aangeboden. Volgens de joodse kalender moest dat geschieden op 16 Nisan, precies de dag waarop Jezus werd opgewekt (Lv 23:9-14). Die schoof beeldde dus een persoon af. Er volgt echter nog een latere 'oogst', zoals ook in vers 23 getoond zal worden.
Maar intussen heeft de apostel met het gebruik van de term eerstelingsgave Jezus’ opstanding niet alleen bevestigd, maar tevens dat die plaatsvond op precies de juiste, voorzegde dag.

Volgens Lv 23:15-21 moesten de Israëlieten zeven weken tellen vanaf 16 Nisan, dus negenenveertig dagen in totaal, en op de vijftigste dag moesten zij het Wekenfeest vieren (Pinksteren). Op die dag moesten zij namelijk een nieuw graanoffer aan JHWH aanbieden… twee broden als beweegoffer.
Gerekend vanaf Jezus’ opstanding ging dit Wekenfeest dan ook op de 50e dag ten aanzien van de gemeente van zijn leerlingen in Jeruzalem in vervulling, toen de heilige geest werd uitgestort op de 120. Daardoor werden zij, en vervolgens ook anderen na hen, verwekt tot Gods geestelijke zonen krachtens het offer dat door hun hogepriester Jezus was opgedragen, en waarvan de waarde door hemzelf, na zijn opstanding en hemelvaart, in het hemelse Allerheiligste aan zijn Vader God was aangeboden. Bijgevolg hadden de twee symbolische broden van meelbloem Gods volledige erkenning.

Het parallellisme tussen de gevolgen van Adams dood en die van Jezus waarover door de apostel later, in Rm 5:12-19, uitvoerig zou worden uitgeweid, duidt hij hier in slechts enkele bewoordingen aan.
Nu wijst hij slechts op een punt van overeenkomst tussen de eerste Adam en de laatste 'Adam'. Beide vervullen in zekere zin de rol van 'stamvader', maar dan wel met tegenovergesteld resultaat: Door de overtreding van de eerste dalen zijn nakomelingen af in het graf; krachtens het offer van de tweede worden zij uit het graf teruggehaald.

Om het equivalent te benadrukken spreekt de apostel in beide gevallen van een mens als stamvader. Daarmee laat hij uitkomen dat Jezus’ offer qua waarde overeenkwam met het volwaardig menselijk leven dat in de eerste Adam verloren ging. Zoals Paulus later aan Timotheüs schreef: Want er is één God, één middelaar ook van God en mensen, een mens, Messias Jezus, die zichzelf gaf, een tegenoverlosprijs [antilutron] voor allen (1Tm 2:5-6).

Uit het bovenstaande wordt heel duidelijk dat de opwekkingen die Jezus tijdens zijn aardse bediening verrichtte geen opstandingen waren in de zin zoals we tot nu toe met elkaar bespraken. Allereerst omdat zij niet konden plaats vinden krachtens het effect van Jezus’ loskopend offer, maar ook omdat zij - de zoon van de weduwe, het dochtertje van Jaïrus, Lazarus - weer hersteld werden tot het soort leven dat zij tot aan hun overlijden hadden geleefd. Hoewel niet de juiste term ervoor, zou men wat Jezus in hun situatie deed nog het best kunnen omschrijven als een vorm van reanimatie, de uiterste vorm van alle gezondmakingen die hij verrichtte. En die 'reanimatie' leidde niet tot de nieuwe dimensie van leven welke Jezus zelf vermeldde in Lk 20:34-36.
En Jezus zei tot hen: De zonen van deze eeuw huwen en worden ten huwelijk gegeven. Zij echter die waardig zijn geacht aan die eeuw deel te krijgen en aan de opstanding uit de doden, huwen niet noch worden zij ten huwelijk gegeven, want zij kunnen ook niet meer sterven; want zij zijn aan engelen gelijk, en zijn zonen van God, daar zij zonen van de opstanding zijn.
Bij hun overlijden hebben zij de Adamitische erfenis achter zich gelaten en daarmee het tijdperk waarin de (overgeërfde) zonde onafgebroken de dood als 'loon' uitbetaalde (Rm 5:12; 6:23). Wanneer zij door Gods kracht worden opgewekt, zijn zij dan ook geen zonen meer van Adam, maar van God. Daarmee is niet alleen de onvermijdelijkheid van de dood verleden tijd, maar ook leven zij niet langer in de Adamitische eeuw waarin het huwelijk en kinderen voortbrengen het opvallendste kenmerk was. 

Hun situatie komt dan in drie opzichten overeen met die van de engelen:
(1) Zij hoeven niet te sterven.
(2) Er worden geen huwelijken meer gesloten.
Er is sprake van een nieuwe existentie binnen een nieuwe vorm van menselijke gemeenschap op aarde. Een aparte relatie tussen twee mensen past niet bij die nieuwe situatie (Op 21:1-5).
(3) Er is niet langer sprake van mannelijk en vrouwelijk.
Om de mensheid door middel van voortplanting binnen het huwelijk voort te brengen, werd de oorspronkelijke mens gescheiden in mannelijk envrouwelijk (Gn 1:27-28; 2:18-24).

22  ωσπερ γαρ εν τω Aδαμ παντες αποθνησκουσιν, ουτως και εν τω Xριστω παντες ζωοποιηθησονται.
Want zoals in Adam allen [bezig zijn te] sterven, evenzo zullen in de Messias allen levend gemaakt worden.

Vers 22 is geen herhaling in andere bewoordingen van het vorige (21).
Opstanding enerzijds en levend gemaakt worden (of: tot leven komen) anderzijds zijn geen synonieme begrippen. Ze moeten, gezien hun verschil in betekenis, zorgvuldig uit elkaar worden gehouden. Tot leven komen heeft in de Bijbelse zin betrekking op de situatie waarin men zich, al dan niet opgewekt, blijvend in een volheid van leven verheugt.  In Op 20:4, 6, waar we  over de eerste, aardse opstanding lezen -die welke de leden van de aardse koninklijke priesterschap te beurt valt- wordt in die zin tot leven komen toegelicht met de vermelding dat de tweede Dood geen macht meer over hen heeft.

Zij kwamen tot leven en heersten als koningen met de Messias duizend jaren... Dit is de eerste [aardse] opstanding. Gelukkig en heilig hij die deel heeft aan de eerste opstanding; over dezen heeft de tweede Dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van de Messias zijn en zij zullen de duizend jaren met hem als koningen heersen.

Wél is het zo dat er weer sprake is van de twee 'stamvaders', wier daden tot tegenovergestelde resultaten voor hun 'nageslacht' leiden:
In onze verbondenheid met de eerste Adam verkeren we tijdens ons leven bij voortduring in een toestand van sterven. Het praesens van het werkwoord geeft dat te kennen. Onmiddellijk vanaf onze geboorte zijn we aan het sterven.

Maar gaat iemand tot het gelovig 'nageslacht' van de laatste Adam behoren dan gaat hij al in principe van de dood over naar het leven en wordt hij op de daarvoor bestemde tijd in hem levend gemaakt, dat wil zeggen dat hij de volheid van leven ontvangt, blijvend. Zeker, in Adam zijn wij voortdurend aan het sterven, maar in Jezus is het leven in ons aan het werk, nu al (Jh 5:24).
Ondanks het feit dat wij ons nog altijd in de slechte sfeer van het huidige wereldbestel bevinden, zijn wij er reeds uit gered en opgenomen in de sfeer van Gods heerschappij, het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde, de Messias (Ks 1:12-14).

Maar wat betreft het ontvangen van de volheid van leven, geldt ieder in de eigen volgorde, aldus de apostel:

23  εκαστος δε εν τω ιδιω ταγματι∙ απαρχη Xριστος, επειτα οι του χριστου εν τη παρουσια αυτου∙
Maar ieder in de eigen volgorde; eerstelingsgave Messias, vervolgens zij die van de Messias [zijn], in zijn paroesie.
24  ειτα το τελος, οταν παραδιδω την βασιλειαν τω θεω και πατρι, οταν καταργηση πασαν αρχην και πασαν εξουσιαν και δυναμιν.
Daarna het einde, wanneer hij het koninkrijk overdraagt aan de God en Vader, wanneer hij alle heerschappij en alle macht en kracht tenietdoet.

Terwijl Johannes in Openbaring 20:4-5 het werkwoord tot leven komen [ζαω] gebruikt (2x), heeft Paulus hier levend maken [ζοωποιεω].
Dat de begrippen opstanding en tot leven komen uit elkaar gehouden moeten worden blijkt ook hier het geval te zijn.

In vers 21 stond Opstanding tegenover Dood;
in vers 22 bezig te sterven in Adam tegenover levend gemaakt worden in de Messias.
Die tegenstelling, en tevens dat levend gemaakt worden niet noodzakelijk identiek is aan opstanding, komen we vaker tegen in het NT: 
Want zoals de Vader de doden opwekt en [vervolgens] levend maakt, zo maakt ook de Zoon hén levend die hij wil (Jh 5:21). Om die reden wordt de Zoon sinds zijn opstanding een levendmakende geest genoemd (1Ko 15:45; 1Pt 3:18).

Zoals we reeds zagen aan de hand van Op 20:4, 6 zal de joodse koninklijke priesterschap dat ervaren bij de Eerste opstanding: Zij kwamen tot leven…, over dezen heeft de tweede Dood geen macht.
Welnu, in dat proces - dat men in de volle zin tot leven komt - heeft God een bepaalde volgorde vastgesteld, t.w.:

1. De Messias zelfde eerstelingsgave, een waarborg dat nog anderen volgen. 
Van Jezus weten wij allen dat hij op 16 Nisan 33 AD werd opgewekt. Maar dat niet alleen. Hij werd toen ook levend gemaakt om nooit meer te sterven. De Dood heeft geen heerschappij meer over hem. Hij is in het bezit van een onvernietigbaar leven.
Vergelijk: Rm 6:9 en Hb 7:16, 25.

2. Zij die van de Messias [zijn], die hem toebehoren; tijdens zijn paroesie, in de periode van zijn tegenwoordigheid.
Gedoeld wordt op de twee gemeentes die samen het Israël Gods vormen (Gl 6:15-16). In Romeinen 11 zien we beide gemeentes onder het zinnebeeld van de Olijfboom (in zijn voltooide stadium) die zijn wortels heeft in het Abrahamitische Verbond met de daaraan verbonden beloften (Rm 9:4; 11:17, 24-29).

Volgens 1Th 4:15-17 en 1Ko 15:51-53 worden de leden van de hemelse gemeente tijdens de paroesie veranderd tot onverderfelijkheid en onsterfelijkheid. De ontslapenen [in de dood] onder hen moeten daartoe opgewekt worden; de laatste generatie van christenen die tot dan toe in leven is gebleven heeft de opstanding niet nodig. Zij worden ogenblikkelijk, in een oogwenk, vanuit het leven veranderd tot een nieuwe natuur. Zie:De Opname.

De aardse gemeente - de andere gemeente van het Israël Gods - ervaart de Eerste opstanding (Op 20:4, 6), eveneens tijdens Jezus’ paroesie, waarbij zij tot de volheid van leven komen, buiten het bereik van de Tweede dood.

3. Het einde, wanneer hij het koninkrijk aan God en Vader overdraagt
Die vermelding kan alleen goed geduid worden wanneer men consequent vasthoudt aan de in vers 23 genoemde rangorde waarin personen levend gemaakt zullen worden. Dat men daarin consequent moet zijn, blijkt uit de term eerstelingsgave en de bijwoorden van tijd die in het Grieks gehanteerd worden; in volgorde: (1) eerstelingsgave, (2) vervolgens, (3) daarna.

De context geeft te kennen dat daarna samenvalt met het einde van het Millennium, wanneer de Messias zijn koninklijke heerschappij teruggeeft aan God, zijn Vader. Hij zal dan alle God en mens vijandige elementen teniet gedaan hebben. Eerst dan zullen uiteindelijk degenen levend gemaakt zijn die begrepen worden in de zinsnede Daarna 
het einde, wanneer hij het koninkrijk overdraagt. Wie zijn zij?

• Welnu, de eerstelingsgave betreft de Messias zelf.
• Vervolgens bleek betrekking te hebben op het "Tabernakelpersoneel", dat wil zeggen de tegenbeeldige bemanning van de Tent in de wildernis, waarin destijds de priesters tezamen met hun Levitische helpers Jahweh dienden ten behoeve van het volk. In het tegenbeeld zullen die twee groepen als de twee gemeentes van het ene Israël Gods bij de intrede van het Millennium gereed staan om als Abrahams zaad tot zegen van de rest der mensheid te worden, in het bijzonder van de overigen der doden.
• Daarna moet logischerwijs eveneens verwijzen naar personen. En Openbarting 20:5 laat zien dat het daarbij gaat om de genoemde overigen der doden
De overigen der doden kwamen niet tot leven totdat de duizend jaren geëindigd zijn. 

Het Millennium is in Gods voornemen 'opzijgezet' voor de opstanding en het oordeel van de overigen der doden. Bij hun opstanding, waarbij zij voor de Grote Witte Troon van oordeel verschijnen, ontvangen zij niet onmiddellijk de volheid van leven, aangezien zal moeten blijken hoe het oordeel voor een ieder van hen afzonderlijk uitvalt. Zullen zij God dankbaar zijn voor hun fysiek en geestelijk herstel? Waarderen zij ook werkelijk het loskoopoffer, op grond waarvan zij überhaupt een opstanding ervoeren?

Voor de volledige details, zie: Opstanding en oordeel – Op 20:11-15.

25  δει γαρ αυτον βασιλευειν αχρις ου θη παντας τους εχθρους υπο τους ποδας αυτου.
Want hij moet koninklijke macht uitoefenen totdat hij alle vijanden onder zijn voeten legt.
26  εσχατος εχθρος καταργειται ο θανατος∙
Laatste vijand die tenietgedaan wordt [is] de dood.

De apostel motiveert wat hij in vers 24 aanduidde met: daarna het einde.
Bedoeld einde komt bij de afloop van de 1000 jaar waarin hij koninklijke macht uitoefende. En in die Millenniumheerschappij zal hij, de Messiaanse koning, alle tegen God gekante vijanden overwinnen, ja, tenietdoen, zoals voorzegd in de Messiaanse Psalm 110

1 Van David; een psalm. Zo spreekt Jahweh tot mijn Heer: "Zet je aan mijn rechterhand, totdat ik je vijanden leg tot een voetbank van je voeten".2 De scepter van je sterkte zal Jahweh vanuit Sion zenden: "Heers te midden van je vijanden".3 Jouw volk zal zich gewillig aanbieden op de Dag van je strijd. In de pracht der heiligheid, uit de schoot der dageraad, hebt jij de dauw van je jeugd.4 Jahweh heeft gezworen en het zal hem niet berouwen: "Jij bent priester voor altijd, naar de orde van Melchizedek".5 De Heer aan je rechterhand verplettert koningen op de Dag van zijn toorn.6 Hij zal gericht houden onder de Heidenvolken; hoopt lijken op; verplettert het Hoofd van een volkrijk land. 

In verband met de kwestie opstanding / tot leven komen is vers 26 met name betekenisvol: Laatste vijand die tenietgedaan wordt [is] de Dood.Waarom? Omdat daarmee de zinsnede van vers 24 – daarna het einde - helemaal helder wordt: Bedoeld einde valt samen met het volledig tenietdoen van de Adamitische Dood. Geen wonder dat ook eerst dán de "overigen der doden" de toestand van leven in de volle zin van het woord zullen ervaren. Zoals vers 5 van Openbaring 20 aangeeft: De overigen der doden kwamen niet tot leven  totdat de duizend jaren ten einde waren.

In Johannes’ visionaire beschrijving van het algemeen oordeel tijdens het Millennium stellen we vast dat daarin dezelfde soort verbanden worden gelegd: 

11  En ik zag een grote witte troon en hem die daarop is gezeten, van wiens aangezicht vluchtte de aarde en de hemel en geen plaats werd voor hen gevonden. 
12  En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande vóór de troon, en boekrollen werden geopend. Ook een andere boekrol werd geopend, welke is des levens. En de doden werden geoordeeld uit de dingen geschreven zijnde in de boekrollen overeenkomstig hun werken
13  En de Zee gaf de doden die in haar [waren]; ook de Dood en de Hades gaven de doden die in hen [waren]; en zij werden geoordeeld, een ieder overeenkomstig hun werken. 
14  En de Dood en de Hades werden in het meer van vuur geworpen; dit is de Tweede dood: het meer van vuur. 
15  En indien iemand niet werd gevonden geschreven in de boekrol des levens, werd hij geworpen in het meer van vuur.

Bij het Millenniumoordeel hangt alles af van de werken die de opgewekte doden ná hun opstanding zullen verrichten of hun namen bijgeschreven zullen worden in de boekrol des levens. Alleen in dat geval komen zij in de volle zin tot leven.
Het einde van het Millennium wordt ook hier gekenmerkt door het tenietdoen van de Adamitische Dood, zinnebeeldig in het meer van vuur.


27  παντα γαρ υπεταξεν υπο τους ποδας αυτου.
οταν δε ειπη οτι παντα υποτετακται, δηλον οτι εκτος του υποταξαντος αυτω τα παντα.
Want alle dingen onderwierp hij onder zijn voeten.
Maar wanneer hij zegt dat alle dingen zijn onderworpen, [is het] duidelijk met uitzondering van hem die alle dingen aan hem onderwierp.

Psalm 110 gaf al te kennen dat het God zelf zou zijn die alle vijandige macht aan de voeten van zijn Messiaanse Zoon zou onderwerpen: Totdat ik je vijanden leg tot een voetbank van je voeten.
Wanneer het aan het einde van het Millennium zover is [is het] duidelijk met uitzondering van hem die alle dingen aan hem onderwierp.
Wat kan de bedoeling zijn van die, naar het schijnt, overbodige vermelding?

Kennelijk heeft dat te maken met het citaat uit Psalm 8 waarnaar eveneens door de apostel wordt verwezen, namelijk vers 6 (7): alle dingen onderwierp hij onder zijn voeten.
In die Psalm nu wordt de Majesteit van God verheerlijktJahweh, onze Heer, hoe machtig is uw Naam op de hele aarde! Gij die uw majesteit getoond hebt boven de hemelen. David verwondert zich dan ook dat een zodanige majestueuze God zich nochtans bekommert om de sterveling, de mens, die hij - ondanks het feit dat hij hem lager schiep dan de engelen [goddelijken] – doet heersen over de werken van uw handen.

In de Brief aan de Hebreeën wordt eveneens naar Psalm 8 verwezen aangezien daarin de sleutel wordt gevonden op de vraag: Aan wie wordt de bewoonde aarde [oikoumenè] van de toekomst onderworpen?

Want door alle dingen aan hem te onderwerpen, liet hij niets over wat niet aan hem onderworpen zou zijn. Thans zien wij echter nog niet dat alle dingen aan hem onderworpen zijn. Maar wij zien Jezus -die een weinig lager dan engelen gemaakt was- wegens het lijden des doods met heerlijkheid en eer gekroond, opdat hij door Gods liefderijke gunst voor ieder de dood zou smaken (Hb 2:8-9).

Zie Het joodse voorrecht waarin aan de hand van deze passage wordt getoond dat de leden van het joodse Overblijfsel - de Hebreeën van de eindtijd – in Jezus eveneens de nieuwe geboorte van de geest zullen ervaren en daardoor in de positie komen om samen met hem, de Messiaanse koning, Psalm 8 volledig te vervullen (Ez 11:17-20).
Op de toekomstige bewoonde aarde zullen zij het koninkrijk voor Israël naar de mensen der natiën [de Heidenvolken] toe dienen en vertegenwoordigen (Hn 1:6). Als de voorzegde koninklijke priesterschap zullen zij dan tot zegen voor de Heidenen kunnen worden. 
Vergelijk: Gn 22:18; Ex 19:5-6; Jh 4:22; Op 20:6.

28  οταν δε υποταγη αυτω τα παντα, τοτε [και] αυτος ο υιος υποταγησεται τω υποταξαντι αυτω τα παντα, ινα η ο θεος [τα] παντα εν πασιν.
Wanneer echter alle dingen aan hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan hem die alle dingen aan hem onderwierp, opdat God moge zijn alle dingen in allen.

Opnieuw een zeer betekenisvolle uitspraak betreffende het verloop van de Millenniumheerschappij.
Uit de tekst kan worden afgeleid dat God zelf zich in die duizend jaar in zekere zin 'op de achtergrond' houdt; toeziend vanuit de coulissen als het ware!
Het Millennium dient namelijk om al Gods bedoelingen, zijn hele voornemen, welke hij in zijn Zoon opvatte, te verwezenlijken; in Ef 1:9-11 aldus geformuleerd:

Hij maakte ons namelijk het geheimenis van zijn wil bekend, naar zijn welbehagen dat hij zich had voorgenomen in hem, voor een huishoudelijk bestuur van de volheid der tijden, om alle dingen onder één hoofd samen te brengen in de Messias; de dingen met betrekking tot de hemelen en de dingen op de aarde, in hem, in wie wij ook tot erfgenamen werden gemaakt, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van hem die alle dingen tot stand brengt naar het raadsbesluit van zijn wil.

Er zal tijdens het Millennium een oikonomia of huishoudelijk bestuur functioneren. Mede uit een vergelijking met Ks 1:25 blijkt dat met oikonomia een vorm van beheer wordt bedoeld. Zelf noemde Paulus zich een oikonomos, een beheerder (1Ko 4:1-2). Oikonomia heeft in het Grieks dan ook primair de betekenis van het beheren van zaken die het huis, de huishouding, betreffen;  maar ook de regeling van het staatkundig leven.
De oikonomia van de volheid der tijden zouden we daarom kunnen duiden als een heilsorde, een bestuur over de mensheid van Godswege. Daarmee wordt gedoeld op het koninkrijk Gods dat in de 70e Jaarweek wordt opgericht en vervolgens tijdens het gehele Millennium zal functioneren tot zegen van de mensheid.

Dat wordt mede duidelijk uit het doel van die oikonomia: Er moet weer orde komen in het universum. Alles in hemel en op aarde moet in harmonie met God worden teruggebracht, of - zoals hier geformuleerd - samengevat worden in de Messias. Volgens het Grieks letterlijk: onder één hoofd gebracht worden .
Alles moet gericht worden op Gods Zoon die als de Mensenzoon hemel en aarde verbindt (Dn 7:13-14).
Het resultaat moet zijn dat de door de zonde veroorzaakte wanorde wordt verwijderd en het gehele universum weer in eenheid, in volkomen harmonie, met God geraakt. De hemelse Gemeente zal daarin mee functioneren, samen met haar Hoofd, de Messias.

Eerder in dit hoofdstuk, in ons commentaar op de vv 12 tm 19, wezen wij op de toediening der effecten van het door Jezus gebrachte offer van zijn eigen leven. Dat kon pas een aanvang nemen nadat hij, als Gods hogepriester - naar de typologie van de Verzoendag - de waarde van dat zondenverzoenend offer aan God had aangeboden, in het hemelse Allerheiligste.

Maar in verband met Jezus’ uitoefening van het hogepriesterschap op grond van het Nieuwe Verbond zijn nog andere typologische aspecten aan de orde, ondermeer de tegenbeeldige toepassing van de Vrijstad- of Toevluchtsstadregeling. Ten behoeve van Israëlieten die per ongeluk of onopzettelijk iemand doodden, trof God goedgunstig een regeling in de vorm van zes Toevluchtssteden. Zie Nm 35:9-34 en Jz 20:2-9.

Wat was de achterliggende gedachte bij die regeling?
De Vrijsteden werden verschaft opdat het land niet met onschuldig bloed verontreinigd zou worden en er geen bloedschuld op het volk zou komen (Dt 19:10). Zelfs indien iemand een onopzettelijke doodslager was, moest hij in principe ter dood gebracht worden op grond van Gods verordening: 
Al wie het bloed van een mens vergiet, diens eigen bloed zal door de mens vergoten worden (Gn 9:6)
Slechts dankzij Gods barmhartige voorziening kon een onopzettelijke doodslager de wijk nemen naar één van de Vrijsteden. Maar daar moest hij wel blijven tot de dood van de Hogepriester. Alleen dan was hij beschermd tegen de vergelding van de bloedwreker: Want in de vrijstad zal hij moeten wonen tot de dood van de hogepriester, en na de dood van de hogepriester zal de doodslager naar het land zijner bezitting mogen terugkeren(Nm 35:28; nbg) .

Welnu, Jezus, de hogepriester van het Nieuwe Verbond 'overlijdt' pas aan het einde van het Millennium, want heel die 1000 jaar moet de aanwending van de effecten van zijn offer voortgang vinden. Al die tijd moet het water des levens vanuit de troon van God en het Lam in Nieuw Jeruzalem naar de mensheid op aarde stromen, tot genezing van de Heidenvolken (Op 22:1-2).
Al die tijd ook moeten de Millenniumbewoners steunen op zijn verdienstelijk offer, en eerst als alle overigen der doden (in volledige zin) tot leven zijn gekomen en hij, de hogepriester, niet langer in het middelpunt behoeft te staan, kan hij het koninkrijk aan zijn God en Vader overdragen en wordt God zélf weer alles in allen. Er is geen bemiddelende tussenpersoon meer nodig; God is dan voor allen het 'één en al'. Alles is met hem in harmonie gebracht; niets is er nog aanwezig in de schepping dat met zijn wezen in strijd is.

In de Gematriastudie - De Toevluchtstad in tegenbeeld - wordt uiteengezet dat in de eerste plaats het joodse Overblijfsel van de eindtijd zich die barmhartige regeling ten nutte dient te maken, aangezien het joodse Volk een gemeenschappelijke bloedschuld kent voor de dood van hun voornaamste broeder, Jezus. De Joden kunnen namelijk Petrus' verklaring in Hn 2:36 niet negeren: Deze Jezus, die jullie aan een paal hebben gehangen! Gelukkig voor hen stelde Petrus volgens Hn 3:17 ook het volgende vast: En nu, broeders, ik weet dat jullie in onwetendheid hebben gehandeld, evenals jullie regeerders. De Joden wordt daarom de gelegenheid geboden bescherming te zoeken tegen de Bloedwreker in de tegenbeeldige Toevluchtsstad. Hoe? Door zich onder de hoede te plaatsen van de ware hogepriester, hun opgewekte Messias Jezus.

Als natie heeft Israël dat tot nu toe nagelaten. Hb 6:17-18, waar die noodzaak eveneens wordt belicht, moet dan ook nog altijd zijn beslag krijgen, precies zoals trouwens ook het geval is met de hele hogepriesterlijke regeling van de Messias, het Nieuwe Verbond en de daarmee samenhangende herstelprofetieën.
Aangezien de typologische regeling ook de vreemdeling en bijwoner gold, is er reden om aan te mogen nemen dat de Vrijstadregeling pas aan het einde van het Millennium ten volle vervuld zal zijn:
Die zes steden moeten voor de Israëlieten, voor de vreemdeling en voor de bijwoner in hun midden tot een wijkplaats dienen, zodat ieder daarheen kan vluchten die zonder opzet iemand [een ziel] om het leven gebracht heeft (Nm 35:15; hsv).

29  Eπει τι ποιησουσιν οι βαπτιζομενοι υπερ των νεκρων; ει ολως νεκροι ουκ εγειρονται, τι και βαπτιζονται υπερ αυτων;
Wat zullen anders zij doen die voor de doden gedoopt worden? Indien er in het geheel geen doden opgewekt worden, waarom worden zij dan nog voor hen gedoopt?

Paulus hervat zijn argumentatie van de vv 12 tm 19, waarin hij de ene na de andere vraag opwierp betreffende de consequenties van een leer waarin de opstanding wordt ontkend. Ook deze nieuwe vraag moet de Korinthiërs overtuigen van hun dwaling. Als er van opstanding geen sprake is waarom laten dan sommigen onder hen zich plaatsvervangend dopen voor anderen, wellicht dierbare familieleden die reeds gestorven waren voordat zij de gelegenheid hadden gekregen om het Evangelie te horen en tot geloof in Gods Zoon te komen?

Paulus gaat hier niet beredeneren of het daarbij al dan niet om een onschriftuurlijke praktijk gaat, wat uiteraard inderdaad het geval is. Maar ook een bijgelovig gebruik kan hij dienstbaar maken aan zijn argumentatie. Het feit dat hij zichzelf niet identificeert met hun opvattingen blijkt uit het gebruik van het persoonlijk voornaamwoord zijwat zullen anders zij doen…? Terwijl hij in het volgende vers overgaat tot wijwaarom verkeren ook wij…?

Tot op Tertullianus (ca 160 – 230 AD) wordt van zulke dopen geen melding gemaakt. Naar verluidt zou Epiphanius [4e eeuw] gezegd hebben dat aanhangers van de gnosticus Cerinthus, die zelf een tijdgenoot van de apostel Johannes was, zich plaatsvervangend lieten dopen ten behoeve van hun doden.
Omdat het Grieks oorspronkelijk geen leestekens kende, stelt de lexicograaf Vine voor de tekst als volgt te lezen:
Wat zullen anders zij doen die gedoopt worden?
[Het is immers] voor de doden, als er helemaal geen doden worden opgewekt.
Waarom ook worden zij voor hen gedoopt?

Op die manier zou Paulus, volgens Vine, op de reguliere doop van de nieuwe gelovigen doelen. Maar een dergelijke weergave komt gekunsteld over. Met name het laatste voor hen maakt een en ander onwaarschijnlijk, temeer omdat het Griekse υπερ αυτων principeel de betekenis heeft van ten behoeve van; ten gunste van.
Paulus zou dan eerder zoiets hebben geschreven als: Waarom worden zij dan nog gedoopt?

30  τι και ημεις κινδυνευομεν πασαν ωραν;
Waarom verkeren ook wij ieder uur in gevaar?
31  καθ ημεραν αποθνησκω, νη την υμετεραν καυχησιν, [αδελφοι,] ην εχω εν Xριστω Iησου τω κυριω ημων.
Dagelijks sterf ik, ja, bij het roemen van jullie, broeders, dat ik heb in Messias Jezus, onze Heer.
32  ει κατα ανθρωπον εθηριομαχησα εν Eφεσω, τι μοι το οφελος; ει νεκροι ουκ εγειρονται,
Φαγωμεν και πιωμεν,
αυριον γαρ αποθνησκομεν.
Indien ik naar de mens in Efeze vocht met wilde beesten, wat baatte het mij? Indien doden niet worden opgewekt:
Laten wij eten en laten wij drinken,
want morgen sterven wij.

De apostel voert nog meer voorbeelden uit het leven van alledag aan om krachtig te laten uitkomen hoe dwaas het zou zijn om je leven in de waagschaal te stellen als er toch geen opstanding van doden zou zijn. Waarom zich ieder uur van de dag blootstellen aan gevaar bij de Evangelieverkondiging?
Uit 2Ko 11:24-27 wordt duidelijk dat Paulus niet overdrijft. Hij bevestigt zijn bewering zelfs met een eed: Zo waar ik op jullie roem!
Ofschoon hij veel moet afkeuren bij de Korinthiërs roemt hij toch nog op hen als bewijs dat hij de waarheid spreekt. Maar het betreft dan ook eenroemen in Messias Jezus, onze Heer.

Over de betekenis van vers 32 zijn de meningen verdeeld. Nergens in het boek Handelingen wordt de indruk gewekt dat Paulus ooit tot de arena veroordeeld zou zijn om met wilde dieren te strijden. Voor een Romeins staatsburger was zoiets zelfs niet geoorloofd. Aangezien hij niettemin van een werkelijk feit spreekt, moeten we blijkbaar concluderen dat hij te Efeze te maken kreeg met de tegenstand van zeer gevaarlijke mensen in die stad, wellicht gepeupel dat tegen hem werd opgezet, zowel Joden als Grieken.

Welnu, de bereidheid om het hoofd te bieden aan al die levensbedreigende gevaren, zou nutteloos zijn als er werkelijk geen opstanding van doden zou zijn. Dan kon men maar beter kiezen voor de levensfilosofie van hen die beweren dat er niets anders is dan het huidige leven: 'Laten we het er maar van nemen nu het nog kan, want we gaan toch dood'.
De apostel citeert betekenisvol uit Js 22:13. In de eindtijd zullen veel Joden doorgaan met trouweloos te handelen jegens hun God en zijn Zoon. Zelfs onder de tirannieke heerschappij van de Antichrist zullen zij volharden in de afwijzing van hun ware Messias Jezus:

De Heer, Jahweh der legerscharen zal op die dag oproepen tot wenen en tot rouwklacht, tot kaalscheren en tot omgording van een rouwgewaad. Maar zie, er is vreugde en blijdschap, het doden van runderen en het slachten van schapen, het eten van vlees en het drinken van wijn: Laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij!


33  μη πλανασθε∙
 φθειρουσιν ηθη χρηστα ομιλιαι κακαι.
Wordt niet misleid! Slecht gezelschap bederft nuttige zeden.
34  εκνηψατε δικαιως και μη αμαρτανετε, αγνωσιαν γαρ θεου τινες εχουσιν∙ προς εντροπην υμιν λαλω.
Wordt nuchter op een rechtvaardige wijze en gaat niet voort te zondigen, want sommigen verkeren in onwetendheid omtrent God. Ik spreek tot jullie schaamte.

Het slechte gezelschap waarop de apostel doelt kan, de hele context in aanmerking nemend, slechts betrekking hebben op hen die volhouden dat er geen opstanding is en die daarmee bewust dan wel onbewust aanzetten tot de levenshouding om 'de dag te plukken' zolang het nog kan; vóórdat de dood aan alles een eind maakt.
Zij moeten echter beseffen dat die 'broeders' van een niet te verontschuldigende onwetendheid van Gods wegen blijk geven. Die personen, maar ook zij die gehoor geven aan hun onheilige praatjes, moeten blijkbaar gerekend worden tot degenen onder de Korinthiers van wie Paulus in 11:30 vaststelde dat zij in slaap waren gevallen: Om die reden [zijn] velen onder jullie zwak en ziekelijk en niet weinigen slapen.

De remedie? Zij dienen onmiddellijk stappen te doen om uit die dodelijke 'roes' van heidens denken te ontwaken en hun 'nuchtere' verstand te gebruiken, zoals Paulus hun in 14:20 al eerder aanried: Broeders, wordt geen kinderen in de vermogens van het verstand, maar weest kinderlijk in de slechtheid; wordt echter volwassen in de verstandelijke vermogens.
Wakker worden op een rechtvaardige wijze betekende voor hen zich volledig van de heidense denkbeelden afkeren, want die verduisterden niet alleen de majesteit en almacht van God, maar gaven ook zeer gemakkelijk aanleiding tot zondigen; in de trant van hun slogan: Alles is ons geoorloofd!

Zie het commentaar bij de vv 12 en 13 van hoofdstuk 6.

35  Aλλα ερει τις, Πως εγειρονται οι νεκροι; ποιω δε σωματι ερχονται;
Maar, zal iemand zeggen: "Hoe worden de doden opgewekt? Met wat voor lichaam komen zij dan?"
36  αφρων, συ ο σπειρεις ου ζωοποιειται εαν μη αποθανη∙
Dwaas! Wat jijzelf zaait wordt niet levend gemaakt tenzij het zou sterven.
37  και ο σπειρεις, ου το σωμα το γενησομενον σπειρεις αλλα γυμνον κοκκον ει τυχοι σιτου η τινος των λοιπων∙
En als je zaait, zaai je niet het lichaam dat zal ontstaan maar een naakte korrel, misschien van tarwe of enig van de overigen
38  ο δε θεος διδωσιν αυτω σωμα καθως ηθελησεν, και εκαστω των σπερματων ιδιον σωμα.
God geeft er echter een lichaam aan zoals hij wilde en aan elk der zaden zijn eigen lichaam.

Paulus is zich goed bewust van het feit dat tegenstanders zich niet zomaar gewonnen geven. Welnu, hij kent hun argumenten door en door; hij weet dat velen nog steeds 'besmet zijn' met de Grieks-cultische minachting voor het lichamelijke, en dus laat hij één van hen de te voorspellen vraag stellen: "Ja maar…, hoe ziet zo’n opstandingslichaam er dan uit?" Uiteraard, met de achterliggende gedachte dat een menselijk lichaam na begraven te zijn al snel tot ontbinding overgaat. Hoe kan een lichaam dat vergaan is worden opgewekt?

Maar is Paulus niet ietwat scherp met zijn reactie: "Dwaas die je bent!"
Blijkbaar niet, want alles wat hij neerschreef was door God geademd (2Tm 3:16). Dan had die wereldwijze persoon - in zijn zelfgenoegzaamdheid er volkomen van overtuigd een vraag gesteld te hebben die toch niet beantwoord kon worden – eerst maar eens naar Gods schepping moeten kijken. Uit de natuur had hij kunnen afleiden dat een opstanding helemaal geen onwaarschijnlijk gebeuren behoeft te zijn. Hij kon toch uit eigen ervaring weten wat er met gezaaide graankorrels gebeurt: Om zich te vermenigvuldigen moet zo’n korrel eerst 'sterven', d.i. tot ontbinding overgaan. Jezus had volgens Jh 12:24 precies dát beeld gebruikt om de vruchtbaarheid van zijn verzoenend sterven te verduidelijken.

In verband met de vele zaden weten wij tevoren wat voor plantenlichaam zich uit elk zaadje zal ontwikkelen. Gezien de aard van het zaad is dat tevoren bekend; volgens de scheppingsregel brengt elke plant immers voort naar zijn soort (Gn 1:11).
Ondanks die regel zegt Paulus echter met nadruk dat God er een lichaam aan geeft zoals hij wilde en aan elk der zaden zijn eigen lichaam.
Met die opmerking loopt de apostel dan ook vooruit op datgene wat hij over het opstandingslichaam zal gaan schrijven. De opstanding zal namelijk niet voor alle gestorvenen hetzelfde betekenen; God kan aan de gestorven 'korrel' mens een ander opstandingslichaam schenken, eventueel een niet-menselijke.

Een en ander heeft te maken met het feit dat de poging om de opstanding aannemelijk te maken door de illustratie van de korrel die 'sterft', enkele speciale aspecten heeft:
a De korrel die in de grond wordt gestopt is niet in absolute zin 'dood', zoals wél het geval is met het dode lichaam van een mens, al dan niet in de aarde begraven (of: gezaaid); de korrel bezit immers kiemkracht.
b  Bijgevolg komt er ook niet automatisch een opstandingslichaam naar zijn soort uit de 'korrel' voort. Tot nu toe zijn er sinds Adam onafgebroken zielelichamen 'gezaaid' (zie vv 44-49 en Gn 2:7).
c Er is geen sprake van een doorgaand proces zoals wél het geval is bij de gezaaide korrel. Sinds Abel, de eerste mens die stierf, zijn al om en nabij 5900 jaar verstreken.

Niettemin suggereert de illustratie ontegenzeglijk dat het opstandingslichaam een herkomst heeft vanuit de gezaaide korrel!
En dat gegeven leidt tot de volgende interessante vraag: Wat precies kan van de gestorven persoon teruggevonden worden bij het opstandingslichaam en dan met name bij dat van de opgewekte leden van Jezus’ Gemeentelichaam, aangezien de apostel zich - blijkens uit datgene wat volgt - vooralsnog tot hen beperkt?
In het tweede hoofdstuk had de apostel ons daarvan al een idee gegeven toen hij in vers 11 schreef:

Want wie van de mensen kent de dingen van de mens behalve de geest van de mens welke in hem [is]; zo ook kwam niemand de dingen van God te weten behalve de geest van God.

Paulus wees daar op de analogie tussen het zelfbewustzijn van de mens en die van God. Alleen bij de geest van God zijn de dingen Gods bekend, ja, zijn diepste gedachten. Hetzelfde geldt voor de mens, onder alle mensen is hij de enige die in het binnenste van zijn eigen ziel kan blikken. Alleen hijzelf kent zij eigen geheime gedachten. Die  zijn voor niemand anders toegankelijk dan voor zijn eigen geest, zijn verstand of intellect. En dat geeft hem zelfbewustzijn; hij weet wie hijzelf is.

Nu weten wij ook dat bij een zielenlichaam, zoals wij allen nu hebben, dat intellect niet iets schimmigs is maar op ingenieuze wijze vastgelegd is in onze hersencellen, die grijze massa. Als de hersencellen afsterven is het met ons gedaan, in alle opzichten: Op die dag vergaan zijn gedachten (Ps 146:4); en ook: De doden weten niets (Pr 9:6). Het brein of intellect is een fysieke kwestie, bij een Adamiet onderhevig aan verval.

Welnu, toen Jezus stierf voltrokken zich ook bij hem precies diezelfde zaken; gedeelten van drie dagen was hij werkelijk dood; zijn gedachten en daarmee zijn zelfbewustzijn waren weg. Weg? Ja, bij hemzelf, maar niet bij God. Hij hield Jezus’ intellect, diens scala aan gedachten en daarmee zijn zelfbewustzijn, op een wonderbare wijze 'in bewaring', als we dat proces misschien op die manier mogen omschrijven. Hoe weten wij dat?

Omdat Jezus na zijn opstanding qua intellect precies dezelfde persoon bleek te zijn als voor zijn dood. Zijn gedachten en daarmee ook zijn geheugen en zelfbewustzijn functioneerden als voorheen. Zijn Vader God had bij zijn Zoon diens persoonlijkheid hersteld. Neen, niet langer binnen een zielenlichaam, maar binnen een geesteslichaam.
Op de avond van zijn opstanding kon hij dan ook door een gesloten deur binnenkomen in het vertrek waar zijn leerlingen vergaderd waren en door materialisatie aan hen verschijnen. Maar merk op hoe hij hun toesprak:

Dit zijn mijn woorden die ik tot jullie sprak toen ik nog bij jullie was, dat alle dingen vervuld moesten worden die over mij geschreven staan in de Wet van Mozes en in de Profeten en Psalmen. Toen opende hij hun verstand volledig, om de Schriften te begrijpen. En hij zei tot hen: Aldus staat er geschreven dat de Messias zou lijden en uit de doden opstaan op de derde dag, en op [basis van] zijn naam zou berouw tot vergeving van zonden gepredikt worden tot alle natiën – beginnend vanaf Jeruzalem. Jullie zijn getuigen van deze dingen (Lk 24:44-48).

Jezus had zijn zelfbewustzijn terug. Hij wist wie hijzelf was; hij had alle herinnering aan zijn verleden van zijn Vader, God, terugontvangen.
Welnu, precies zo zal het ons, christenen, vergaan. Of we nu bij de Opname in het graf liggen, of dat wij tot op die tijd met de laatste generatie van christenen in leven zijn gebleven, bij onze verandering tot de hemelse, geestelijke natuur zullen wij weten wie wij zijn en welke personen wij vroeger waren. Onze persoonlijkheid zal ook bij ons hersteld zijn. Jezus, onze Heer, kan dan ook samen met elk van ons op dat verleden terugblikken en nagaan welke daden wij verrichtten en hoe onze levenswijze was toen wij nog in het zielenlichaam verkeerden (2Ko 5:10).

Zie hoofdstuk 3, met name het commentaar dat volgt op vers 15.

Bij een verdere beschouwing van alle goddelijke aspecten die aan de orde waren bij Jezus’ dood en opstanding, wordt ons steeds duidelijker hoe goed gekozen de illustratie van de korrel was.
Zoals hierboven opgemerkt (onder punt a) is de korrel die door de landbouwer in de grond wordt gestopt niet in absolute zin 'dood', zoals wél het geval is met het dode lichaam van een mens. De korrel bezit immers kiemkracht.
Welnu, met betrekking tot Jezus’ opstanding stelde Petrus in zijn verklarende toespraak op de Pinksterdag het volgende vast:

God evenwel wekte hem op door de weeën van de dood te ontbinden, aangezien het niet mogelijk was dat hij daardoor blijvend werd vastgehouden (Hn 2:24).

Waarom niet mogelijk? Omdat de 'korrel' Jezus in een bepaald opzicht ook kiemkracht bezat! Ten tijde van zijn waterdoop in de Jordaan had God hem, de mens Jezus, namelijk verwekt tot zijn geestelijke zoon, dus terwijl hij nog in het vlees was:

Het geschiedde nu, terwijl al het volk werd gedoopt, dat -toen ook Jezus werd gedoopt en in gebed was- de hemel werd geopend en de heilige geest in lichamelijke gedaante als een duif op hem neerdaalde, en een stem uit de hemel klonk: Jij bent mijn Zoon, de Geliefde, in jou schepte ik behagen (Lk 3:21-22).

Met die daad, de uitstorting van de heilige geest, verwekte God Jezus niet alleen tot zijn geestelijke zoon, maar met die daad riep hij hem in principe ook terug naar de hemel. Jezus zou slechts een tijdlang als mens hier op aarde leven opdat hij als de volmaakte tegenhanger van Adam het vereiste offer zou kunnen verschaffen voor de loskoop der zondige mensheid. Maar daarna, bij zijn opstanding, moest hij als Gods geestelijke Zoon naar de hemel terugkeren, a. om in de hoedanigheid van de ware hogepriester de waarde van zijn slachtoffer in het hemelse Allerheiligste aan God te kunnen aanbieden, en
b.om op de daarvoor bestemde tijd de Slang in de kop te kunnen vermorzelen.

Soortgelijke zaken zijn bij de leden van van Jezus’ Lichaam aan de orde.
Toen zij tot geloof werden geroepen adopteerde God hen tot het geestelijk zoonschap: Nu dan, [ten bewijze] dat jullie zonen zijn, zond God de geest van zijn Zoon uit in onze harten, uitroepend: Abba, Vader! (Gl 4:6).

Doordat de geest van de Zoon, door de werking van Gods geest, ons in het hart wordt gegeven, delen wij in het wezen van de Zoon en wordt God ook onze Abba, Vader. Binnen het nieuwe bestel van de christelijke gemeente ontvangen wij de geest die ons het besef van het zoonschap geeft: 
Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking (Rm 8:14-17; nbg).

Het proces dat wij door de inwoning van Gods geest, hier door Paulus de geest van zijn Zoon genoemd, tot Gods zonen worden gemaakt ligt opgesloten in de Griekse term υιοθεσια. De term beantwoordt aan het Latijnse adoptio. Maar de goddelijke adoptie houdt niet hetzelfde in als de menselijke, want die behelst immers een louter juridische handeling welke in de geadopteerde geen enkele verandering veroorzaakt.

De goddelijke adoptie daarentegen brengt in de christen wel degelijk een verandering teweeg: Voortaan geldt hij niet alleen als een zoon van God, maar hij is het ook werkelijk! En vanaf het adoptiemoment is ook hij op weg naar de hemel. Rm 8:23 laat zien dat bij zijn opstanding dat adoptieproces wordt voltooid: Maar ook wij, die de eerstelingsgave van de geest hebben, ook wij zuchten in onszelf, in afwachting van het[definitieve] zoonschap, de verlossing van ons lichaam door loskoop.
Vandaar de grote kiemkracht in de 'korrel' christelijke mens! Ook treffend verwoord door Paulus in Ef 2:1, 4-5 >>

En jullie, doden zijnde in jullie overtredingen en zonden…. Maar God, die rijk is aan barmhartigheid, heeft ons, vanwege zijn diepe liefde waarmee hij ons heeft liefgehad, toen óók wij doden waren in de overtredingen, levend gemaakt tezamen met de Messias.

Maar ook in dit hoofdstuk, al meteen in de aanhef van de vv 1 en 2, had de apostel feitelijk al de basis gelegd voor de aanwezige kiemkracht in de christelijke 'korrels'. Hoe? Door hen te herinneren aan het feit dat zij in een voortdurende staat van redding verkeren: Het Evangelie dat ik jullie als evangelie verkondigde, dat jullie ook aanvaardden, waarin jullie ook staan, waardoor jullie ook gered worden.  
Zoals we al daarbij in het commentaar opmerkten staat het werkwoord redden in het praesens, de voortdurende tegenwoordige tijd.

39  ου πασα σαρξ η αυτη σαρξ, αλλα αλλη μεν ανθρωπων, αλλη δε σαρξ κτηνων, αλλη δε σαρξ πτηνων, αλλη δε ιχθυων.
Niet alle vlees [is] hetzelfde vlees; maar [dat] van mensen is beslist anders; anders ook vlees van beesten; anders eveneens vlees van vogels; anders ook [dat] van vissen.
40  και σωματα επουρανια, και σωματα επιγεια∙ αλλα ετερα μεν η των επουρανιων δοξα, ετερα δε η των επιγειων.
En [er zijn] hemelse lichamen en aardse lichamen; maar de heerlijkheid van de hemelse [is] verschillend, verschillend eveneens die der aardse.
41  αλλη δοξα ηλιου, και αλλη δοξα σεληνης, και αλλη δοξα αστερων∙ αστηρ γαρ αστερος διαφερει εν δοξη.
Anders [is de] heerlijkheid der zon; ook anders [de] heerlijkheid van de  maan; anders ook [de] heerlijkheid der sterren. Want sterren verschillen onderling in heerlijkheid.
42  Oυτως και η αναστασις των νεκρων. σπειρεται εν φθορα, εγειρεται εν αφθαρσια∙
Zo ook de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in verderfelijkheid, er wordt opgewekt in onverderfelijkheid.
43  σπειρεται εν ατιμια, εγειρεται εν δοξη∙ σπειρεται εν ασθενεια, εγειρεται εν δυναμει∙
Er wordt gezaaid in oneer, er wordt opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, er wordt opgewekt in kracht.
44  σπειρεται σωμα ψυχικον, εγειρεται σωμα πνευματικον. ει εστιν σωμα ψυχικον, εστιν και πνευματικον.
Er wordt een zielenlichaam gezaaid, er wordt een geesteslichaam opgewekt; indien er een zielenlichaam is, is er ook een geestes[lichaam].
45  ουτως και γεγραπται,
Eγενετο ο πρωτος ανθρωπος Aδαμ εις ψυχην ζωσαν∙
ο εσχατος Aδαμ εις πνευμα ζωοποιουν.
Aldus staat er ook geschreven:
De eerste mens Adam werd tot een levende ziel.
De laatste Adam tot een levendmakende geest.
46  αλλ ου πρωτον το πνευματικον αλλα το ψυχικον, επειτα το πνευματικον.
Maar niet het geestelijke [is] eerst, doch het bezielde, daarna het geestelijke.
47  ο πρωτος ανθρωπος εκ γης χοικος, ο δευτερος ανθρωπος εξ ουρανου.
De eerste mens [is] uit [de] aarde, stoffelijk, de tweede mens uit [de] hemel.
48  οιος ο χοικος, τοιουτοι και οι χοικοι, και οιος ο επουρανιος, τοιουτοι και οι επουρανιοι∙
Zoals de stoffelijke [is], zodanig [zijn] ook de stoffelijken; en zoals de hemelse [is], zodanig [zijn] ook de hemelsen.
49  και καθως εφορεσαμεν την εικονα του χοικου, φορεσομεν και την εικονα του επουρανιου.
En evenals wij het beeld van de stoffelijke droegen, zullen wij ook het beeld van de hemelse dragen.

Lichamen zijn verschillend. Dat is de les van de vv 39 tm 41.
Vandaar dat God ook opstandingslichamen kan scheppen die van elkaar verschillen, ja, zelfs zeer grondig. Dat komt met name tot uitdrukking in vers 40 >> Er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen.
Feitelijk geeft God met die vermelding te kennen dat ook de opstanding zich in precies die twee onderscheiden soorten zal manifesteren. Er zal een hemelse opstanding zijn, maar ook een aardse.

Met opzet spreken we over 'scheppen', aangezien er geen sprake is van een doorgaand proces zoals bij planten aan de orde is. Eigenlijk is er nog een betere term voor de scheppingsdaad welke de opstanding eist, een term die we ook in de Bijbel aantreffen: Herschepping of wedergeboorte; Grieks palingenesia [παλιγγενεσια]. Zie Mt 19:28 en Titus 3:5.
In Rm 8:22 wordt die vernieuwing nog weer anders voorgesteld en aangeduid als de tweede fase in Gods scheppingsproces, aangezien de schepping nog altijd in barensnood verkeert.

Vooral vanaf vers 44 is duidelijk dat de apostel zich in dit hoofdstuk voornamelijk beperkt tot de hemelse, geestelijke opstanding van de Gemeente. Het opstandingslichaam van christenen die tijdens de eeuw der Gemeente tot geloof worden geroepen zal niet alleen gekenmerkt worden door
- onverderfelijkheid
heerlijkheid
kracht
maar het lichaam als geheel zal geestelijk zijn, geschikt voor hemels leven.
Daarmee begrijpen we nog beter het grote verschil tussen de korrel en het plantenlichaam dat uit de korrel voortkomt van de illustratie enerzijds en de realiteit van de opstanding anderzijds.
Het hemelse geesteslichaam is volkomen verschillend van het vroegere aardse zielenlichaam en kon dan ook niet voortkomen uit dat zielenlichaam, met uitzondering dan wat God voor elk lid van het Lichaam 'in bewaring hield', namelijk zijn intellect, waardoor de persoon zelfbewustzijn heeft, zichzelf dus kent, alsook zijn diepste gedachten (1Ko 2:11).

Aan vers 46 - Maar niet het geestelijke [is] eerst, doch het bezielde, daarna het geestelijke - ligt weer de natuurwet ten grondslag: Zaaien gaat aan de oogst vooraf. Toegepast op de leden der Gemeente: het bezielde is voorbereidend voor de geestelijke bestaansvorm; in vers 47 wordt die volgorde in toestand geformuleerd als van aards/stoffelijk naar hemels. In ons aards bestaan dragen wij het beeld van ons eerste familiehoofd (Adam); na de opstanding het beeld van ons nieuwe familiehoofd (Messias Jezus, Gods Zoon).

50  Tουτο δε φημι, αδελφοι, οτι σαρξ και αιμα βασιλειαν θεου κληρονομησαι ου δυναται, ουδε η φθορα την αφθαρσιαν κληρονομει.
Dit zeg ik evenwel, broeders: Vlees en bloed kunnen Gods koninkrijk niet beërven, noch beërft het verderfelijke de onverderfelijkheid.

Met het voorgaande had de apostel zijn uitvoerig relaas over de bestemming van de hemelse Gemeente en de soort van opstanding - de hemelse - die daarmee samenhangt in principe voltooid. In verband met het algemene thema van dit hoofdstuk resteren hem tenslotte nog het vermelden van enkele zeer belangwekkende beginselen.
Zo had hij in het gedeelte van de vv 23 tm 28 in kort bestek de uitwerking van Gods 'reddingsplan' in zijn Zoon, de Messias, samengevat. En daarbij was zowel het doel van het Messiaanse koninkrijk als de volgorde waarin de doden levendgemaakt worden, aan de orde gekomen. In die context waren buiten de christelijke Gemeente nog twee andere categorieën van doden in beeld gekomen die op hun eigen bestemde tijd levendgemaakt zullen worden, t.w. de joodse eindtijdgemeente, alsook de overigen der doden.
Beide groepen hebben binnen het Millenniumrijk eveneens hun door God vastgestelde bestemmingen:

1. De joodse gemeente zal dat Rijk op aarde vertegenwoordigen als een zichtbare realiteit voor de dan levende mensheid. Zie Op 5:9-10 en Op 20:4-6.
2. De overigen der doden zullen deel krijgen aan de algemene opstanding, een opstanding die hen vóór de Grote Witte Troon zal brengen, en daarom door Jezus werd aangeduid als een opstanding van oordeel (Jh 5:28-29; Hn 24:15). Zie: Op 20:11-15.

Welnu, met het oog op de uitwerking van Gods plan met genoemde drie categorieën herinnert Paulus ons allen aan een noodzakelijk beginsel dat Jezus vroeg in zijn bediening ter sprake had gebracht tijdens zijn nachtelijk onderhoud met Nikodemus. Alleen was ten tijde van het schrijven van deze Brief dat betekenisvolle gesprek nog niet in geschrifte vastgelegd. Dat zou de apostel Johannes pas 40 jaar later doen in zijn Evangelie.
Datgene wat Paulus kennelijk rechtstreeks van de Heer had ontvangen en hier beknopt samenvat, lezen wij uitgebreider in Jh 3:1-10. En we stellen daarbij vast dat Jezus de Joden toen al wees op de noodzaak van wedergeboorte of wederverwekking ten einde het Messiasrijk te kunnen binnengaan, of te beërven, de term die Paulus hier gebruikt:

Nu was er een mens uit de Farizeeën, zijn naam was Nikodemus, een overste der Joden; deze kwam 's nachts bij hem en zei tot hem: "Rabbi, wij weten dat jij van God bent gekomen als leraar; want niemand kan deze tekenen doen die jij doet, tenzij God met hem is". Ten antwoord zei Jezus tot hem: "Voorwaar, voorwaar, ik zeg je: indien iemand niet van boven verwekt wordt, kan hij het koninkrijk Gods niet zien". Nikodemus zei tot hem: "Hoe kan een mens verwekt worden als hij oud is? Hij kan toch niet een tweede maal in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden?" Jezus antwoordde: "Voorwaar, voorwaar, ik zeg je: indien iemand niet verwekt wordt uit water en geest, kan hij niet binnengaan in het koninkrijk van God. Wat uit het vlees verwekt is, is vlees; en wat uit de geest verwekt is, is geest. Verwonder je niet dat ik tot je zei: Jullie moeten van boven verwekt worden".(Jh 3:1-7)

Zoals we verderop in dat verslag lezen moest Jezus Nikodemus terechtwijzen aangezien hij, een leraar van Israel, niet bekend bleek te zijn met het Profetische Woord waarin die noodzaak tot wederverwekking al veel eerder was vastgelegd. Zoals bijvoorbeeld in Ez 36:22-28 (wv78-95):

Zeg daarom tegen het volk van Israël: "Zo spreekt Jahweh de Heer: Ik ga ingrijpen, doch niet omwille van u, maar omwille van mijn heilige naam, die door u geschonden is bij de volken waar u terechtgekomen bent. Ik zal voor mijn grote naam, die geschonden is onder de volken, die u bij hen geschonden hebt, weer eerbied afdwingen. Door u zal ik aan de volken tonen dat ik de Heilige ben; zo zullen ze erkennen dat ik Jahweh ben – godsspraak van Jahwe de Heer. Ik zal u terugvoeren uit de volken, u samenbrengen uit alle landen en u leiden naar uw eigen grond. Ik zal u met zuiver water besprenkelen en u zult rein worden van al uw oneerlijkheid en van al uw afgoderij zal ik u reinigen. Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in u uitstorten; ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en u een hart van vlees geven.Mijn geest zal ik in u uitstorten en ik zal ervoor zorgen dat u mijn wetten nakomt en mijn voorschriften nauwkeurig onderhoudt. U zult wonen in het land dat ik aan uw vaderen gegeven heb; u zult mijn volk zijn en ik zal uw God zijn.

Met die profetische verzekering zien we ook in hún geval weer het 'korrelbeginsel' met zijn inherente kiemkracht terug. Op grond van geloof in het zondeverzoenend slachtoffer van hun voornaamste broeder zal ook de joodse eindtijdgemeente door de kracht van Gods geest tot een nieuwe schepping worden. Alleen op die basis kunnen de leden ervan binnen het Millenniumrijk van de Messias als de aardse gemeente van het Israël Gods functioneren.

Maar wat voor de Joden geldt, geldt uiteraard voor alle mensen die wegens hun gemeenschappelijk familiehoofd Adam slechts vlees en bloed zijn dat aan bederf onderhevig is. Voor allen is waar wat Paulus elders, in Rm 8:21-23, vaststelde:

De schepping werd aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar [daaraan] onderwierp, op [basis van] hoop dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de dienstbaarheid van het verderf tot de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods. Want wij weten dat heel de schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood verkeert, tot nu toe.  Maar ook wij, die de eerstelingsgave van de geest hebben, ook wij zuchten in onszelf, in afwachting van het zoonschap, de verlossing van ons lichaam door loskoop.

En dit nu werpt licht op ons vers (50) onder beschouwing. Nader bezien stellen we vast dat het vers in zich een parrallelle gedachtegang verbergt:
Vlees en bloed kunnen Gods koninkrijk niet beërven.
En parallel daarmee:
Noch beërft het verderfelijke de onverderfelijkheid.

Kort samengevat: de 'korrel' mens moet eerst levende kiemkracht ontvangen om in de opstanding tot een lichaam te kunnen ontspruiten.
Voor de beide gemeenten van het Israël Gods is dat de wedergeboorte van boven door Gods geest. Nog bij hun leven in het aan bederf onderhevige (Adamitische) vlees en bloed worden zij tot een 'nieuwe schepping' gemaakt (Gl 6:15-16; 2Ko 5:17).

Maar ook de overigen der doden bezitten kiemkracht omdat Gods Zoon ook hén met zijn bloed heeft gekocht. Hij is (ook) voor hen de vervangende 'korrel' geworden die gestorven is en vervolgens veel vrucht draagt (Jh 12:24).
Zij kunnen in geloof op die loskoop steunen wanneer zij door de 'tweede' opstanding tot (voorlopig) leven op aarde worden teruggebracht, te meer omdat zij bij hun overlijden voorgoed van hun Adamitische erfenis verlost werden en door de opstanding principieel zonen van God worden (Lk 20:35-36).

51  ιδου μυστηριον υμιν λεγω∙ παντες ου κοιμηθησομεθα, παντες δε αλλαγησομεθα,
Zie! Ik vertel jullie een geheimenis: Wij zullen niet allen ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden,
52  εν ατομω, εν ριπη οφθαλμου, εν τη εσχατη σαλπιγγι∙ σαλπισει γαρ, και οι νεκροι εγερθησονται αφθαρτοι, και ημεις αλλαγησομεθα.
in een ondeelbaar moment, in een knippering van [het] oog, bij de laatste trompet. Want de trompet zal klinken en de doden zullen onverderfelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.
53  δει γαρ το φθαρτον τουτο ενδυσασθαι αφθαρσιαν και το θνητον τουτο ενδυσασθαι αθανασιαν.
Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen en dit sterfelijke [moet] onsterfelijkheid aandoen.

De apostel heeft nog andere aanvullende details, bijvoorbeeld een 'geheimenis' in verband met de opstanding van de hemelse Gemeente, een 'geheimenis' overigens dat hij eigenlijk al eerder, in zijn Eerste Thessalonicenzen Brief, had onthuld toen hij de Opnameof 'wegrukking' beschreef.
Maar hier voegt hij nog enkele bijzonderheden toe: Alles zal in een ondeelbaar moment plaats vinden [de betekenis van het Griekse atomos; eigenlijk:zonder snede], binnen het tijdsbestek van een oogknippering! De doden zullen worden opgewekt en tezamen met de levenden tot de voor hen noodzakelijke nieuwe natuur worden veranderd, tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn [Jezus’] heerlijkheid (Fp 3:21).

De Opname vindt tevens plaats bij de laatste trompet. Want de trompet zal klinken en de doden zullen onverderfelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.
Het blazen van de laatste trompet behoort tot het geheimenis van de Opname en is daarom moeilijk te duiden. Het lijkt te gaan om een eschatologisch signaal, t.w. het punt in de tijd waarop de Heer [Jezus] zelf vanuit de hemel neerdaalt voor het op gang brengen van de beslissende eindtijdgebeurtenissen.
In 1Th 4:15-17 wordt de zelfde gebeurtenis, bekend geworden als De Opname van de Gemeente, in de volgende bewoordingen aangekondigd:

Want dit zeggen wij jullie op gezag van [een] woord van [de] Heer: wij, de levenden, die overblijven tot in de paroesie van de Heer, zullen de ontslapenen beslist niet voorgaan. Want de Heer zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van [de] aartsengel en met Gods trompet neerdalen vanaf [de] hemel en de doden in [de] Messias zullen eerst opstaan.Daarop zullen wij, de levenden die overblijven, tezamen met hen in wolken worden weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen we altijd met [de] Heer zijn.

Kennelijk leidt het signaal tevens de manifestatie van God in waarin hij zich op een allesbeslissende wijze kenbaar zal maken aan een totaal van hem vervreemde mensenwereld die haar climax van goddeloosheid heeft bereikt.
Rekening houdend met Paulus’ eerder gebruik in dit hoofdstuk van de Griekse term εσχατος [laatste] in

Vers 26 >> Laatste vijand [εσχατος εχθρος] die tenietgedaan wordt [is] de dood.
Vers 45 >> De eerste mens Adam werd tot een levende ziel. De laatste Adam [ο εσχατος Aδαμ] tot een levendmakende geest.

lijkt het voor de hand te liggen dat we in verband met de laatste trompet óók moeten denken aan de eerste trompet. En aangezien de laatste trompet duidelijk een signaal van bevrijding inhoudt, waardoor de leden van de hemelse gemeente onverderfelijkheid en onsterfelijkheid aandoen, daarbij gerakend in de glorierijke tegenwoordigheid van Jahweh God en zijn Zoon, was de eerste trompet kennelijk het trompetgeschal bij de Sinaii, ten tijde van de inwijding van het Wetsverbond. Maar dat signaal hield toen eerder een aankondiging van veroordeling in, aangezien de Adamitische zondaar een vloek boven het hoofd hing vanwege een Wet [Thorah] die hij niet (volledig) kon nakomen.

Zie de Studie: De laatste trompet 

Vergelijk ook:

Overigens erkennen wij grif dat bovenstaande toelichting het geenszins mogelijk maakt zich aan een definitief tijdstip te binden waarop de Gemeente zal worden ‘weggerukt’, de Heer tegemoet in de lucht.
Dienaangaande wijzen sommigen op de manier waarop Paulus, na de Opname te hebben aangekondigd, de factor tijd aan de orde stelde in 1 Th 5:1-3 >>

Wat nu de tijden en de tijdperken betreffen, broeders, hoeft men jullie niet te schrijven, want jullie zelf weten heel precies dat [de] dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Wanneer zij zeggen: "Vrede en Veiligheid", dan zal hen onheil plotseling overvallen zoals het wee een zwangere en zij zullen beslist niet ontkomen.

Met die aankondiging lijkt het of de laatste generatie christenen naar een 'teken' kunnen uitzien. Vlak voor de Opname zal er kennelijk veel worden gesproken over de noodzaak van vrede en veiligheid! Kijkend naar de wereldsituatie van thans, begin 2016, kunnen we gemakkelijk inzien dat de mensen in het algemeen zich graag door die gedachte gerust willen laten stellen, in plaats van er acht op te geven als een signaal van Godswege. Welk signaal? 
Dat de onheilspellende ontwikkelingen die samenhangen met de verschijning en het optreden van de tirannieke Antichrist direct ophanden zijn. Want dát nu is precies datgene wat de apostel bedoelt met zijn aankondiging dat plotseling onheil in aantocht is, even onverwacht als gewoonlijk het eerste wee zich bij een zwangere vrouw voordoet.
Zie: Hoofdstuk 5 van de Eén Thessalonicenzenbrief,
en vergelijk Openbaring 6:1-4 om een indruk te krijgen van het mogelijk vrede-signaal en het daaropvolgend onheil. 

Door aan zijn Medeleden van Jezus’ Gemeentelichaam te schrijvenJullie zelf weten heel precies dat [de] dag van de Heer komt als een dief in de nacht, lijkt de apostel overigens aan te geven dat de Dag van de Heer identiek is aan de periode der Paroesie, een conclusie die ook getrokken lijkt te kunnen worden aan de hand van Jezus’ Eindtijdrede volgens Mattheüs 24:37-42, waaraan Paulus mede lijkt te refereren.

Want zoals de dagen van Noach, zó zal de paroesie van de Mensenzoon zijn. Want zoals zij in die dagen waren [doorgaan met alle gebruikelijke, dagelijkse bezigheden] totdat Noach binnenging in de ark en zij [het] niet merkten tot de Vloed kwam en allen wegvaagden, zó zal de paroesie van de Mensenzoon zijn. Dan zullen er twee mannen op het veld zijn: de een zal meegenomen en de ander achtergelaten worden; twee vrouwen zullen aan de handmolen malen: de een zal meegenomen en de ander achtergelatenworden.
Uit een vergelijking met Lukas 17 blijkt dat meegenomen respectievelijk achtergelaten worden, betrekking moet hebben op de Opname der Gemeente:

Ik zeg jullie: in die nacht zullen twee op één bed zijn, de ene [man] zal meegenomen en de andere [man] zal achtergelaten worden. Twee zullen op dezelfde plaats aan het malen zijn, de ene [vrouw] zal meegenomen en de andere [vrouw] zal achtergelaten worden. En ten antwoord zeiden zij tot hem: Wáár, Heer? Hij nu zei tot hen: Waar maar ook het lichaam is, daar ook zullen de arenden zich verzamelen(Lk 17:34-37).

De passage is parallel aan Mt 24:40-41, waar Jezus voor de Joden van de eindtijd, met name voor het Overblijfsel, in een hemels teken voorzag dat hen zou helpen om zijn paroesie [tegenwoordigheid] te onderscheiden. Aangezien de mensenwereld over het algemeen dan even apathisch zou reageren als de Vloedgeneratie, moest er bij zijn paroesie iets zeer spectaculairs geschieden om getrouwe joodse mensen wakker te schudden:

Dan [bij de paroesie] zullen er twee in het veld zijn, één [man] zal meegenomen worden en één [man] achtergelaten; twee zullen aan het malen zijn met de molen, één [vrouw] zal meegenomen worden, en één [vrouw] achtergelaten. 
       
Lukas gebruikt de uitdrukking in die nacht, wat kennelijk voor Jezus weer een andere manier was om de geestelijke duisternis te tekenen waarin de mensheid dan over het algemeen zal verkeren. In die donkere tijd zullen immers niet slechts twee personen in één bed zijn, maar zullen ook twee anderen aan het malen zijn, een activiteit welke uiteraard bij daglicht plaats vindt. 
Waar het om gaat is dat personen die zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden en/of met dezelfde activiteiten bezig zijn, op beslissende wijze van elkaar gescheiden zullen worden; de één zal 'meegenomen' worden en de ander 'achtergelaten'. In welke betekenis?

Zowel hier, bij Lukas, als in Mt 24, gebruikte Jezus voor meenemen het werkwoord παραλαμβανω dat hij in de zelfde betekenis - op de avond voor zijn dood - ook in Jh 14:2-3 zou gebruiken om de Opname van de Gemeente aan te kondigen:

In het huis van mijn Vader zijn veel verblijfplaatsen - anders zou ik het jullie gezegd hebben - want ik ga heen om voor jullie plaats te bereiden; en wanneer ik heenga en voor jullie plaats bereid, kom ik wederom en zal ik jullie meenemen naar mijzelf, opdat waar ik ben, ook jullie mogen zijn.

De opname van de Gemeente, bij Jezus’ paroesie, zal een belangrijk leermoment zijn voor de mensheid die dan op aarde achterblijft, in het bijzonder voor Israëls Overblijfsel. Israël - als volk - zal er tot op die tijd immers mee doorgegaan zijn Jezus als hun Messias te versmaden; maar dan, bij de paroesie, komen zij die bereid zijn er oog voor te hebben, te weten dat de christelijke gemeente wel degelijk aan God welgevallig was, juist omdat de leden ervan leefden vanuit geloof jegens Messias Jezus.

Bij Lukas, stelden de leerlingen Jezus een aanvullende vraag: Wáár, Heer?
Jezus’ enigszins vage antwoord was nagenoeg identiek aan wat hij bij Mattheüs in zijn eindtijdrede over zijn paroesie zei:

Want evenals de bliksem komt vanaf oostelijke streken en schijnt tot westelijke streken, zó zal de paroesie van de Mensenzoon zijn. Waar maar ook het lichaam is, dáár zullen de arenden verzameld worden.
(Mt 24:27-28) 

De opname van de Gemeente bij de paroesie zal een wereldomvattende gebeurtenis zijn; een ieder die bereid is om waar te nemen met de zelfde scherpe blik als die van een arend, zal zijn geestelijk oog er met grote aandacht op richten en er de nodige lessen uit trekken.

54  οταν δε το φθαρτον τουτο ενδυσηται αφθαρσιαν και το θνητον τουτο ενδυσηται αθανασιαν, τοτε γενησεται ο λογος ο γεγραμμενος,
κατεποθη ο θανατος εις νικος.
Maar zodra dit verderfelijke onverderfelijkheid aandoet, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoet, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: 
De dood werd verzwolgen tot overwinning.
55  που σου θανατε, το νικος;
που σου, θανατε, το κεντρον;
Waar is van jou, Dood, de overwinning?
Waar is van jou, Dood, de prikkel?
56  το δε κεντρον του θανατου η αμαρτια, η δε δυναμις της αμαρτιας ο νομος∙
De prikkel nu van de Dood [is] de Zonde, maar de kracht van de Zonde [is] de Wet.
57  τω δε θεω χαρις τω διδοντι ημιν το νικος δια του κυριου ημων Iησου Xριστου.
Maar dank aan God die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Messias.
58  Ωστε, αδελφοι μου αγαπητοι, εδραιοι γινεσθε, αμετακινητοι, περισσευοντες εν τω εργω του κυριου παντοτε, ειδοτες οτι ο κοπος υμων ουκ εστιν κενος εν κυριω.
Welnu dan, mijn geliefde broeders, wordt standvastig, onwrikbaar, altijd overvloedig zijnde in het werk van de Heer, in de wetenschap dat jullie harde arbeid niet tevergeefs is in de Heer.

Het citaat De dood werd verzwolgen tot overwinning in vers 54 lijkt gebaseerd te zijn op Js 25:8 dat volgens de M begint met Hij zal de Dood voor eeuwig verzwelgen.
Het citaat dat daarop volgt in vers 55 - Waar is van jou, Dood, de overwinning? Waar is van jou, Dood, de prikkel? – is vrij ontleend aan Hs 13:14 t.w.: Dood, waar zijn uw pestziekten, dodenrijk, waar is uw verderf? (nbg). De LXX heeft prikkel [kentron] ipv verderf.

Hoewel zowel in Jesaja als in Hosea profetisch gedoeld wordt op toekomstige ervaringen van het volk Israël bij haar herstel, past Paulus met zijn gebruikelijke vrijmoedigheid beide teksten aan zijn gedachtegang aan.
Sinds ons eerste familiehoofd tegen God in opstand kwam [de Zonde] heeft de Dood op pijnlijke wijze over ons allen geheerst. De Wet, op haar beurt, is echter een handlanger van de Zonde, in de zin dat ze de Zonde omschrijft of in details definieert.
Maar met zijn vragen Waar is van jou, Dood, de overwinning? Waar is van jou, Dood, de prikkel? overlaadt Paulus de Dood als het ware met hoon en verachting, gezien het feit dat God zijn uitverkorenen in de volle zin van het woord levend maakte. In zijn Zoon, de Messias, schonk hij ons goedgunstig die overwinning.

Welnu, als de zaak zo ligt met betrekking tot de opstanding, nu elke twijfel en alle misverstanden omtrent dat [voor hen] heikele onderwerp zijn weggenomen, is er voor de Korinthiërs alle reden om standvastig, onwrikbaar [te zijn], altijd overvloedig zijnde in het werk van de Heer, in de wetenschap dat jullie harde arbeid niet tevergeefs is in de Heer. De opstanding is immers een absolute zekerheid!