Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

woensdag 2 september 2020

Jakob had ik lief maar Esau haatte ik (2)

Wat betreft de verhouding tussen de tweelingbroers Jakob en Esau stuiten we in Genesis 33:10-11 op een opmerkelijke passage. We lezen:


Jakob zei echter: Neen, alsjeblieft. Indien ik nu gunst in je ogen heb gevonden, moet je mijn geschenk uit mijn hand aannemen, want in overeenstemming met het doel ervan heb ik je aangezicht gezien als zag ik Gods aangezicht, doordat je mij met welgevallen hebt ontvangen. Aanvaard alsjeblieft het geschenk dat je werd gebracht als een blijk van mijn zegen, omdat God mij heeft begunstigd en omdat ik alles heb. En hij bleef bij hem aandringen, zodat hij het aannam.

 

In de studie Jakob had ik lief maar Esau haatte ik (1) maakten wij aannemelijk dat achter Esau (Edom) heel wat meer schuil gaat dan slechts de (historische) mens Esau.  Hieronder de weergave van een fragment uit genoemde Studie.

Het betreft een commentaar op de eerste verzen van Maleachi, hoofdstuk 1

 

"Was Esau niet de broer van Jakob"? godsspraak van YHWH. "Toch had ik Jakob lief maar Esau haatte ik; en ik maakte zijn bergen tot een woestenij en zijn erfdeel gaf ik prijs aan de jakhalzen der wildernis. Mocht Edom zeggen: ‘Wij zijn verpletterd, maar wij zullen terugkeren en [de] verwoeste plaatsen opbouwen’, dan antwoordt YHWH der legerscharen: ‘Zullen zij bouwen, zo zal ik omver hale’. Men zal hen noemen het gebied der goddeloosheid en het volk waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is.

Dat zijn liefde voor zijn volk (Jakob) oprecht is, plaatst God zelf in een context van zijn haat jegens Esau. Tevens verbindt hij daarmee een opmerkelijke profetische uitspraak ten aanzien van diens nakomelingen die bekend kwamen te staan als de Edomieten, het volk van Edom.
Maar merk de zeer krachtige termen in de godsspraak op waarmee YHWH Elohim zijn eeuwig oordeel over Esau (Edom) bekendmaakte en dat in een profetische setting welke het lot van het letterlijke volk Edom verre te boven gaat. En dat is des te opvallender omdat de Edomieten als volk sinds lang van het aardse toneel verdwenen zijn.

 

Wat Esau (Edom) betreft, moeten we kennelijk verder kijken; achter het 'Edom' van Maleachi 1 gaat blijkbaar meer schuil. En dat niet alleen omdat het Boek eindtijdgericht is, maar vooral omdat Edoms woongebied door God zelf wordt aangeduid als het gebied der goddeloosheid, en de bewoners ervan als het volk waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is. Waaraan of aan wie moeten we dan denken?

Er zijn, zoals we hierna zullen trachten duidelijk te maken, naar onze mening volop redenen om aan te nemen dat achter het gebied der goddeloosheid en het volk waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is, de onreine geesten schuil gaan, de gevallen zonen Gods die zich tot demonen maakten.
Vergelijk ook het dubbele in het oordeel dat over 'Edom' zou komen zoals het in het bijbelboek Obadja is aangekondigd, met name in de
vv 18 en 21.

 

=======================================================

 

Tot zover het citaat.

Hieraan kan nog het volgende worden toegevoegd: Wanneer achter 'Edom' in werkelijkheid de demonenwereld schuil gaat, is het alleen maar logisch om achter de stamvader van dat 'volk' (waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is) een engel - of beter: een godenzoon - te zoeken. In het geval van 'Edom' niemand minder dan Satan zelf, het opperhoofd der demonen!.

 

In Gods Woord worden we bij herhaling geconfronteerd met de activiteiten van zogeheten engelvorsten die in werkelijkheid achter het handelen van de mens schuil gaan.

Een voorbeeld: In Zf 2:11 lezen we over de heerschappij die zij vanuit het onzichtbare over het menselijk domein uitoefenen. Maar ook dat er een tijd aanbreekt dat God tegen hen optreedt:

 

Vreselijk treedt YHWH tegen hen op; want hij doet wegteren alle goden der aarde; opdat ieder uit zijn woonplaats zich voor hem neerwerpe, al de kustlanden der Heidenen.

(LV)

 

In de LXX luidt deze passage:

 

De Heer zal zich aan hen vertonen en alle goden van de natiën der aarde zal hij verdelgen; en zij zullen hem aanbidden, ieder uit zijn plaats; ja, alle eilanden der natiën.

 

Niet de aardse machthebbers, maar hemelwezens zijn de eigenlijke heersers over de politieke, menselijke rijken. Vergelijk Dn 10:13, 20-21.

Oók Psalm 82 is een bekend voorbeeld. Enkele verzen volgens de nbg:

 

(1-2) Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering der goden [el], Hij houdt gericht te midden der goden [elohim]. Hoelang zult gij onrechtvaardig richten, en de goddelozen gunst bewijzen?

(6-7) Wel heb ik gezegd: Gij zijt goden [elohim], ja, allen zonen des Allerhoogsten; nochtans zult gij sterven als mensen [lett.: als Adam], als één der vorsten zult gij vallen.

 

De over de volken heersende elohim [godenzonen] voeren hun heerschappij op onrechtvaardige wijze uit. Om die reden zullen die engelvorsten omkomen; als mensen zullen zij sterven. Dat wil zeggen als Adam die zich door Satan tegen zijn hemelse Vader liet keren.

 

Het commentaar op die Psalm van Yeshua zelf, bevestigt deze visie:

 

Weer droegen de Joden stenen aan om hem te stenigen. Yeshua antwoordde hun: Ik toonde jullie vele voortreffelijke werken van de Vader. Om welke van die werken stenigen jullie mij? De Joden antwoordden hem: Wij stenigen je niet om een voortreffelijk werk, maar om lastering, ja, omdat jij, hoewel je een mens bent, jezelf tot god maakt.

Yeshua antwoordde hun: Staat er niet in jullie Wet geschreven: Ik zei: Jullie zijn goden?

Indien hij degenen goden noemde tegen wie het woord van God gericht werd, en de Schrift niet ontbonden kan worden, zeggen jullie [dan tot hem] die de Vader heiligde en in de wereld zond: Je lastert, omdat ik zei: Ik ben Gods Zoon?

(Jh 10:31-36)

 

Zijn joodse tegenstanders verweten Yeshua dat hij zichzelf tot (een) god maakte, maar hij weerlegt hen met een verwijzing naar Psalm 82. Daarin worden bepaalde hemelingen ook goden genoemd; hoeveel te meer kwam hij dan zelf in aanmerking voor die betiteling. De Vader had hem, een hemels personage, immers in de wereld gezonden; als persoon met een goddelijke achtergrond was hij uit de hemel neergedaald.

 

Volgens Gn 33:10 zei Jakob tot Esau, toen zij elkaar na verloop van ca 20 jaar weer ontmoetten: 

 

Indien ik nu gunst in je ogen heb gevonden, dan moet je mijn geschenk uit mijn hand aannemen, want in overeenstemming met het doel ervan heb ik je aangezicht gezien als zag ik Gods aangezicht.

 

Maar kort vóór die ontmoeting had Jakob wel een heel bijzondere ervaring, gehad met een mysterieus hemelwezen. Dat vond plaats toen hij als laatste van zijn familie de rivier de Jabbok overstak. Bij die gelegenheid ging er een 'man' met hem worstelen.

Zie Gn 32:24-32.

 

Over Jakobs terugkeer naar het land Kanaän lezen we in Genesis 32 het volgende:

 

En wat Jakob betreft, hij ging zijns weegs, en de engelen van God ontmoetten hem nu. Onmiddellijk zei Jakob, meteen toe hij hen zag: Dit is het kamp van God!

Daarom gaf hij die plaats de naam Mahanaïm.

Toen zond Jakob boden voor zich uit naar zijn broer Esau, naar het land Seïr, het veld van Edom, en hij gebood hun en zei:

 

Dit zult gij tot mijn heer, tot Esau, zeggen:

Dit heeft je knecht Jakob gezegd: Bij Laban heb ik als vreemdeling vertoefd en ik ben daar lange tijd, tot nu toe, gebleven. En ik ben in het bezit gekomen van stieren en ezels, schapen, en dienstknechten en dienstmaagden, en ik zou het mijn heer graag laten weten, opdat ik gunst in je ogen mag vinden.

 

Na verloop van tijd keerden de boden tot Jakob terug en zeiden:

 

Wij zijn bij je broer Esau gekomen, en hij komt je ook al tegemoet, met vierhonderd man bij zich.

 

En Jakob werd zeer bevreesd en kreeg het benauwd. Daarom verdeelde hij het volk dat bij hem was en de kleinveekudden en de runderen en de kamelen in twee kampen, en hij zei: Indien Esau op het ene kamp afkomt en het aanvalt, dan zal er stellig een kamp overblijven om ontkoming te vinden.

 

Daarna zei Jakob:

O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaäk, YHWH, gij die tot mij zegt: Keer terug naar je land en naar je bloedverwanten en ik zal je beslist weldoen, ik ben al de liefderijke goedheden en al de trouw die gij jegens je knecht hebt betracht, niet waardig, want slechts met mijn staf trok ik over deze Jordaan, en nu ben ik tot twee kampen geworden.

Ik bid u, bevrijd mij uit de hand van mijn broer, uit Esau’s hand, want ik ben bevreesd voor hem, dat hij misschien komt en mij met moeder en kinderen aanvalt. En gij, gij hebt gezegd: Ik zal je ongetwijfeld weldoen en je zaad maken als de zandkorrels der zee, die wegens het grote aantal niet geteld kunnen worden.

En hij bleef daar die nacht nog over.

 

Later gedurende die nacht stond hij op en nam zijn twee vrouwen en zijn twee dienstmaagden en zijn elf jonge zonen en trok de doorwaadbare plaats van de Jabbok over. Hij nam hen dus en bracht hen over het stroomdal, en hij bracht wat hij had naar de overkant.

Ten slotte bleef Jakob alleen achter.

Nu ging er een man met hem worstelen totdat de dageraad opklom. Toen hij [de 'man'] nu zag dat hij niet over hem had gezegevierd, raakte hij voorts de gewrichtsholte van zijn dijbeen aan; en de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen werd ontzet bij zijn worsteling met hem. Daarna zei hij:

Laat mij gaan, want de dageraad is opgeklommen.

Hierop zei hij [Jakob]: Ik zal u niet laten gaan, tenzij gij mij eerst zegent.

Derhalve zei hij tot hem:

Hoe is je naam?,

waarop hij zei: Jakob.

Toen zei hij:

Je naam zal niet langer Jakob worden genoemd, maar Israël, want je hebt met God en met mensen gestreden, zodat je ten laatste hebt gezegevierd.

 

Op zijn beurt informeerde Jakob en zei:

Zeg mij alstublieft uw naam.

Hij zei echter:

Waarom informeert gij naar mijn naam?

 

Toen zegende hij hem daar. Daarom gaf Jakob de plaats de naam Pniël, want, om zijn woorden aan te halen: Ik heb god [elohim; een god] gezien van aangezicht tot aangezicht, en toch werd mijn ziel bevrijd.

En de zon wierp haar eerste stralen op hem zodra hij Pnuël voorbij was, maar hij ging mank aan zijn dijbeen.

Daarom zijn de zonen van Israël tot op de huidige dag niet gewoon de pees van de dijzenuw te eten, die op de gewrichtsholte van het dijbeen ligt, omdat hij bij de pees van de dijzenuw de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen had aangeraakt.

 

=======================================================

 

Wie was die mysterieuze ‘man’ met wie de aartsvader moest ‘worstelen’?

In 2Pt 2:11 lezen we over de engelen dat zij in sterkte en kracht groter zijn. Toch behaalde Jakob in die nachtelijke worsteling een zekere overwinning! Hij werd namelijk door de mysterieuze 'man' gezegend! Kennelijk in de zin dat de oorspronkelijke Abrahamitische belofte nogmaals ten aanzien van de patriarch bevestigd werd!

 

Want niet alleen had zijn vader Isaäk hem die voorvaderlijke zegen reeds geschonken (Gn 27:26-29), maar toen Jakob kort daarop de vlucht moest nemen voor Esau, bevestigde YHWH Elohim [te Bethel] die zegen in ondubbelzinnige bewoordingen opnieuw. Dat geschiedde toen hij aldaar de droom had van de ladder die tot in de hemel reikte (Gn 28:12-17). 

YHWH Elohim zei tot hem >>

Ik ben YHWH, de God van je vader Abraham en de God van Isaäk. Het land, waarop je ligt, aan jou zal ik het geven en aan je zaad. Jouw zaad zal zijn als het stof der aarde; je zult je uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. En in jou en in jouw zaad zullen alle families van de aardbodem gezegend worden. 

Trouwens, toen Jakob tot YHWH om hulp bad, maakte ook hijzelf melding van die zegen: En gij, gij hebt gezegd: Ik zal je ongetwijfeld weldoen en je zaad stellig maken als de zandkorrels der zee, die wegens het grote aantal niet geteld kunnen worden (vv 11-12).

 

Maar het verslag in Genesis 32 vertelt ons dat de mysterieuze ‘man’ er plotseling blijk van gaf haast te hebben. Waarom? Omdat de dageraad al op het punt stond aan te breken!

Maar Jakob houdt aan; hij wil eerst gezegend worden!

En zijn aanhouden wordt beloond: Toen zegende hij hem daar.

Maar voor dat alsnog plaats vond bracht de 'man' Jakob een ernstige slag toe. Hoe? Door slechts Jakobs heupgewricht aan te raken waardoor Jakob voortaan mank ging aan zijn dijbeen!

En dat was geen willekeurige kwetsuur. Integendeel!

In de Bijbel wordt de manlijke heup namelijk vooral in verband gebracht met de voortplanting. Over Jakobs nakomelingen lezen we in Gn 46:26 (nwv):

 

Alle zielen die met Jakob naar Egypte kwamen, waren degenen die uit zijn opperdij waren voortgekomen, afgezien van de vrouwen van Jakobs zonen. In het geheel zesenzestig zielen.  

 

Conclusie? Het kan niet anders of Jakob heeft toentertijd ‘geworsteld’ met een zeer belangrijke engelvorst. Kennelijk met niemand anders dan Gods eigen Zoon in zijn voormenselijke, hemelse situatie!

En die conclusie wordt ook bevestigd door de Bijbelse gematria.

 

Zij die wat meer met deze extra invalshoek voor bijbelonderzoek bekend zijn, zullen meteen moeten denken aan het feit dat er in deze vreemde geschiedenis vooral sprake is van een naamsverandering: Jakob werd toen voor het eerst óók als Israël aangeduid.

 

Jakob heeft GW (getalswaarde) 10 + 70 + 100 + 2 = 182.

Maar Israël: 10 +300 + 200 + 1 + 30 = 541

 

De GW van Jakob / Israël was dus die nacht met een waarde van 359 toegenomen (541 minus 182).

Maar met de GW 359 bevinden we ons op wel heel erg bekend terrein!

Namelijk Satan (300 + 9 + 50).

Jakob had die nacht dus als het ware de GW van Satan in zich opgenomen!

En wat hield dat voor hem in? Welnu, als Israël hoefde hij nu geen vrees meer te koesteren! Ook niet voor Esau! Ja, en zelfs niet voor Edom, de demonenwereld welke achter Esau/Edom schuil gaat.

 

Zoals we weten kwam bij de geboorte van de tweeling Esau het eerst te voorschijn, en daarna Jakob, maar deze hield met zijn hand wel de hiel van Esau vast (Gn 25:25-26).

Op zich was dat al een wonderlijk gebeuren, maar het voorschaduwde reeds in een heel vroeg stadium Jakobs terechte claims. Naar goddelijk recht zou hij Esau’s plaats innemen, zeker nadat de laatste zijn eerstgeboorterecht voor een bord soep aan zijn broer had verkwanseld.

 

Esau kon naderhand zijn kostbare verlies niet verkroppen. Na duidelijk afgewezen te zijn in de 'restzegen' van Isaäk, ontketende hij een strijd tegen zijn broer en stond hij hem zelfs naar het leven.

 

Maar Jakob is sterk, niet alleen vanwege het feit dat toentertijd een kamp van engelen hem en zijn familie op hun tocht begeleidde, maar vooral omdat YHWH Elohim zijn aanspraken nog steeds erkende.

 

Doch de aartsvader betaalde wel een dure prijs: Voortaan ging hij mank aan zijn dijbeen. Maar ook dat voorval had te maken met het feit dat hij niet alleen Jakob was maar ook Israël was geworden.

Hier zien we dus het merkwaardige feit dat enerzijds Jakob (Israël) uiteindelijk niet te gronde kan worden gericht door de demonenmacht, maar dat God anderzijds wel heeft toegelaten dat zijn zaad, zijn nakomelingschap, het door de tijden heen zwaar te verduren kreeg van de zijde der demonen.

 

En dat laatste wordt in de Bijbel nergens treffender geïllustreerd dan in de geschiedenis en het lijden van de man Job, door God zelf bij herhaling aangeduid als Mijn knecht Job. Satan kreeg in zijn geschil met God van YHWH Elohim de ruimte om grote ellende over Job te brengen, maar niet de macht om hem weg te vagen.

Zie Job 1, 2 en 42.

 

Precies zo is het ook Israël door de eeuwen heen vergaan, tezamen met hun Messias, de lijdende Knecht van God (Jesaja 53). 

Tot en met de Holocaust van WO II heeft Israël als volk heel wat tegenstand ondervonden van de Duivel en zijn trawanten, wat niet zelden resulteerde in veel lijden.

Vanaf de tijd dat op Farao's bevel de manlijke baby's in de rivier de Nijl geworpen moesten worden, tot en met de gaskamers van Auswitz - over een periode van zo'n 3500 jaar- is Jakob in zijn nageslacht (zaad) getroffen.

 

In vervulling van Isaäks 'zegen' die hij alsnog uitsprak over zijn oudste zoon Esau, heeft diens engelvorst Satan en de wereldmachten die onder zijn toezicht stonden, telkens getracht de prioriteit van Israël te niet te doen door Jakobs juk af te schudden:

 

Zie, ver van de vruchtbare bodem der aarde zal uw woonplaats worden gevonden, en ver van de dauw van de hemel boven. En van uw zwaard zult gij leven, en uw broer zult gij dienen. Maar het zal stellig geschieden dat gij, wanneer gij rusteloos wordt, zijn juk inderdaad van uw hals zult verbreken.

(Gn 27:39-40)

 

In plaats van het goede voor Israël te zoeken en Gods zegen en haar toekomstige vooruitzichten - om de natiën tot zegen te worden - te erkennen, hebben de Heidense wereldmachten onder de engelvorst Satan telkens weer gekozen voor strijd tegen Gods uitverkoren volk.

Onder de heerschappij van de Antichrist (een laatste oprisping van de wereldmacht Rome) zal die haat (tegenstand) tot een climax komen.

 

Maar nu terug naar Genesis 33.

Was Jakobs overwinning op Esau’s engelvorst ook merkbaar toen Esau met zijn legertje van 400 man tenslotte het kamp van zijn broer bereikte?  

Gn 33:1-11 luidt:

Na verloop van tijd sloeg Jakob zijn ogen op en keek, en zie, daar kwam Esau aan en met hem vierhonderd man.

Dientengevolge verdeelde hij de kinderen onder Lea en onder Rachel en onder de twee dienstmaagden, en hij plaatste de dienstmaagden en hun kinderen voorop en Lea en haar kinderen daarachter en Rachel en Jozef achteraan. En zelf trok hij voor hen uit en boog zich vervolgens zevenmaal ter aarde neer, totdat hij zijn broer genaderd was. Toen snelde Esau hem tegemoet en omhelsde hem en viel hem om de hals en kuste hem, en zij barstten in tranen uit.

Daarna sloeg hij zijn ogen op en zag de vrouwen en de kinderen en zei:

"Wie heb je daar bij je?, waarop hij [Jakob] zei: "De kinderen met wie God je knecht begunstigd heeft."    

Daarop traden de dienstmaagden naar voren, zij en hun kinderen, en bogen zich neer; en ook Lea trad naar voren, en haar kinderen, en zij bogen zich neer, en daarna trad Jozef naar voren, en Rachel, en zij bogen zich neer. 

 

Nu zei hij [Esau] :

"Wat bedoel je met dat hele kamp van reizigers dat ik ontmoet heb?"

Hierop zei hij [Jakob]:

"Om gunst te vinden in de ogen van mijn heer."

Toen zei Esau:

"Ik heb heel veel, mijn broer. Laat wat van jou is, het jouwe blijven."

Jakob zei echter:

"Neen, alsjeblieft. Indien ik nu gunst in je ogen heb gevonden, dan moet je mijn geschenk uit mijn hand aannemen, want in overeenstemming met het doel ervan heb ik je aangezicht gezien als zag ik Gods aangezicht [lett.: zoals het zien van het aangezicht van (een) god (elohim)], doordat je mij met welgevallen hebt ontvangen.

Aanvaard alsjeblieft het geschenk, dat je werd gebracht als een blijk van mijn zegen, omdat God mij heeft begunstigd en omdat ik alles heb." 

En hij bleef bij hem aandringen, zodat hij het aannam.   

 

Maar laten we ook niet vergeten dat de getalswaarde van Satan (359) in Jakobs persoon was opgenomen door zijn nieuwe naam Israël.

Het resultaat daarvan was dat Esau nu niets anders kon doen dan zijn broer in gunst aan te nemen, én - zeer belangrijk - de hem door YHWH Elohim geschonken voorrang te erkennen.

 

Esau’s engelvorst [Satan] was machteloos geweest tegenover Jakob, en bij Esau zelf zien we nu iets soortgelijks; hij is niet in staat ook maar iets uit te richten tegen zijn broer met zijn legertje van 400 man!

Integendeel! Let nog eens op vers 4 >>  

 

Maar Esau liep hem tegemoet, omhelsde hem, viel hem om de hals en kuste  hem.

 

In de Hebreeuwse tekst is iets heel bijzonders aan de hand met dit vers, speciaal met de zinsnede en-hij-kuste-hem; in het Hebreeuws één enkel woord. Elke letter daarvan is namelijk gemarkeerd met een punt er boven.

Waarom is dat gebeurd?

Volgens de joodse overlevering werd die markering al in de oorspronkelijke tekst door Mozes aangebracht, omdat Esau er eigenlijk op uit was geweest zijn broer te bijten. Ongeveer zoals een slang een mens bijt, maar daartoe niet in staat bleek omdat hij krachteloos was gemaakt door de voorafgaande ontmoeting die zijn broer Jakob met een zeker hemels wezen had gehad!

En dat bijten uitte zich daarom nu, tegen wil en dank weliswaar, in kussen.

 

Om dit naar waarde te kunnen schatten moet men weten dat de werkwoorden bijten en kussen in het Hebreeuws veel gelijkenis vertonen; ze verschillen maar in één letter.

 

Voor hen die een en ander voor zichzelf willen nagaan:

De Strongnrs voor respectievelijk bijten zijn 5391 (GW 370 » 50 +300 +20)

en voor kussen 5401 (GW 450 » 50 + 300 + 100).

Zonder bekend te zijn met het Hebreeuws kan een ieder hieruit toch afleiden dat in beide grondwoorden alleen de derde letter verschilt.

 

Resteert nog uiteraard de vraag wat de identiteit was van de ‘man’ die in de nacht met de patriarch ging ‘worstelen’. Het kan uiteraard niet anders of hij moet YHWH Elohims persoonlijke gezant zijn geweest, kennelijk Yeshua Masjiach in zijn voormenselijke staat!

Het blijkt dat bij deze identificatie het gematriabeginsel opnieuw aan de orde is.

Bijgevolg verwijzen wij de lezer naar de gematriastudie >>

Genesis 32 – Jakobs worsteling.

 

Met name de vv 24 tm 26 zijn interessant >>

 

Gn 32:24

Ten slotte bleef Jakob alleen achter. Nu ging er een ‘man’ met hem worstelen totdat de dageraad opklom. 

 

De GW 2485 is ook die van Ps 40:7, waarin profetisch naar de Heer Yeshua Mashiach wordt gehint >> Met het oog daarop zei ik: Zie, ik ben gekomen; in de boekrol staat over mij geschreven.

 

Vergelijk Hb 10:5-10.

 

2485

Gn 32:25

Toen hij nu zag dat hij niet over hem had gezegevierd, raakte hij voorts de gewrichtsholte van zijn dijbeen aan; en de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen werd ontzet bij zijn worsteling met hem.   

 

2121

Gn 32:26

Daarna zei hij: Laat mij gaan, want de dageraad is opgeklommen. Hierop zei hij: Ik zal u niet laten gaan, tenzij gij mij eerst zegent.

 

2703

 

De totale GW van de drie verzen bedraagt 7309, welke ook de GW blijkt te zijn van Ex 28:27 >>

 

En gij moet twee gouden ringen maken en ze op de twee schouderstukken van de efod zetten [uiteraard bij de Hogepriester, Aäron, die een voorafbeelding van de ware Hogepriester Yeshua is], onderaan, aan de voorkant ervan, vlak bij de plaats waar hij samengevoegd is, boven de gordel van de efod.

 

Dit brengt ons tenslotte naar de sterfbedprofetie van Jakob, in Genesis hoofdstuk 49.

Algemeen wordt er vanuit gegaan dat zijn uitspraak over de stam Dan in de vv 16-18 een verborgen voorzegging inhield voor het optreden van de Antichrist in het laatst der dagen (zie vers 1 van hoofdstuk 49): 

 

Dan is rechter over zijn volk, als één van Israëls stammen.

Een slang op de weg moet Dan zijn, een adder op het pad, hij bijt het paard in de hiel en de wagenmenner slaat achterover.

Op uw redding hoop ik, YHWH!

 

In de figuur van zijn namaakmessias zal Satan zich dus tot het einde toe verzetten tegen de voorrechten van Jakob (Israël).

Als de rivaliserende ‘messias’ zal hij zich als rechter over het volk Israël van de Eindtijd opwerpen. Maar hij is zo bovennatuurlijk listig en sluw dat Jakob voor de redding van zijn zaad slechts zijn hoop op YHWH Elohim kon vestigen.

Vandaar zijn smeking ten behoeve van de getrouwe Rest van zijn nakomelingschap: Op uw redding hoop ik, YHWH!

 

-.-.-.-

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

vrijdag 28 augustus 2020

Anno Mundi Jaartelling

Anno Mundi Jaartelling

 

 AM    Vóór AD

     1  4004/4003 Schepping Adam

   30  3973  Schepping Eva

 130  3873  Geboorte Seth

 622  3381  Geboorte Henoch

 687  3316  Geboorte Methusalah

 930  3073  Dood Adam

987     3016  Dood Henoch (overbrenging

 

1056  2947  Geboorte Noach

1536  2467  Aankondiging van de 120 jaar tot de Vloed; aanwezigheid  Nefilim

1656  2347  Vloed; Noach 600 jaar; dood Methusalah

1723  2280  Geboorte Heber; 3½ x 1723 = 6030(½); begin Millenniumrijk verwacht

1826  2177  Spraakverwarring; aanvang Zeven Tijden (7 x 600) tot 6026 AM; Lukas 21:24

2006  1997  Dood Noach; 350 jaar na Vloed; basis voor het 3½ principe

2009  1994  Geboorte Abraham; 3½ x 2009 = 7031(½); einde Millenniumrijk

2084  1919  (1826 + 258 GW Charan) Abraham 75 jaar; aanvang 430 jaar (2 x 215), eindigend 2514 AM; de 1:2 verhouding, gerekend vanaf 2084 AM, en tot uitdrukking komend in 

1.) 215:430; overeenkomend met 2299 (de 130-jarige Jakob komt met gehele familie naar naar Egypte); en 2514 AM (het tegenovergestelde, hun vertrek uit Egypte); 

2.) 1971:3942; uitgedrukt in 4055 AM en 6026 AM

 

2109  1894  Geboorte Isaäk

2114  1889  Isaäk gespeend; aanvang 400-jarige periode van verdrukking (2114-2514 AM)

2169  1834  Geboorte Ezau en Jakob

2184  1819  Dood Abraham; 175 jaar oud

2260  1743  Geboorte Jozef

2266  1737  Bij de Jabbok wordt Jakob (GW 182) Israël (GW 541) genoemd; verschil GW 359 (Satan); aanvang tijdrekening gefocust op de wederwaardigheden van het volk (de natie) Israël

2277  1726  Jozef, 17 jaar oud, verkocht naar Egypte

2290  1713  Jozef, 30 jaar oud, staat voor Farao; aanvang 2 x 7 jaar periodes van overvloed/honger

2297  1706  Aanvang hongersnood

2299  1704  In tweede jaar hongersnood komt de 130-jarige Jakob met gehele familie naar Egypte 

2316  1687  Dood Jakob, 147 jaar oud (Gn 47:28);

2370  1633  Dood Jozef, 110 jaar oud

2514  1489  Exodus; 144 jaar ná Jozefs dood; zijn gebeente wordt meer dan 40 jaar ‘rondgedragen’  

2515  1488  Oprichting Tabernakel; installatie Aäronische priesterschap

2554  1449  Dood Mozes (120 jaar); overtocht Jordaan olv Jozua          

2910  1093  Saul koning; 40 jaar tot 2950 AM

2950  1053  David koning; 40 jaar tot 2990 AM

2990  1013  Salomo wordt koning

2993  1010  Het vierde jaar van Salomo [ 1Kn 6:1; 2514 + 479 ]

3000  1003  Tempel voltooid [ 1Kn 6:38 ]

 

3030    973  Dood Salomo, ná 40-jarige regering; kort hierna splitsing Davidisch Rijk in Noordelijk Tienstammenrijk en Zuidelijk koninkrijk Juda 

3287    717  Einde Tienstammenrijk; wegvoering naar Assyrië (2Kn 17:20

3416    587  Val Jeruzalem; eerste tempel verwoest

3464    5439  Val Babel; einde 70 jaar periode genoemd in Jr 25:11 en 29:10 

3465    538  Decreet Cyrus ivm terugkeer Joodse ballingen

3486    517  Einde 70-jarige periode van vasten (Zc 7:1-5)

3559    445/444  De Jaarwekenprofetie wordt van kracht in het 20ste jaar van Artaxerxes;

de eerste 7 + 62 weken eindigden op Palmzondag van 33 AD

 ‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗‗

  AM    AD

4032     29  Najaar; Yeshua ondergedompeld in de Jordaan door Johannes

4036     33  Voorjaar; Gezeten op een ezel rijdt Yeshua op Palmzondag Jeruzalem binnen;

4055     52  Helft periode 2084 – 6026 AM in de 1:2 verhouding (2084:4055 en 4055:6026), gebaseerd op Lv 12 en Hn 18:6

4073     70  Tweede tempel verwoest

 

 

  

woensdag 26 augustus 2020

Pinksteren en de Opname

In het Hebreeuws is het woord Pinksteren Shavuot, dat "weken" betekent. In de Joodse kalender is het Wekenfeest het feest van de tarweoogst in het land Israël, dat altijd een metafoor bleek te zijn voor de geredde zielen die in het huisgezin van God werden gebracht. 


Zeven weken dient gij u te tellen. Van het ogenblik af dat de sikkel voor het eerst in het staande koren wordt geslagen, zult gij zeven weken beginnen te tellen. Dan moet gij het Wekenfeest vieren voor YHWH, uw God, naar de vrijwillige gave van uw hand die gij zult geven, naarmate YHWH, uw God, u mocht zegenen (Dt 16:9-10).

 

Zoals voor het eerst aangegeven in Leviticus, wordt Shavuot gezien als het hoogtepunt van zeven weken, plus één dag... de dag ná de sabbat. Deze vijftig dagen worden in het NT (het Griekse deel van de Bijbel) aangeduid als Pinksteren, de Hollandse weergave van het Griekse woord [Πεντηκοστη] voor 'vijftig'.

 

Van alle vieringen volgens de Joodse Feestkalender is het Wekenfeest het meest mysterieus. In het moderne Jodendom wordt Pinksteren altijd op twee dagen gehouden; een mysterie op zich. Omdat het op hun kalender zweeft, wordt het 'het feest zonder datum' genoemd.

 

Wanneer de meeste Christenen stil staan bij Pinksteren denken ze in het geheel niet aan Joodse feestdagen. Hun eerste gedachte gaat gewoonlijk uit naar het Boek Handelingen. Dat boek - de geschiedenis van de apostolische activiteit in de vormingsdagen van de Gemeente - is gebaseerd op het aeon [wereldperiode] van de heilige geest en de geboorte van de Gemeente op Pinkstermorgen. Op zich is het één van de meest verbazingwekkende gebeurtenissen in de geschiedenis van de wereld.

 

Het boek Handelingen begint nabij het einde van de periode van vijftig dagen die begonnen te tellen ná het Feest van de Eerstelingen, de dag die de opstanding van onze Heer markeert.

Lukas opent zijn verslag door terug te verwijzen naar zijn Evangelie en noemt het het eerste bericht. Aan het einde daarvan stijgt Yeshua op ten hemel, ná een ontmoeting met veel mensen.

De Heer zelf beëindigde zijn verschijningen door te zeggen: En zie, ik zend de belofte van mijn Vader op jullie; jullie echter, blijft in de stad wonen totdat jullie worden bekleed met kracht uit de hoogte (Lk 24:49).

 

Vervolgens, in de Handelingen, na die lacune van veertig dagen, schrijft Lukas >>

 

Het eerste bericht, Theofilus, heb ik opgesteld over alle dingen die Yeshua begonnen is zowel te doen als te onderwijzen tot op de dag dat hij werd opgenomen, nadat hij aan de apostelen die hij had uitgekozen, door heilige geest bevelen had gegeven. Ook aan hen toonde hij, nadat hij had geleden, door vele onweerlegbare bewijzen dat hij levend was, daar hij gedurende veertig dagen door hen werd gezien en over de dingen aangaande het koninkrijk Gods sprak.

 

En terwijl hij met hen samenkwam, beval hij hun: Vertrekt niet uit Jeruzalem, maar blijft wachten op datgene wat de Vader heeft beloofd, waarover jullie van mij hebben gehoord.

Want Johannes doopte wel met water, maar jullie zullen niet vele dagen hierna in heilige geest worden gedoopt.

Toen zij nu bijeengekomen waren, gingen zij hem vragen: Heer, herstelt gij in deze tijd het koninkrijk voor Israël? Hij zei tot hen: Het komt jullie niet toe kennis te verkrijgen van de tijden of tijdperken die de Vader onder zijn eigen autoriteit heeft gesteld, maar jullie zullen kracht ontvangen wanneer de heilige geest op jullie gekomen is, en jullie zullen getuigen van mij zijn, zowel in Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria, en tot het uiteinde der aarde.

 

En nadat hij deze dingen had gezegd, werd hij ten aanschouwen van hen omhooggeheven, en een wolk onttrok hem aan hun gezicht. En toen zij met gespannen aandacht in de lucht keken, terwijl hij heenging, zie! daar stonden twee mannen in blinkende klederen naast hen, en zij zeiden: Mannen van Galilea, waarom staan jullie in de lucht te kijken? Deze Yeshua, die van jullie werd opgenomen in de lucht, zal aldus op dezelfde wijze komen zoals jullie hem ten hemel hebben zien gaan (Hn 1:1-11).

 

Yeshua steeg op voor de verwonderde ogen van zijn leerlingen, waarna een wolk hem aan hun waarneming onttrok.

Velen geloven dat die gebeurtenis het moment voorafschaduwt waarop Christenen – op hun beurt - zullen worden opgenomen om voor altijd bij hem te zijn; uiteraard in de hemelsferen.

Gedurende de volgende tien dagen kwamen ze bijeen en baden, tot op Pinksteren:

 

En toen de Pinksterdag aanbrak waren zij allen op dezelfde plaats bijeen. En plotseling kwam er uit de hemel een gedruis als van een geweldige windvlaag, en het vervulde het gehele huis waarin zij gezeten waren.

En hun werden tongen als van vuur zichtbaar, die zich verdeelden, en op ieder van hen zette zich er één, en zij werden allen met heilige geest vervuld en begonnen in andere talen te spreken, zoals de geest het hun gaf te spreken (Hn 2:1-4).

 

Feest van de oogst

 

Vanaf zijn vroegste dagen stond Pinksteren bekend als een oogstfeest. Lang geleden werd de omer aangeboden door de hogepriester, die voor de tabernakel stond; later voor de tempel. Het was het teken van het feest der Eerstelingen. In Leviticus 23:11 wordt het de schoof genoemd. In zijn gewone betekenis was een omer een droge maat die iets meer dan twee liter bedroeg. Het aanbieden van de omer kenmerkte de eerste dag van een aftelling van vijftig dagen tot op Pinksteren:

 

En vanaf de dag ná de sabbat, vanaf de dag waarop jullie de schoof van het beweegoffer brachten, moeten jullie je zeven weken tellen. Zeven volle weken zullen het zijn. Tot de dag na de zevende sabbat moeten jullie tellen, vijftig dagen, en jullie moeten een nieuw graanoffer aan YHWH aanbieden. Uit jullie woonplaatsen moeten jullie twee broden als beweegoffer brengen. Ze dienen uit twee tiende efa meelbloem te bestaan. Ze dienen gezuurd gebakken te worden, als eerste rijpe vruchten voor YHWH (Lv 23:15-17).

 

Het tellen van de vijftig dagen vanaf de Eerste Vruchten tot Pinksteren is typerend voor de verlossing in het algemeen. Voor de Jood heeft het, in de naleving van het Wekenfeest (Shavuot), altijd de rijping van de relatie tussen God en Israël voorgesteld.

Denk maar aan de tradities die in de eerste jaren van de Gemeente ontstonden. De centrale doctrines werden overgeleverd door mensen die in de tradities van de Joodse geschiedenis en profetie waren opgevoed. Hun leven stond letterlijk in het teken van het bijhouden van de feestenkalender.

 

Maar Yeshua’s leerlingen hadden al daarvoor – volgens Mattheüs 13 - ook zijn parabel gehoord die op de oogst betrekking had. Daarin hadden zij toen vernomen dat het goede graan en het onkruid [de dolik] tezamen zouden opgroeien, maar uiteindelijk van elkaar gescheiden zouden worden.

 

Toen Petrus op de Pinksterdag zijn historische betoog hield, citeerde hij de profeet Joël, wiens hele boek rond de oogstcyclus is gecentreerd.

Toen Joël – uiteraard namens YHWH Elohim - de profetische woorden schreef: Ik zal mijn geest uitstorten op alle vlees, gaf hij daarmee het thema van de oogst aan.

Ook sprak Joël over het herstel van Israël en verbond hij het met de tijd van de lenteoogst.

 

En jullie, kinderen van Sion, verheugt je en wees blij in YHWH, jullie God, want Hij zal jullie geven de Leraar tot gerechtigheid. Die zal regen op u doen neerdalen, vroege regen en late regen in de eerste maand. De dorsvloeren zullen vol koren zijn, de perskuipen stromen over van nieuwe wijn en olie. Ik zal jullie de jaren vergoeden die de veldsprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de zwermsprinkhaan en de treksprinkhaan hebben opgegeten (Jl 2:23-25).

 

In Matteüs 13:39 zei Yeshua: De oogst is de voleinding der eeuw. Hij gaf aan dat de gebeurtenissen in de Eindtijd zouden uitmonden in een grote zielenoogst. Pinksteren, de dag na de zevende sabbat, betekende het einde van de graanoogst. Dan werden twee met gist gebakken broden – gezuurd dus - naar de Tempel gebracht en door de Hogepriester in de lucht heen en weer bewogen. Die twee broden symboliseerden kennelijk de beide Gemeenten: Yeshua’s Gemeentelichaam, en YHWH Elohims Gemeente Israël.

 

Vroege en late regens

 

Toen de heilige geest op de dag van Pinksteren in Jeruzalem werd uitgestort, werd de profetie van de vroege regen vervuld. Op zekere dag zal de heilige geest wederom in Jeruzalem worden uitgestort. Het zou een vervulling moeten zijn van de belofte van de laatste regen. Zal het ook met Pinksteren gebeuren?

In Petrus' tweede toespraak zinspeelde hij op de ultieme vervulling van de festivalcyclus. In Handelingen 3:19-21 zei hij:

 

Hebt dan berouw en keert je om, opdat jullie zonden worden uitgewist, zodat er wellicht tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer en hij de voor jullie bestemde Masjiach moge uitzenden, Yeshua, die de hemel weliswaar moet opnemen tot tijden van herstel van alle dingen, waarover God bij monde van zijn heilige profeten van oudsher sprak.

 

Feitelijk sprak Mozes: "Een profeet voor jullie zal de Heer God verwekken uit jullie broeders, gelijk mij. Aan hem moeten jullie gehoor geven overeenkomstig alles wat hij tot jullie mocht spreken. Elke ziel nu die niet naar die profeet luistert, zal volledig uit het volk verdelgd worden".

En alle profeten trouwens, van Samuël af en die daarna zijn gevolgd, zovelen als er spraken, kondigden deze dagen aan. Jullie zijn de zonen der profeten en van het verbond dat God met jullie voorvaders aanging, tot Abraham zeggend: "En in jouw zaad zullen alle families der aarde gezegend worden".

God zond zijn Knecht, nadat hij hem deed opstaan, in de eerste plaats tot jullie, om jullie te zegenen door een ieder af te keren van jullie slechte daden

 

Thans, zomer 2020 AD, met de wereldomvattende uitbraak van het Coronavirus, lijken we op de drempel te staan van de wereldperiode die volgens Mattheüs 24 de voleinding der eeuw (aeon) wordt genoemd.

We herinneren ons ongetwijfeld de vraag van Yeshua’s leerlingen:

 

Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn en wat zal het teken zijn van je paroesie [Grieks: παρουσία; tegenwoordigheid] en de voleinding der eeuw?

 

Destijds, binnen de Joodse traditie, was Pinksteren het vierde en centrale feest onder de zeven feesten van Israël:

(1) Pesach,

(2) Ongezuurd brood,

(3) Eerstelingen,

(4) Pinksteren,

(5) Rosh Hashanah,

(6) Yom Kipur, en

(7) Loofhutten.

 

De eerste drie zijn lentefeesten, die het bloedoffer en de opstanding vertegenwoordigen. De laatste drie komen in de herfst en roepen het oordeel en de oprichting van het Koninkrijk op.

Maar in het midden – rond de overgang van de lente naar de zomer - is daar het Pinksterfeest. In de Bijbel wordt het voorgesteld door twee gezuurde broden die door de Hogepriester als een ‘beweegoffer’ omhoog werden gehouden. De Joden van vandaag vieren het in een ceremonie die "het versieren van de Bruid" heet. Bij het onderzoeken van dit belangrijke onderwerp komen we herhaaldelijk onder de indruk van de sterke verbanden tussen Pinksteren en de komende verandering van het aeon dat de wereld in het tijdperk van het Koninkrijk zal brengen.

 

Maar allereerst presenteert dit feest de ceremonie van het huwelijk tussen God en Israël.

In het feest herdenken de Joden de symboliek van het huwelijk tussen God, de Bruidegom, en Israël, de Bruid. Ze zien de berg Sinaï als een enorme ketubah, oftewel een bruidsbaldakijn. De twee tafelen van de Wet die Mozes meebracht vanaf de berg, stellen - in die samenhang - het huwelijkscontract voor.

 

Rekening houdend met die traditionele aspecten beeldt Pinksteren bijgevolg het weghalen van de Bruid duidelijker uit dan enig ander feest. De lijn doortrekkend wordt Pesach - dat zeven weken voorafgaat aan Pinksteren - binnen die context de periode van Gods hofmakerij jegens zijn ‘Vrouw’. Het geestelijke beeld dat daarbij opdoemt is dat van een heilig en getrouw gezin.

Vergelijk Exodus 19:3-6 >>

 

En Mozes klom op tot de God, en toen riep YHWH tot hem van de berg en zei:

“Dit dient gij tot het Huis van Jakob te zeggen en aan de zonen van Israël mee te delen: Jullie hebben zelf gezien wat ik de Egyptenaren gedaan heb, om jullie op arendsvleugels te kunnen dragen en tot mij te brengen. 

Nu dan, indien jullie mijn stem strikt zullen gehoorzamen en mijn Verbond inderdaad zullen onderhouden, dan zullen jullie beslist uit alle volken mijn speciale bezit worden, want de gehele aarde behoort mij toe. En jullie zullen mij een koninkrijk van priesters en een heilige natie worden”.

  

Vergeet ook niet dat Shavuot (Weken) wordt genoemd. Het is zo genoemd om de aard van de datering te weerspiegelen. Het valt altijd zeven weken plus een dag na het offeren van de Omer.

Omdat het gebaseerd is op het tellen van de zeven weken na het feest van de eerste vruchten, is de datum van Pinksteren vastgelegd. Toen de Joodse kalender nog gebaseerd was op het visueel markeren van het verschijnen van de nieuwe maan, kon Pinksteren op de vijfde, zesde of zevende dag van Sivan vallen. De uiteindelijke bepaling van de datum zou afhangen van het feit of de maanden van Nisan en Iyar al dan niet volle dertig daagse maanden waren.

Tot op de dag van vandaag, als men de datum van Pinksteren berekent zoals eigenlijk in de Bijbel staat, is de precieze timing ervan altijd iets van een mysterie.

 

Wijziging van het aeon

 

Volgens de rabbijnen begon het aeon van de Wet op Pinksteren. Op die dag werd een hemelse bazuin gehoord op de berg Sinaï. De Joden herinneren zich dit als een tijd waarin hun nationale identiteit een nieuwe richting kreeg. In Ex 19:19 lezen we Het bazuingeschal werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak en God antwoordde hem met een stem.

Overigens lijkt Pinksteren - het grote oogstfeest - op zich het meest mysterieuze van alle Joodse feesten te zijn. De bijbehorende symbolen en metaforen roepen namelijk betekenissen op die veel verder gaan dan alleen het oogsten van graan.

Onder de Joden is dit het feest waarbij het geven van de Thora, oftewel de Wet, gevierd wordt.

Dit was het moment, zeggen zij, dat het Israël van de Uittocht zich verzamelde aan de voet van de berg Sinaï. Daar hoorden zij de eigenlijke stem van God bij het geven van de Tien geboden.

 

De Bijbel zelf lijkt op het eerste gezicht geen duidelijk verband te leggen tussen Sinaï en Pinksteren. Toch is dat verband er wel degelijk; zeker als we de tijd nemen om het gebeuren bij de Sinaï verder te onderzoeken.

Het geestelijke beeld namelijk dat naar voren komt is de oprichting van een trouw en heilig gezin, door de ceremonie van het huwelijk tussen YHWH God en Israël.

Vergelijk Ezechiël, hoofdstuk 16. En ook Lo-Ammi en Lo-Ruchana.

 

Veel Joden zeggen dat dit - de eerste vermelding van een bazuingeschal in Exodus - door de geestelijke leiders van Israël werd beschouwd als een gebeurtenis die zich op de Pinksterdag had voorgedaan. Exodus 19:1 vertelt ons dat een en ander in Sivan, de derde maand, plaatsvond.

 

Bovendien werd er toen niet door een mens op de bazuin geblazen. Gods eigen stem werd gehoord!

Toen hij afdaalde, klonk er een lang en luid bazuingeschal, dat het volk met ontzag en schrik vervulde. Bij die gelegenheid daalde het vuur van Gods heerlijkheid neer en God gaf de Tien Geboden.

 

Hier vinden we de enige hemelse bazuin die in het Hebreeuwse deel van de Bijbel – gewoonlijk aangeduid als het Oude Testament - is opgenomen. De volgende soortgelijke bazuin zou moeten klinken op de dag van de Opname en de opstanding van de Christelijke Gemeente:

 

Want de Heer zelf zal met een bevelend roepen, met een stem van [de] aartsengel en met een bazuin Gods neerdalen vanaf [de] hemel en de doden in Messias zullen eerst opstaan. Daarop zullen wij, de levenden die overblijven, tezamen met hen in wolken worden weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen we altijd met [de] Heer zijn. Blijft elkaar aldus in deze woorden vertroosten (1Th 4).

 

Volgorde der opstandingen

 

Voor de leden van Yeshua’s Gemeentelichaam vertegenwoordigt de Pinksterdag van 33 AD de relatie tussen hen, de Bruidgemeente, en hem, de Bruidegom.

In Eén Korinthe 15 wordt de volgorde der opstandingen vermeld:

 

20  Maar nu, Messias is opgewekt uit doden, eerstelingsgave van hen die ontslapen zijn.

21  Want aangezien dood door een mens [is], [is] ook opstanding van doden door een mens.

22  Want zoals in Adam allen [bezig zijn te] sterven, evenzo zullen in de Messias allen levend gemaakt worden.

23  Maar ieder in de eigen volgorde; eerstelingsgave Messias, vervolgens zij die van de Messias [zijn], in zijn paroesie.

24  Daarna het einde, wanneer hij het koninkrijk overdraagt aan de God en Vader, wanneer hij alle heerschappij en alle macht en kracht tenietdoet.

 

Let op het woord volgorde in vers 23.

Er is een specifieke volgorde in de cyclus der Joodse feesten. Maar ook in die der opstandingen.

Zonder twijfel was Paulus - een Israëliet van de stam Benjamin, geschoold in de Schrift aan de voeten van Gamaliël - zich bewust van de kleinste details van de Joodse kalender. Vandaar dat hij heel precies wist dat, wanneer hij spreekt over Masjiach Yeshua als de eerstelingsgave, de volgende gebeurtenis in die orde Pinksteren is.

 

Uiteraard niet het Pinksterfeest waarop de heilige geest op de Gemeente in wording werd uitgestort, maar een toekomstig Pinksterfeest dat de oogst zou afsluiten: (wellicht) samenvallend met de opstanding van Yeshua’s Gemeente. Immers, Pinksteren is de formele afsluiting van de graanoogst.

Het lijkt er daarom op dat, toen Paulus het woord volgorde gebruikte, hij de lezer wilde attenderen op de orde van de Joodse feestcyclus; waarmee hij dan gesuggereerd zou hebben dat de opstanding op een toekomstig Pinksterfeest zou kunnen plaatsvinden.   

 

Een uitverkoren Bruid uit Moab

 

Velen hebben gezegd dat het boek Ruth het mooiste verhaal in de hele Bijbel is. Ruth was een Heidense vrouw uit Moab die binnen een Hebreeuws gezin trouwde. Hoe kon dat?

In die tijd heerste er namelijk een hongersnood in Israël; de familie van Elimelek hoopte daaraan te ontsnappen door vanuit Bethlehem naar Moab te verhuizen.

Deze gebeurtenissen vonden plaats in de periode dat de rechters het land regeerden ná de dood van Jozua. Het was een tijd van diepe morele en geestelijke achteruitgang (Rt 1:1).

 

Maar Elimelek en ook de beide zonen van Naomi stierven in Moab. Toen zij vernam dat YHWH Elohim weer ‘omzag’ naar zijn volk, koos Naomi ervoor terug te keren naar haar huis in Bethlehem. Bij Ruth drong zij er op aan bij haar eigen volk te blijven, zoals Orpa had gedaan. Maar Ruth toonde zich vast besloten om haar te vergezellen; ja, aan haar zijde te blijven totdat de dood hen scheidde:

 

Dring er bij mij niet op aan je te verlaten door terug te keren van achter jou. Waarheen jij gaat, zal ik gaan en waar jij vernacht zal ik vernachten. Jouw volk is mijn volk en jouw God mijn God.

 

Het was oogsttijd toen zij in Bethlehem aankwamen. Volgens het recht van de armen ging Ruth er in de velden opuit om voedsel te verzamelen door aren te ‘lezen’.

In die periode vond ze gunst bij Boaz, een rijke landeigenaar. Hij stond haar toe om zelfs tussen de schoven van het veld op te lezen.

Nadat Ruth (zinnebeeldig) van Pesach tot Pinksteren (1:22 en 2:23) onder Boaz’ leiding op het veld in de oogst had gearbeid, wilde zij zowaar hemzelf. Hoe kon dat?  Omdat Boaz tot Naomi’s familie behoorde en daarom een losser was!

Een en ander hield voor Ruth - een arme buitenlandse die in Israël niets anders te verwachten had dan een blijvende weduwschap – een geweldige ommekeer in!


Dus ging zij op aanwijzing van Naomi naar de dorsvloer om – zoals in de Joodse traditie wordt geleerd - in de nacht van Pinksteren, het oogstfeest - aan de voeten van Boaz te liggen.

Op het cruciale moment claimde Ruth het zwagerhuwelijk met hem >> Je bent immers Losser!

Boaz erkende haar claim als een naaste bloedverwant die het recht had om dat te doen.

Dat bleek de volgende morgen toen de ‘zaak’ in de poort van de stad, in de tegenwoordigheid van de Oudsten, werd beslecht.

Na verenigd te zijn in het huwelijk baarde zij Boaz een zoon, Obed, de grootvader van David, de koning.

 

Het boek Ruth is dan ook het verhaal geworden van een Heidense bruid in een vreemd land, die begon met alleen haar geloof. Maar met haar hele ‘story’ voerde ze een profetisch beeld op van de Heidense Bruid van Christus, zijn Gemeente.

In de Pinksternacht kwam zij naar de dorsvloer en ging aan de voeten van Boaz liggen. Zijn aanvaarding van haar zette een reeks juridische stappen in gang, uitmondend in het huwelijk.

Ruth was Naomi volledig trouw gebleven. Boaz kende haar reputatie als deugdzame vrouw. Hij voltooide haar gerechtigheid in hun huwelijk en maakte haar erfgenaam van de Messiaanse belofte. Een arme vrouw van Moab werd in de lijn van de troon van David gebracht, van waaruit de Messias op een dag over de naties zou regeren.

In 1 Korinthiërs 15 lezen we over de Opname van de Ruthgemeente >> 

51  Zie! Ik vertel jullie een geheimenis: Wij zullen niet allen ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden,

52  in een ondeelbaar moment, in een knippering van [het] oog, bij de laatste bazuin. Want de bazuin zal klinken en de doden zullen onverderfelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.

 

Hierboven - onder het kopje Wijziging van het aeon – vernamen we dat, volgens de rabbijnen, het aeon van de Wet op Pinksteren een aanvang nam, en dat op die dag de hemelse bazuin werd gehoord op de berg Sinaï.  

Vanuit die optie geredeneerd zullen er dus twee bazuinen van hemelse oorsprong zijn: De eerste bij het geven van de Thora op de Sinaï; de tweede bij de Opname van de Gemeente.

 

Het feest van Pinksteren blijkt dus heel wat kenmerken te bezitten die – bij nadere beschouwing – steeds weer de Opname van de Gemeente suggereren. Om nog eens op te sommen:

Het wordt geassocieerd met; of gemarkeerd door >>

-         de oogst;

-          het ten huwelijk nemen van een Heidense bruid;

-         het geven van de Wet;

-         de geboorte van het aeon der Gemeente. 

 

Bijgevolg moet men wel tot de conclusie komen dat Pinksteren in de ogen van God een belangrijk ‘feest’ is.

Zal de Gemeente ten tijde van dat ‘feest’ naar huis worden geroepen?

Uiteraard zullen we dat moeten afwachten! Maar het is op grond van alles wat we over Shavuot hebben vernomen zeker een stimulerende gedachte die we niet buiten beschouwing kunnen laten!

 

Paulus werd ooit naar de hemel overgebracht. Zoals hijzelf beschreef; in 2Kor 12 >>

 

2  Ik ken een mens in Masjiach, veertien jaar geleden – hetzij in een lichaam, ik weet het niet; hetzij buiten het lichaam, ik weet het niet; God weet het – die persoon werd weggerukt tot derde hemel.

3  Zeker, ik ken zulk een mens – hetzij in een lichaam hetzij gescheiden van het lichaam, ik weet het niet, God weet het –

4  dat hij werd weggerukt naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden hoorde, welke het een mens niet geoorloofd is te spreken.

5  Over zo iemand zal ik roemen, maar over mijzelf zal ik niet roemen behalve in de zwakheden.

 

'Weggerukt worden’ is de gezegende hoop van alle christenen. De Schrift maakt heel duidelijk dat dit onze bestemming is. De taal van 1 Thessalonicenzen 4 lijkt veel op de voorgaande passage:

 

15  Want dit zeggen wij jullie op gezag van een woord van [de] Heer: wij, de levenden, die overblijven tot in de paroesie van de Heer, zullen de ontslapenen beslist niet voorgaan.

16  Want de Heer zelf zal met een bevelend roepen, met een stem van [de] aartsengel en met een bazuin Gods neerdalen vanaf [de] hemel en de doden in Messias zullen eerst opstaan.

17  Daarop zullen wij, de levenden die overblijven, tezamen met hen in wolken worden weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen we altijd met [de] Heer zijn.

 

Dát zal de grootste historische gebeurtenis zijn sinds de hemelvaart van de Heer zelf. En het zal zeker de trigger zijn die een steeds meer dramatische reeks oordelen in gang zal zetten.

 

In Paulus Tweede brief aan de Thessalonicenzen heeft hij melding gemaakt van een thans nog beperkende kracht – t.w. de aanwezigheid van het Lichaam van Christus - als de sleutelfactor in de timing van hedendaagse gebeurtenissen. De verwijdering ervan zal de drastische veranderingen opleveren die - volgens Gods Woord - het kwaad in de wereld enorm zal verergeren. Maar ook dat alles slechts als een verdere vervulling van profetie.

 

Met andere woorden, zolang we als Gemeente nog aanwezig en actief zijn, kan de openbaring van de Goddeloze, en ook de goddeloosheid in het algemeen, zich niet ten volle manifesteren.

Het feest van Pinksteren - dat traditioneel de wijziging in aeon van Wet naar Genade markeerde - lijkt bij uitstek geschikt om ook de overgang naar die dramatische Eindtijd gebeurtenissen op gang te brengen! 

 

                                         -.-.-.-