Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

dinsdag 20 juli 2010

De Brief aan de Hebreeën - hoofdstuk 12

Zie ook hoofdstuk:  1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  13 


 
Tοιγαρουν και ημεις, τοσουτον εχοντες περικειμενον ημιν νεφος μαρτυρων, ογκον αποθεμενοι παντα και την ευπεριστατον αμαρτιαν, δι υπομονης τρεχωμεν τον προκειμενον ημιν αγωνα,  


Welaan dan - hebbend zulk een wolk van getuigen die ons omringt; afgelegd hebbend elk gewicht en de zonde die [ons] zo gemakkelijk insluit - laten ook wij de voor ons liggende wedloop met volharding blijven lopen,
Hoofdstuk 11, met de uitvoerige opsomming van de getrouwe mannen en vrouwen die wegens hun geloof op eervolle wijze in Gods woord worden vermeld, is voor de apostel aanleiding om zijn lezers krachtig aan te moedigen ook zelf standvastig te zijn in het geloof, tot het einde toe. Of: Vol te houden tot de finish van de wedloop is bereikt.

De auteur stelt zich de Hebreeën voor als lopend in een renbaan, omringd door een menigte (wolk) van belangstellende toeschouwers die zelf de wedloop al hebben volbracht en nu de laatste generatie met hun kreten aanvuren om te volharden en het tijdens de Grote Verdrukking niet op te geven (
Mt 24:13, 15, 21-22).

Bovendien pakt hij het kernpunt op waarmee de gedachtegang van hoofdstuk 10 eindigde:
Want jullie hebben volharding nodig, opdat jullie, de wil van God gedaan hebbend, de belofte mogen wegdragen. Want nog een zeer korte tijd: 'Hij die komt zal komen en niet uitblijven. Maar mijn rechtvaardige, uit geloof zal hij leven; en indien hij zich terugtrekt heeft mijn ziel geen behagen in hem'. Wij echter zijn niet van terugdeinzen, tot ondergang; maar van geloof, tot behoud van de ziel.
(Hb 10:36-39)

Zoals hij al schreef in Hb 6:9, is de apostel wat de Hebreeën betreft ook nu overtuigd van de betere dingen en van die welke met redding te maken hebben. Zij hebben zich reeds afgewend van de grove dwaling welke de meerderheid van hun Joodse broeders vanaf het begin van het Messiaanse tijdperk tot nu toe heeft gevolgd: De afwijzing van Yeshua als de hun door God gegeven Masjiach.
Die zonde die [de Joden] zo gemakkelijk insluit, hebben zij, tezamen met alle andere belemmerende zaken, reeds afgelegd.
Zij behoren tot de Joodse minderheid die in de Eindtijd beantwoordt aan het primaire doel van de 70ste Jaarweek: Ondermeer om een einde te maken aan DE overtreding, de eerste van de zes punten die in 
Dn 9:24 worden vermeld.

Maar dat zal niet zonder slag of stoot gebeuren. Hun Joodse 'broeders' die in grote euforie voor de valse Antimasjiach zullen kiezen, zullen het de leden van het Overblijfsel bijzonder moeilijk maken. En naast die druk zal de Antimasjiach, alias 'de verwoestende gruwel', ook zelf zéér dreigend tegen hen optreden, ja, hen ten dode toe vervolgen.
Geen wonder danook dat zij in die kritiekste periode van hun leven de aanmoediging van de grote 'wolk' bijzonder goed zullen kunnen gebruiken. De geloofsmoed van de vroegere Getrouwen is in hoofdstuk 11 kennelijk specifiek beschreven om als een bron van geloofskracht te dienen voor de Eindtijdgeneratie.

αφορωντες εις τον της πιστεως αρχηγον και τελειωτην Ιησουν, ος αντι της προκειμενης αυτω χαρας υπεμεινεν σταυρον αισχυνης καταφρονησας, εν δεξια τε του θρονου του θεου κεκαθικεν.

het oog gericht houdend op Yeshua, de Bewerker en Voltooier van het geloof, die wegens de voor hem in het verschiet liggende vreugde een martelpaal verduurde, schande verachtend, en plaats heeft genomen aan de rechterzijde van de troon Gods.
Hoewel de 'Ouden' van vroeger voorbeelden van geloof waren en daardoor een bron van inspiratie en aanmoediging, moeten de gelovigen van het Messiaanse tijdperk toch bovenal het oog gevestigd houden op Yeshua. Hij is niet alleen de αρχηγος [stichter; grondlegger; bewerker], maar ook de τελειωτης [Voleinder; Voltooier] van het geloof van elk lid van het Israël Gods.

Na een eerste blik gericht te hebben op de 'meelevende' toeschouwers in de arena, moeten zij vervolgens slechts Yeshua in het oog houden, hij die hen vooruit is gegaan op deze weg, de Voorloper (Hb 6:2010:20).
Hijzelf begon en voltooide de hele loopbaan van geloof waardoor hij, thans gezeten aan Gods rechterzijde, voor de Hebreeën het toonbeeld van geloof is geworden. Voor het Overblijfsel van de 70ste Jaarweek is danook speciaal de aanmoediging van Op 3:21 bedoeld: 
Hem die overwint zal ik geven om met mij op mijn troon plaats te nemen, gelijk ook ik heb overwonnen en met mijn Vader heb plaats genomen op zijn troon. Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt.

Hun Masjiach heeft het meest inspirerende voorbeeld van geloof tot hun baat achtergelaten. Hij behaalde zijn persoonlijke geloofsoverwinning, niet alleen door de zeer pijnlijke dood aan een martelpaal te ondergaan, maar ook door de schande die daarmee gepaard ging voor lief te nemen. Volgens de Wet was immers een ieder die aan een paal was gehangen, een vervloekte door God (
Dt 21:23Gl 3:13).

En waarom verduurde de Masjiach dat alles? Wegens de voor hem in het verschiet liggende vreugde. Waarop doelt de apostel?
Verschillende interpretaties zijn geopperd. Met een verwijzing naar Jh 17:5 menen sommigen dat Yeshua de martelpaal verduurde om zich opnieuw in de heerlijkheid te kunnen verheugen die hij ook al in zijn pre-existentie naast de Vader bezat.

Of zelfs meer dan dat, zoals volgens Fp 2:8-11 hem ook werkelijk ten deel is gevallen:

Gehoorzaam geworden tot de dood, ja, de dood der martelpaal. Daarom ook verhief God hem hoog en gaf hem goedgunstig de naam die boven elke naam is, opdat in de naam van Yeshua elke knie zich zou buigen van hen die in de hemel en van hen die op de aarde en van hen die onderaards zijn, en elke tong openlijk zou belijden dat Yeshua Masjiach Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader.

Zelf zijn we van mening dat we vooral moeten denken aan de betekenis, de waarde, van de martelpaal zélf. Dat Yeshua het lijden van dat martelwerktuig verduurde zal een ongekend grootse uitwerking op de zieke, Adamitische mensheid hebben. De effecten zullen groots zijn, de mensheid zal daardoor genezing en andere grote zegeningen ten deel vallen.
Yeshua had voor ogen dat door zijn offerdood Jesaja 9 in hem vervuld zal worden:

Een kind is ons geboren, 
een zoon is ons gegeven; 
de heerschappij rust op zijn schouders. 
Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman, 
Goddelijke held, 
Eeuwige vader, Vredevorst.

Als vader van het mensdom schoot de oorspronkelijke Adam schromelijk tekort. In plaats van blijvend leven erfden wij allen een dodelijk oordeel van hem. Door het verduren van de martelpaal wordt Yeshua een betere vader voor de mensheid, een ware Adam (
1Ko 15:45Rm 5:12, 18-19).

Bovendien moeten we de context in gedachte houden.
Na erop gewezen te hebben dat Yeshua wegens de voor hem in het verschiet liggende vreugde een martelpaal verduurde, laat de apostel ons onmiddellijk daarop weten dat de Heer aan de rechterzijde van de troon Gods is gaan zitten.

En die uitspraak herinnert ons opniuew - zoals vaker het geval was in deze Brief - aan Psalm 110, en dan vooral aan vers 4: Masjiach de Heer zal op grond van Gods eedzwering in zijn Millenniumrijk als Koning-priester dienen naar de orde van Melchizedek. 

In die hoedanigheid zal het hem ongetwijfeld grote vreugde schenken om de zieke mensheid op te heffen uit haar huidige deplorabele situatie. Haar te bevrijden van haar slavernij aan het verderf, zodat zij zich kan verheugen in de glorierijke vrijheid die voor kinderen Gods passend is (Rm 8:19-22).
Daarmee zal tevens de naam van zijn Vader God die door de Vijand met veel smaad is overladen, volkomen gezuiverd zijn. Nóg een grote reden tot vreugde (
Sp 27:11).

αναλογισασθε γαρ τον τοιαυτην υπομεμενηκοτα υπο των αμαρτωλων εις εαυτον αντιλογιαν, ινα μη καμητε ταις ψυχαις υμων εκλυομενοι.

Want let scherp op hem die zulk een tegenspraak door de zondaars tegen hemzelf heeft verduurd, opdat jullie niet moe worden, in jullie zielen bezwijkend.
Het werkwoord αναλογιζομαι, dat alleen hier in het NT voorkomt, schijnt door de apostel zorgvuldig gekozen te zijn.
Het duidt op overdenken; vergelijkend overwegen van een zaak.
Scherp opletten daarom.
Waarom doen de Hebreeën er goed aan om stil te staan bij en op de juiste waarde te schatten van alles wat Yeshua aan tegenstand van zijn eigen volksgenoten heeft ondervonden? Omdat zij van die zijde precies dezelfde dingen kunnen verwachten, speciaal in de Eindfase van het goddeloze aeon.

Yeshua werd niet alleen voortdurend tegengesproken in de leringen die hij zijn broeders voorhield. De vijandige tegenstand die de Joden hem boden, met name hun religieuze Elite, ging veel verder dan zijn onderwijs.
Hun hardnekkig verzet was vooral gericht tegen de persoon die hij was, specifiek tegen datgene wat hij beleed te zijn en wat ook andere, nederige en leergierige mensen over hem beweerden: De langverwachte zoon van David, de van Godswege verschafte Masjiach.

Om die reden is tegen hemzelf, ná reeds tegenspraak vermeld te hebben, niet overbodig.
Yeshua ervoer in persoon precies datgene wat de bejaarde Simeon over hem had gezegd tot Jozef en Maria bij de aanbieding in de tempel: Zie! Deze wordt gelegd tot een val en opstaan van velen in Israël en tot een teken dat weersproken wordt…, opdat de overwegingen uit vele harten blootgelegd worden (Lk 2:34-35).
Zie: Simeon

De 'tegenspraak' verwijst naar de volledige afwijzing van Yeshua's persoon en prediking als gezondene Gods. Niet slechts naar de momenten van spot en hoon zoals hij bijvoorbeeld ervoer voor de Hogepriester Kajafas (Mt 26:59-68).

De weerstand die zijn religieuze vijanden hem boden wordt aangeduid als zulk een tegenspraak door de zondaars tegen hemzelf omdat ze zulk een boosaardig karakter droeg en tenslotte zelfs uitliep op moord. Zij wilden hem beslist niet als hun Masjiach; over de toekomstige zoon van David hadden zij geheel andere ideeën en verwachtingen.
Maar hij moest ook uit de weg geruimd worden omdat hij onomwonden hun slechte praktijken aan de kaak stelde en hun religieuze huichelarij ontmaskerde (Jh 19:15).

Precies als hun Masjiach zullen ook de leden van het Joodse Overblijfsel in persoon van de zijde der 'vrome' Joden bittere vijandschap ondervinden. Die zogenaamde broeders zullen het tot het einde toe volkomen verwerpelijk achten dat ook maar iemand van hun ras zich vereenzelvigt met Jeshua. Zij haten niet alleen hem maar ook elke rasgenoot die hem als de ware Masjiach, Gods Zoon, erkent en openlijk belijdt (Js 66:5).

Juist daarom moet het Overblijfsel Yeshua voor de geest houden en overwegen hoe zijn reactie was op alle vijandschap en tegenstand, anders zullen zij moe worden en in hun zielen, het centrale punt waar de kracht zetelt, bezwijken.

Oυπω μεχρις αιματος αντικατεστητε προς την αμαρτιαν ανταγωνιζομενοι, 

Jullie boden nog niet tot bloedens toe weerstand in de strijd tegen de zonde, 
In het vorige vers (3) was sprake van de tegenspraak der zondaren tegen hun Masjiach als uitdrukking van hun vijandschap tegen hem persoonlijk, iets wat de Joodse Rest van de Eindtijd evenzo van de kant van hun 'broeders' kunnen verwachten.
In verband daarmee hebben zij een strijd te voeren tegen de zonde, hier aangeduid als een worsteling. Het beeld van de wedloop maakt daardoor plaats voor dat van het worstelstrijdperk, de vuistkamp. Vergelijk 1Ko 9:26.

De zonde heeft hier, evenals in vers 1, geen betrekking op zonde in algemene zin.
Het gebruik van het lidwoord duidt op een specifieke zonde; de apostel zinspeelt daarom geenszins op de leer der erfzonde. Hij richt zich veeleer in pastorale zin tot zijn Joodse broeders met wie het Nieuwe Verbond zal worden gesloten en die vanwege de grote druk die op hen zal worden uitgeoefend, gevaar lopen om mee te gaan met de vele Joden die hardnekkig zullen (blijven) ontkennen dat 

a.
 Yeshua de Middelaar is van dat Verbond;
b. het Verbond gesloten wordt op basis van zijn vergoten bloed;
c. hij de Messiaanse Koning-hogepriester is die toeziet op de toediening van de effecten van het Verbond.

De zozeer gekenmerkte zonde houdt daarom voor het uitverkoren volk van God niets meer en niets minder dan afvalin. Als dragers van de Belofte die YHWH Elohim aan hun voorvader Abraham heeft gedaan, komt de afvalligheid tot uitdrukking in het blijk geven van ongeloof in hun voornaamste broeder, Yeshua de Masjiach, in wie de Belofte in de eerste plaats in vervulling gaat. Zoals de apostel ook in Gl 3:16 schreef:

Tot Abraham nu werden de beloften gesproken en tot zijn zaad. Er staat niet: 'En tot de zaden', als betrekking hebbend op velen; maar als op één: 'En tot jouw zaad'; dat is Masjiach.

Eerder in onze Brief waarschuwde hij voor de zeer ernstige gevolgen van die afvalligheid: De specifieke, moedwillige zonde van een ongelovig afwijzen van al die grootse dingen die God zijn volk in MasjiachYeshua, onder het Nieuwe Verbond, aanbiedt (Hb 6:4-810:26-31).

Hoewel de lezers volgens 
Hb 10:32-34 al vormen van lijden te verduren kregen, hebben zij blijkbaar nog geen bloedige vervolging ervaren en dus nog niet tot bloedens toe weerstand hoeven te bieden.

De vermelding van bloed herinnert vanzelfsprekend aan het vergoten bloed van de Bewerker en Voltooier van het geloof, Yeshua, op wie zij scherp het oog gericht moeten houden.
Maar het nog niet duidt ontegenzeggelijk op naderend gevaar; er kan niet verwacht worden dat de betrekkelijk rustige toestand zal voortduren.

Zoals reeds meerdere malen aangegeven, weten we uit de Openbaring dat de levens van het Overblijfsel ernstig bedreigd zullen worden door de Antichrist en zijn (vooral Joodse) aanhang. De Joodse Rest kan echter moed putten uit het feit dat Yeshua heeft aangegeven dat God grenzen heeft gesteld aan de uitingen van demonische en menselijke woede:

Ik nu zeg jullie, mijn vrienden: Wordt niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en daarna niets méér kunnen doen. Maar ik zal jullie duidelijk maken wie jullie moeten vrezen: Wordt bevreesd voor Hem die, na gedood te hebben, macht heeft om in de Gehenna te werpen. Ja, ik zeg jullie, wordt bevreesd voor Deze.
Worden niet vijf mussen verkocht voor twee muntjes? En niet één van hen is vergeten voor Gods gezicht. Maar ook de haren van jullie hoofd zijn alle geteld. Weest niet bevreesd; jullie gaan vele mussen te boven.
(Lk 12:4-7)

In het uiterste geval kunnen de Antichristelijke vijanden het lichaam doden. Maar zij zullen niet kunnen verhinderen dat YHWH Elohim Op 20:4, 6 aan hen vervult:

En ik zag tronen en zij namen daarop plaats, en hun werd rechterlijk oordeel verleend. Alsook de zielen van hen die onthoofd waren wegens het getuigenis van Yeshua en wegens het woord van God en die noch het Beest noch zijn Beeld aanbaden en die het kenteken niet op het voorhoofd en op hun hand ontvingen. En zij kwamen tot leven en heersten als koningen met de Masjiach duizend jaren… Dit [is] de eerste opstanding.
Gelukkig en heilig hij die deel heeft aan de Eerste opstanding.
Over dezen heeft de tweede Dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van de Masjiach zijn en zij zullen de duizend jaren met hem als koningen heersen.

και εκλελησθε της παρακλησεως ητις υμιν ως υιοις διαλεγεται,
Υιε μου, μη ολιγωρει παιδειας κυριου, 
μηδε εκλυου υπ αυτου ελεγχομενος∙ 
ον γαρ αγαπα κυριος παιδευει, 
μαστιγοι δε παντα υιον ον παραδεχεται. 

5-6 
en zijn jullie [soms] de vermaning vergeten die met jullie als zonen redeneert: 
Mijn zoon, acht strenge vorming van de Heer niet gering; 
bezwijk ook niet wanneer jullie door hem worden terechtgewezen; 
want hem die de Heer liefheeft, onderricht hij streng; 
ja, hij geselt iedere zoon die hij verwelkomt
.
Vanaf hier verklaart de auteur uitvoerig waarom de Hebreeën niet om lijden en ontberingen heen kunnen. Dat zij die zeker te verduren krijgen dient namelijk een doel: Ze hebben waarde en betekenis in Gods opvoedende vorming van hen.
De apostel bedient zich van de term παιδεια en het verwante werkwoord παιδευω in verband met YHWH Elohim, Die - als een liefhebbende Vader - iedere zoon van hem zodanig opleidt dat hij binnen zijn voornemen om de mensheid door het zaad van Abraham te zegenen, doeltreffend en tot Gods eer kan functioneren.

Zijn jullie de vermaning vergeten…
Wij geven er de voorkeur aan de frase in vragende vorm weer te geven en niet in de vorm van beschuldiging. Het laatste vond immers in zekere zin al eerder plaats toen de apostel in Hb 5:11-12 vaststelde waarom het moeilijk was om aan de Hebreeën de bijzonderheden van Yeshua’s hogepriesterschap te verklaren, de nieuwe Hogepriester die niet zal optreden naar de orde van Aäron maar naar die van Melchizedek:

Over hem hebben wij veel te zeggen en het is moeilijk uit te leggen, aangezien jullie traag zijn geworden in het horen. Immers, terwijl jullie gezien de tijd leraren behoren te zijn, hebben jullie weer nodig dat iemand jullie de eerste beginselen van de uitspraken Gods onderwijst, en jullie zijn geworden als zij die melk nodig hebben, geen vast voedsel.
Tot nu toe heeft etnisch Israël nauwelijks gehoor gegeven aan haar oorspronkelijke roeping zoals die bij de Sinaï werd geformuleerd. Israël werd toen door YHWH tot een uitverkoren Volk gemaakt.
Zeker! Maar wel met een uitgesproken doel: Om tot zegen te worden van de Gojim, de Heidenvolken. Als een koninkrijk van priesters is het hun roeping de onwetenden en dwalenden in een geest van grote tegemoetkoming grondig te informeren over de ware God, de Schepper van hemel en aarde.

Juist met het oog daarop sprak God in de Oudheid veelvuldig en op veel manieren tot de vaders door tussenkomst van de profeten.
Als enig volk op aarde werden zij begunstigd met Gods uitspraken (Ex 19:5-6Hb 1:1Ps 147:19-20Rm 3:1-4).

Door eigen nalatigheid zijn zij echter van die heilige uitspraken Gods vervreemd geraakt. Door eeuwenlange overdreven aandacht voor de niet door God geïnspireerde Talmoedische leringen is het nu zo ver met hen gekomen dat zij opnieuw vertrouwd gemaakt moeten worden met de eerste beginselen van de uitspraken Gods (
Mt 15:7-14).

Gezien die situatie hoeft het ons niet te bevreemden dat de apostel er vanuit gaat dat zijn lezers niet stilstaan bij de opwekkende vermaning van Sp 3:11. Bijgevolg ontgaat hen ook de diepe betekenis welke dat Schriftdeel voor juist hen bevat. En dat is wat hen betreft beslist een kwalijke zaak. Waarom?
Yeshua wist waarom hij leed. Hij verduurde een smadelijke dood omdat hem helder voor de geest stond hoe daardoor Gods voornemen op vele manieren gediend zou worden. Hij wist hoe de Schriften op hem betrekking hadden, zoals bijvoorbeeld in het tevoren opgetekende 'Lijdensevangelie' van Jesaja, hoofdstuk 53.

Uit verdrukking en gericht werd hij weggenomen. Wie zal zich ook maar met zijn geslacht bezighouden? Want hij werd afgesneden uit het land der levenden. Wegens de overtreding van mijn Volk was de plaag op hem. Men stelde zijn graf zelfs bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood,  ondanks het feit dat hij geen onrecht had gedaan en er geen bedrog in zijn mond was. Maar het behaagde YHWH hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneet hij zijn ziel tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nageslacht zien. Hij zal zijn dagen verlengen, en het welbehagen van YHWH zal door zijn hand voortgang hebben.
 (Js 53:8-10).

Maar wanneer de Hebreeën onbekend blijven met datgene wat de Schrift over het doel van het voor hén bestemde lijden zegt, kunnen zij er gemakkelijk voor terugschrikken om ook zelf tot bloedens toe weerstand te bieden
Het citaat uit Spreuken is weer ontleend aan de Septuagint. De vermanende opwekking welke daarin is vervat richt zich tot hen als zonen. Ja, de Vader, God, spreekt elk van zijn zonen afzonderlijk toe. Volgens de M-tekst:
De terechtwijzing van YHWH, mijn zoon, moet gij niet versmaden en gij moet om zijn kastijding niet neerslachtig worden, want YHWH kastijdt die Hij liefheeft, zoals een vader doet met zijn geliefde zoon (Sp 3:11-12).

Uit een vergelijking met de boodschap aan Laodicea in Openbaring 3, wordt ons duidelijk dat YHWHs zonen, de Hebreeën, die strenge vorming door tussenkomst van zijn voornaamste Zoon zullen ontvangen, en wel in de Dag die hem toebehoort (
Op 1:9-11). Tot hen sprekend in de trant van zijn Vader, wekt ook de Zoon hen op gehoor te geven aan zijn opvoedende correctie:
Allen voor wie ik genegenheid koester wijs ik terecht en onderricht ik streng; wees daarom ijverig en kom tot inkeer.
Zie! Ik sta aan de deur en ik klop; indien iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik bij hem binnenkomen en met hem dineren en hij met mij. Hem die overwint zal ik geven om met mij op mijn troon plaats te nemen, gelijk ook ik heb overwonnen en met mijn Vader heb plaats genomen op zijn troon. Laat hij die oren heeft luisteren naar wat de geest tot de gemeenten zegt.
(Op 3:19-22)

De Zoon die uit genegenheid zijn Joodse broeders in de Eindtijd streng onderricht zodat zij door alle verdrukkingen heen geschikt worden gemaakt voor hun dienende taak in het Millennium, werd in het Bijbelboek Job voorschaduwd door het optreden van Elihu, de zoon van Baracheël.
Nadat hij geduldig had toegehoord hoe Job zich in zijn intens lijden verdedigde tegen de misplaatste beschuldigingen van de drie 'vrienden', Elifaz, Bildad en Zofar - zij die in het tegenbeeld binnen de christenheid beschuldigend de vinger opheffen tegen het lijdende Israël - ging Elihu ertoe over Job te corrigeren aangezien hij zijn eigen ziel meer rechtvaardigde dan God (
Jb 32:1-2).

Zie ook de vermanende woorden die hij liefdevol tot de gekwelde Job richtte in Job 33:1-14.

Nadat hij ten aanhoren van Job Gods gerechtigheid en diens wegen had gerechtvaardigd, toonde Elihu voorts aan dat het Gods knecht Job [lees: Gods uitverkoren volk Israël] op jammerlijke wijze aan de juiste kennis omtrent God ontbrak, reden waarom hij zo onevenwichtig handelde en sprak. Vervolgens liet ook YHWH zelf, sprekend vanuit de storm, krachtig uitkomen hoe onwetend Job wel was, waarop deze nederig beleed dat hij voor zijn beurt had gesproken:
Job antwoordde: Ik weet dat u alles vermag, geen plan is voor u onmogelijk.
[U vroeg]: Wie durft er zonder kennis van zaken te spreken?  Ik sprak over zaken waar ik geen verstand van heb, wonderbaarlijke dingen die ik niet kan begrijpen (Job 42).

Want hem die de Heer liefheeft, onderricht hij streng; ja, hij geselt iedere zoon die hij verwelkomt…
De apostel gebruikt de werkwoorden streng onderrichten [παιδευω] en geselen [μαστιγοωmet de zweep slaan] nagenoeg als synoniemen, zodat de zin wordt opvoeden door tucht.
In de gehele beschouwing die hierna volgt vormt die dubbele betekenis de kern van het betoog. De tuchtiging die van God afkomstig is door tussenkomst van zijn Zoon, is bedoeld als opvoeding tot heiligheid (vers 10) en rechtvaardigheid (vers 11).

Gezien dat wenselijke einddoel moet deze vorm van 'opvoeding' eigenlijk zeer gewaardeerd worden door de Hebreeën; zij moeten er zeker niet onder bezwijken. Ze is afkomstig van de liefdevolle Vader God en zó handelt hij ten aanzien van hen die Hij als zijn zonen erkent, of aanvaardt; aanneemt; verwelkomt [manieren waarop het werkwoord παραδεχομαι kan worden weergegeven].

In dit opzicht pakt God zaken aan zoals elke goede menselijke vader: Wie zijn roede spaart, haat zijn zoon; maar wie hem liefheeft, tuchtigt hem reeds vroeg (Sp 13:24). Doch vergelijk ook Js 28:23-29 om na te gaan hoe God een maat stelt aan tuchtiging.       
 
εις παιδειαν υπομενετε∙ ως υιοις υμιν προσφερεται ο θεος∙ τις γαρ υιος ον ου παιδευει πατηρ; ει δε χωρις εστε παιδειας ης μετοχοι γεγονασιν παντες, αρα νοθοι και ουχ υιοι εστε.

7-8 
Met het oog op strenge vorming moeten jullie verduren. God gaat met jullie om als zonen, want welke zoon wordt niet door een vader streng onderricht? Maar indien jullie zonder [de] strenge vorming zijn waarvan allen deelgenoten zijn geworden, zijn jullie in werkelijkheid onwettige kinderen en geen zonen.
God neemt zijn vaderschap serieus en daarom vormt hij zijn zonen volgens een bij hem tevoren bekend patroon en doel. Het is een wijze van opvoeding welke hen die er deel aan krijgen, geschikt maakt om de voor hen bestemde taken binnen de Koninklijke priesterschap naar Gods wensen te vervullen. Bepaalde vormen van lijden en het ondergaan van vervolgingen zullen bijna onvermijdelijk deel uit maken van die opleiding.

In de Eerste Petrus' Brief – een Bijbelboek dat eveneens gericht is op de Joodse situatie in de Eindtijd - zijn die verbanden onmiskenbaar. Vandaar dat wij hieronder cruciale gedeelten uit die Brief laten volgen:
Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Yeshua Masjiach, die naar zijn grote barmhartigheid ons wederverwekt heeft, tot een levende hoop, door [de] opstanding van Yeshua Masjiach uit [de] doden, tot een onvergankelijke en onbevlekte en onverwelkbare erfenis, bewaard in de hemelen voor jullie, die in Gods kracht behoed worden door geloof, tot een redding gereedgemaakt om in [de] laatste tijdsperiode geopenbaard te worden. Daarin verheugen jullie je zeer, hoewel jullie thans voor een korte tijd, indien nodig, bedroefd worden door allerlei beproevingen, opdat de beproefdheid van jullie geloof - veel kostbaarder dan van goud dat vergaat, ook al wordt het door vuur beproefd - tot lof en heerlijkheid en eer wordt bevonden in de openbaring van Yeshua Masjiach (1:3-7)... 

Bedroefd worden door allerlei beproevingen wordt door de apostel Petrus gesitueerd in de context van de laatste tijdsperiode.
De korte tijd wijst daarom op de 'Grote Verdrukking' die niet langer dan 3½ tijd, of 1260 dagen, mag duren daar anders geen vlees gered zou worden. Daarom zullen die dagen ter wille van de uitverkorenen worden verkort (Dn 7:2512:1, 7Mt 24:21-22Op 7:13-14).

Want hiertoe werden jullie geroepen, daar ook [de] Masjiach voor jullie geleden heeft, jullie een voorbeeld nalatend, opdat jullie in zijn voetstappen zouden navolgen; die geen zonde heeft begaan; noch werd er bedrog in zijn mond gevonden. Die, als hij werd beschimpt niet terugschimpte, als hij leed niet dreigde, maar zich overgaf aan hem die rechtvaardig oordeelt (2:21-23)… 
De Hebreeën die de Masjiach belijden, zijn evenals hij tot lijden geroepen.
Het lijden van het Joodse volk - een zaak die voor velen van hen moeilijk te accepteren is gebleken - is om die reden helemaal niet iets toevalligs.
Integendeel, Israëls lijden werd in het leven van de man Job te voren verbeeld; precies zoals hij fungeert ook het gelovige Israël als Elohims Knecht (Ebed YHWH). Van die Knechtnatie is de Masjiach het voornaamste lid en niet slechts hij maar ook de gehele natie is tot lijden geroepen; in de termen van Leviticus 16: Om de zondebok voor de gehele wereld te zijn. 
Zie: Mijn knecht Job

Vergelijk ook Hb 2:10 en 5:8-9 als men zich een idee wil vormen betreffende het doel dat YHWH voorheeft met dat lijden. Zoals met hun Koning-hogepriester het geval was, worden ook alle andere leden van de Koninklijke priesterschap door lijden voor hun bijzondere taak geschikt gemaakt (Hb 2:17).
Het getrouwe deel van Israël dat alsnog tot berouw en geloof in de Masjiach zal komen, zal het vergaan als de berouwvolle Job. Nadat hij tot inkeer was gekomen in stof en as werd Job in zijn vroegere waardigheid hersteld en kreeg hij van YHWH de toewijzing om als priester op te treden voor zijn drie metgezellen die God verkeerd hadden voorgesteld. Zie 
Job 42:6-10en Zf 3:20

Langs die moeilijke en pijnlijke Jobsweg kan Israël in het Millennium niet alleen tot zegen voor de natiën worden, maar ook tot een toets. Zullen de mensen der natiën die in de loop van het Millennium worden opgewekt om voor de Grote Witte Troon van oordeel te verschijnen de leiding van die koningen en priesters gewillig volgen, óf zullen zij zich in opstand tegen hen keren en hen misschien wel verachten?
Uit onder meer Gn 12:1-3Js 65:2066:22-24Op 20:11-15 en Op 20:7-10 kan afgeleid worden dat dit belangrijke criteria zijn die bepalend zullen zijn voor de wijze waarop het oordeel uitvalt. 

Al bij zijn roeping van Abraham liet God die patriarch weten dat zijn zaad de toetssteen zou worden waarop mensen geoordeeld zouden worden. Hun reactie op Abraham en diens zaad zou bepalend zijn of hun in de toekomst, maar vooral in het Millennium, werkelijk zegen ten deel zou vallen: Ik zal zegenen die u zegent, vervloeken die u vervloekt. En in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

Maar mochten jullie ook lijden terwille van rechtvaardigheid, gelukkig [zijn jullie]. Maar hún vrees moeten jullie niet vrezen noch in beroering geraken, maar heiligt [de] Heer, de Masjiach, in jullie harten, altijd bereid tot verdediging tegenover een ieder die jullie rekenschap vraagt van de hoop die in jullie is, maar met zachtmoedigheid en achting, een goed geweten behoudend, opdat zij, waarin zij kwaad van jullie spreken - zij die jullie goede levenswandel in [de] Masjiach smaden - beschaamd mogen worden.
Want [het is] beter, als de wil van God het wil, door goeddoen te lijden dan door kwaaddoen.
Daar ook [de] Masjiach eens voor altijd betreffende zonden is gestorven, een rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat hij jullie tot God zou leiden. Weliswaar ter dood gebracht in vlees maar levend gemaakt in geest (3:14-18)… 
Daar [de] Masjiach dan in [het] vlees heeft geleden, moeten ook jullie je met dezelfde gezindheid wapenen; want wie in [het] vlees heeft geleden, is gestopt met zonde, om de overgebleven tijd in [het] vlees niet meer te besteden aan begeerten der mensen, maar aan [de] wil van God (4:1-2)… 
Geliefden, laat het [louterend] vuur onder jullie dat tot jullie beproeving geschiedt, jullie niet bevreemden alsof jullie iets vreemds overkomt; maar naarmate jullie deel hebben aan het lijden van de Masjiach, verheugt je, opdat jullie je ook jubelend mogen verheugen bij de openbaring van zijn heerlijkheid. Indien jullie in de naam van [de] Masjiach worden gesmaad, gelukkigomdat de geest der heerlijkheid, ja, die van God op jullie rust.

Want laat niemand van jullie lijden als moordenaar of dief of kwaaddoener of als iemand die zich in andermans zaken mengt. Indien echter als volgeling van de Masjiach, [dan] moet hij zich niet schamen, maar God verheerlijken in deze naam. Het is namelijk de tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; indien echter eerst bij ons, wat [is dan] het einde van hen die Gods Evangelie ongehoorzaam zijn? En indien de rechtvaardige ternauwernood wordt gered, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen?
Laten daarom ook zij die naar de wil van God lijden, de zielen toevertrouwen aan een getrouwe Schepper door het goede te doen (4:12-19)… 
Weest nuchter, waakt! Jullie tegenpartij, de Duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek [om] te verslinden. Weerstaat hem, standvastig in het geloof, wetend dat hetzelfde lijden aan jullie broederschap in de wereld wordt voltrokken. Maar de God van alle liefderijke gunst, die jullie heeft geroepen tot zijn eeuwige heerlijkheid in [de] Masjiach, hijzelf zal jullie - nadat jullie een korte tijd hebben geleden - volledig maken, bevestigen, sterken (5:8-10).
Zoals in onze Brief het geval is komt dus ook in de Brief van Petrus krachtig tot uitdrukking dat

● Bepaalde vormen van lijden en het ondergaan van vervolgingen onvermijdelijk deel uit maken van de opleiding van de Koninklijke priesterschap.

● Dit lijden geschiedt in navolging van de Masjiach zelf, de Koning-hogepriester en de voornaamste onder Gods zonen. Door zich gewillig aan die vormende opleiding van zijn Vader te onderwerpen, gaf hij zijn Joodse broeders een uitstekend voorbeeld om zichzelf niet te beklagen: Die, als hij werd beschimpt niet terugschimpte, als hij leed niet dreigde, maar zich overgaf aan hem die rechtvaardig oordeelt.

Door het feit dat zij in dit alles de voetstappen van hun Masjiach mogen drukken, krijgen zij van Godswege het bewijs dat zij ware zonen zijn. Bastaards worden niet getuchtigd omdat hun vaders óf onbekend zijn óf zich niets aan hen gelegen laten liggen. Maar zulke onwettige kinderen hebben dan ook geen enkel deel aan de erfenis: 

Opdat jullie niet traag worden maar navolgers van hen die door geloof en geduld de beloften beërven… Daarom stelde God, toen hij aan de erfgenamen van de Belofte de onveranderlijkheid van zijn raad overvloediger wilde bewijzen, zich borg met een eed… En daarom is hij Middelaar van een Nieuw Verbond, opdat - nu er een dood plaats vond tot verlossing van de overtredingen onder het eerste Verbond - de geroepenen de Belofte van de eeuwige erfenis zouden ontvangen (Hb 6:12, 17; 9:15).

ειτα τους μεν της σαρκος ημων πατερας ειχομεν παιδευτας και ενετρεπομεθα∙ ου πολυ [δε] μαλλον υποταγησομεθα τω πατρι των πνευματων και ζησομεν; 

Daar komt dan nog bij dat wij de vaders van ons vlees als opvoeders plachten te hebben en wij eerbiedigden [hen] steeds. Zullen wij ons dan niet veel meer aan de Vader der geesten onderwerpen en leven?
De tegenstelling spreekt voor zich: Aan onze aardse vaders danken wij ons lichamelijk bestaan, maar aan God ons innerlijk levensbeginsel.
In de uitdrukking de Vader der geesten, doelt de apostel met geest in de eerste plaats op het natuurlijke levensbeginsel dat alleen God kon geven.

Toen Hij de eerste mens schiep vormde hij hem uit het stof van de aardbodem en blies in zijn neusgaten de adem des levens, waardoor hij de mens zijn geest, het levensbeginsel, meedeelde.
Bijgevolg werd de mens tot een levende ziel (Gn 2:7). 
Vandaar dat wij ook het volgende lezen: Neemt gij hun geest weg, zij blazen de laatste adem uit… Zendt gij uw geest uit, zij worden geschapen (Ps 104:29-30). Dan keert het stof terug tot de aarde… en de geest keert terug tot God die hem gegeven heeft (Pr 12:7).

De apostel heeft de term de vader der geesten kennelijk aan Nm 16:22 en 27:16 ontleend, alwaar over YHWH wordt gesproken als God der geesten van alle vlees. De LXX onderscheidt zich door: God der geesten en van alle vlees, waardoor het idee wordt gewekt dat God Degene is die aan alle hemelse en aardse wezens bestaan geeft.

En inderdaad, óók de dieren hebben van God de geest als levensbeginsel ontvangen: Want het lot der mensenzonen is gelijk het lot der dieren, en zij hebben dezelfde afloop. Zoals de één sterft, zo sterft de ander. Zij allen hebben slechts één geest, zodat de mens niets voor heeft boven het dier (Pr 3:19).

Maar in tegenstelling tot het dier kan de mens een geestelijk leven leiden. Hij is begiftigd met spiritualiteit en daardoor in staat een werkelijke (geestelijke) relatie te hebben met zijn Schepper. God [is] geest en zij die hem aanbidden moeten in geest en waarheid aanbidden (Jh 4:24).

Zullen wij ons dan niet veel meer aan de vader der geesten onderwerpen en leven?
Met de frase veel meer brengt de auteur het contrast tot uitdrukking dat bestaat tussen de aardse vaders en God wat betreft het gewillig gehoor geven aan beider leiding en opvoeding.
Tussen die twee is een diepgaand verschil: De ene opvoeder is de vader van ons vlees, de andere de Vader der geesten. De eerste is tijdelijk, een betrekkelijk korte periode zolang wij kinderen zijn. De tweede geeft blijvende leiding met het oog op ons geestelijke en eeuwig welzijn.

En als de Hebreeën hun aardse vader al achting betoonden en zich steeds weer gehoorzaam voegden - volgens het imperfectum van het werkwoord - hoeveel te meer reden hebben zij dan om zich te onderwerpen aan de opvoeding van hun hemelse Vader met blijvend leven in het vooruitzicht. In het bijzonder wanneer de tijd aanbreekt van Israëls herstel en zij de bovennatuurlijke effecten van het met hen te sluiten Nieuwe Verbond zullen ervaren.
De bevestiging daarvan kunnen wij voor onszelf verifiëren in Ez 36:24-28.

οι μεν γαρ προς ολιγας ημερας κατα το δοκουν αυτοις επαιδευον, ο δε επι το συμφερον εις το μεταλαβειν της αγιοτητος αυτου. 

10 
Die plachten weliswaar naar eigen goeddunken voor weinig dagen streng te onderrichten, maar hij tot voordeel om zijn heiligheid deelachtig te worden.

Een nadere toelichting op het verschil in beide wijzen van strenge vorming.
Aardse vaders die hun kinderen tijdens de korte periode van hun jeugd tot aan de volwassenheid opvoeden, volgen daarbij hun gebrekkig menselijk oordeel, om maar niet te spreken van de volkomen willekeur waarvan dikwijls sprake is en/of het aanwenden van methoden die naderhand voor de kinderen schadelijk bleken te zijn.
Het is waar dat ook God te werk gaat naar Hem goeddunkt, maar hij heeft zowel het geestelijk welzijn van de leden van het ware Israël op het oog als het specifieke doel dat hij met zijn strenge vorming - dat ook lijden kan omvatten - wil bereiken, namelijk dat zij deelachtig worden aan zijn heiligheid. Terwijl de opvoeding door de aardse vaders beperkt en tijdelijk is, heeft de strenge vorming van God eeuwigheidswaarde.

Maar hij tot voordeel om zijn heiligheid deelachtig te worden.
God is in absolute zin heilig. Zowel in 
Jesaja 6 als in Openbaring 4 horen wij hemelse wezens uitroepen dat God tot in de derde of hoogste graad heilig is.
Hij is daarom de Allerheiligste die alle anderen in heiligheid overtreft (Sp 30:3).
In Mozes' overwinningslied bij de Rode Zee zongen de Israëlieten: Wie onder de goden is als gij, o YHWH? Wie is als gij, die u machtig betoont in heiligheid? (Ex 15:11).

Aangezien hij de Bron is van alle heiligheid kunnen personen slechts heilig worden in relatie tot hem. Dat geldt zelfs voor zijn Eniggeboren Zoon, Yeshua Masjiach. Ook diens heiligheid vond zijn oorsprong bij de Vader, toen deze hem schiep als het Beeld van de onzichtbare God (
Ks 1:15).
Als degene die met heerlijkheid naast de Vader bestond eer de wereld was, bewaarde hij zijn heiligheid (Jh 17:5). 

Toen Gabriël zijn geboorte als mens aankondigde, onthulde deze aan Maria: Heilige geest zal op je komen en kracht des Allerhoogsten zal je overschaduwen; daarom ook zal het heilige dat verwekt wordt Gods Zoon worden genoemd (Lk 1:35). 
Yeshua kwam danook bekend te staan als 'de Heilige Gods'. Zelfs de onreine geesten erkenden dat feit (Lk 4:34Hn 3:14).

Hij is de enige die als mens vrij van zonden was en een volmaakte heiligheid behield. Aan het einde van zijn aardse leven was hij nog steeds loyaal, zonder kwaad, onbezoedeld, afgescheiden van de zondaars.
Door die omschrijving - in Hb 7:26 - krijgen wij een indruk wat onder heiligheid moet worden verstaan. De woorden heilig en heiligheid zoals we die in het Woord tegenkomen, zijn weergaven van Hebreeuwse termen waarvan de grondbetekenis duidt op rein zijn, nieuw, fris, onbezoedeld, en dit niet alleen in een fysieke betekenis, maar vooral ook in een geestelijke of morele betekenis. De woorden hebben dus voornamelijk betrekking op morele reinheid, heiligheid, zuiverheid. In de Hebreeuwse woorden ligt tevens de gedachte opgesloten van afgescheiden, exclusief of geheiligd zijn voor God

Ook in het NT hebben de termen heilig en heiligheid betrekking op een afgescheiden zijn voor God, en verwijzen ze voorts naar zuiverheid of volmaaktheid in het persoonlijke gedrag van een persoon. Met dit in gedachten krijgen wij een idee waarop de apostel Petrus doelde toen hij schreef:

Wordt als kinderen der gehoorzaamheid niet gelijkvormig aan de begeerten van vroeger in jullie onwetendheid, maar wordt ook gij, naar de Heilige die jullie geroepen heeft, zelf heilig in [de] gehele levenswijze; omdat er geschreven staat: "Weest heilig, omdat ik heilig [ben]".
(1Pt 1:14-16)

Hiermee roept Petrus zijn broeders, de Hebreeën, op om een kinderlijke gehoorzaamheid aan de dag te leggen teneinde ook zelf heilig te worden, zelfs in hun gehele levenswijze. Maar gehoorzaam waaraan? Merk op, in de vv 22 en 23, hoe Petrus die vragen beantwoordt:

Jullie zielen gezuiverd hebbend in de gehoorzaamheid der waarheid tot ongeveinsde broederliefde, moet gij elkaar vanuit [het] hart bestendig liefhebben. Wederverwekt zijnde, niet uit vergankelijk maar onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend Woord.
Door in hun situatie van wederverwekt zijn volledig gehoor te geven aan Gods Woord der waarheid, en dat vooral onder zulke moeilijke omstandigheden als vervolging en lijden, zijn zij op weg om aan Gods eigen heiligheid deelachtig te worden.
Yeshua erkende het aandeel dat waarheid heeft in het verwerven van een heilige positie bij God. Want toen hij zich op de avond voorafgaand aan zijn dood in het 'hogepriesterlijk gebed' tot zijn Hemelse Vader richtte, deed hij ten behoeve van zijn leerlingen dit verzoek: Heilig hen in de waarheid; uw Woord is waarheid (Jh 17:17).

Maar van doorslaggevend belang is het feit van hun wederverwekking of nieuwe geboorte, waarvan Petrus al in de aanhef van zijn Eerste Brief gewag maakt:
Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Yeshua Masjiach, die naar zijn grote barmhartigheid ons wederverwekt heeft, tot een levende hoop, door [de] opstanding van Yeshua Masjiach uit [de] doden.
(1Pt 1:3)

Ook Jakobus, Yeshua's halfbroer, maakt in zijn Brief, gericht aan de twaalf stammen in de Diaspora, melding van de nieuwe geboorte die door de kracht der waarheid wordt ervaren:

Omdat hij het wilde heeft hij ons voortgebracht met [het] Woord der waarheid, opdat wij een zekere eerstelingsgave van zijn schepselen zouden zijn.
(Jk 1:1, 18)

Maar in werkelijkheid is het de Masjiach zelf geweest die in zijn onderhoud met Nikodemus als eerste op de noodzaak van de wedergeboorte [wederverwekking] heeft gewezen. Want slechts dan is het voor het ware Israël Gods mogelijk het koninkrijk te zien, d.i. binnen te gaan:

Ik zeg je naar waarheid, tenzij iemand vanboven verwekt wordt, kan hij het koninkrijk Gods niet zien. Nikodemus zegt tot hem: Hoe kan een mens verwekt worden, als hij oud is? Hij kan toch niet voor een tweede maal in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden?
Yeshua zei ten antwoord: Ik zeg je naar waarheid, tenzij iemand verwekt wordt uit water en geest, kan hij het koninkrijk Gods niet binnengaan. Wat verwekt is uit het vlees, is vlees, en wat verwekt is uit de geest, is geest. Verwonder je niet dat ik tot je zei: Jullie moeten vanboven verwekt worden. De wind blaast waarheen hij wil, en je hoort zijn geluid, maar je weet niet vanwaar hij komt of waarheen hij gaat. Zo is een ieder die uit de geest verwekt is.
(Jh 3:3-8)

In onze Brief lezen we niet over wedergeboorte of wederverwekking, maar met de aanduiding van God als de Vader der geesten in het vorige vers (9), zinspeelde de apostel wel degelijk op een soortgelijke gedachte. Want let nogmaals op de tegenstelling waarvan in dat vers sprake is: De vaders van ons vlees verwekten ons tot een natuurlijke geboorte (verwekt uit het vlees). De Vader der geesten echter verwekt uit de geest.

Met het oog op haar bestemming is het altijd Gods wens geweest dat Israël heilig zou zijn en steeds meer op hem zou gaan gelijken (
Ex 19:4-6).
Onder de Mozaïsche Wet richtte hij zich aldus tot zijn uitverkoren volk:
Jullie moeten je heilig betonen, want ik, YHWH, jullie God, ben heilig (Lv 19:2). 

Met die woorden verwees hij niet eenvoudig naar de religieuze activiteiten van het leven. De context, de resterende vijfendertig verzen van hoofdstuk 19, onthult veeleer dat God over activiteiten sprak die op elk aspect van het leven van een Israëliet betrekking hadden. Zulke dingen als stelen, onpartijdigheid in het oordeel, het gebruik van maten en gewichten, de behandeling van belemmeringen zoals doofheid en blindheid, en vele andere geregeld terugkerende bezigheden, werden specifiek vermeld.

Heiligheid moest daarom in alle activiteiten van het leven ten toon worden gespreid. Door zich aan die destijds geldende goddelijke maatstaven voor heiligheid te houden, konden zij een heilig, rein volk zijn, exclusief toegewijd aan YHWH, afgezonderd voor zijn dienst.

Met de komst van de Masjiach, waardoor zij veel meer begrip kregen van Gods wonderbaarlijke eigenschappen van rechtvaardigheid, zuiverheid en heiligheid, werden zij nog verder geholpen op de Weg der Heiligheid (
Js 35:8-10). 
De onderwijzingen van hun Masjiach bereikten het hart van hen die gunstig op de boodschap van God reageerden. Daardoor werden zij geholpen om meer in overeenstemming met het beeld van God en zijn Zoon gevormd te worden (Jh 1:17-18).

Voordat Yeshua naar de aarde kwam, had Maleachi, een man Gods, al geprofeteerd dat YHWH Elohim in de Eindtijd eveneens een reinigingswerk zou verrichten. Hij beschreef dit werk als volgt: 
Maar wie kan de dag van zijn komst verdragen?
Wie houdt het uit, als hij verschijnt?
Want hij zal zijn als het vuur van de smelter, als het loog van de blekers.
Hij zet zich neer om het zilver te smelten en te louteren!
Dan zal hij de zonen van Levi reinigen, hen louteren als goud en zilver.
Dan offeren zij YHWH weer in gerechtigheid, en het offer van Juda en Jeruzalem zal YHWH behagen als in de dagen van ouds, als in vroegere jaren.
(Ml 3:2-4)

In de getrouwe Rest van Israël zal deze profetie werkelijkheid worden.
In hen -  Israël als natie hersteld - zal dan het beeld van de 'zonen van Levi' vervuld worden.
Dat zij aan YHWH weer offers zullen brengen in gerechtigheid, een dienst die Hem behaagt, zal een aanwijzing zijn dat zij inderdaad aan Gods heiligheid deel hebben gekregen. 

πασα δε παιδεια προς μεν το παρον ου δοκει χαρας ειναι αλλα λυπης, υστερον δε καρπον ειρηνικον τοις δι αυτης γεγυμνασμενοις αποδιδωσιν δικαιοσυνης. 

11 
Geen enkele strenge vorming nu schijnt op het ogenblik zelf een vreugde te zijn maar droefheid. Naderhand echter vergoedt ze aan hen die erdoor geoefend zijn [de] vreedzame vrucht van rechtvaardigheid.
De apostel anticipeert op de gevoelens van zijn lezers. Wanneer zij door lijden getroffen worden zal dat op het moment zelf door weinigen ervaren worden als een verborgen doel dat God nastreeft voor hun bestwil. Daarom geldt vooral hier de waarheid van Hb 11:1 > Geloof nu is… bewijs der zaken die niet worden gezien.

Gods leiding en zijn Vaderhand ontbreken niet in moeilijke tijden.
Petrus schreef dienaangaande: Want dat [is] liefderijke gunst, indien iemand terwille van het geweten tegenover God droefheid verdraagt terwijl hij onrechtvaardig lijdt (1Pt 2:19).
Merk ook de tegenstelling op tussen naderhand en op het ogenblik zelf.
Of: het hier en nu geplaatst tegenover de toekomst; dat wat aanstaande is.
En op het laatste komt het immers aan in het leven van de gelovige.

Toegegeven, het lijden van het nu is allerminst een zaak van vreugde, maar het bepaalt wel het straks. Wanneer de Hebreeën zich bereid tonen om door Gods strenge vorming een geestelijke training te ontvangen - gewillig haar opvoedende invloed ondergaan - zal het resultaat gunstig zijn en uitlopen op grote vruchtrechtvaardigheid; een 'vrucht' die synoniem is met de heiligheid van vers 10.
Die vrucht wordt vreedzaam genoemd, gezien de grote tegenstelling met de strenge vorming die in haar aard verre van vreedzaam is maar eerder door strijd en pijn wordt gekenmerkt.

Er is dus alle reden voor de Hebreeën zich gewillig te onderwerpen aan Gods strenge behandeling. Dat stemt trouwens overeen met de vermaning van de apostel Petrus die, zoals we al eerder zagen, dit thema diep heeft uitgewerkt:
Vernedert je dus onder de machtige hand van God, opdat Hij jullie te zijner tijd moge verhogen, terwijl je al je bezorgdheid op hem werpt, want hij draagt zorg voor jullie.
Weest nuchter, waakt! Jullie tegenpartij, de Duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek [om] te verslinden. Weerstaat hem, standvastig in het geloof, wetend dat hetzelfde lijden aan jullie broederschap in de wereld wordt voltrokken. Maar de God van alle liefderijke gunst, die jullie heeft geroepen tot zijn eeuwige heerlijkheid in [de] Masjiach, hijzelf zal jullie, na een korte tijd geleden te hebben, volledig maken, bevestigen, sterken. 
(1Pt 5:6-10)

Het is dus alleen maar juist wanneer zij deze strenge vorming aanvaarden zonder er tegen in opstand te komen en zonder te trachten onder de hand van God vandaan te komen. In tegenstelling tot de vaders van ons vlees maakt Hij nooit een fout, en als de Vader der geesten neemt hij de verantwoordelijkheid op zich voor het geestelijke leven der Hebreeën, alsook voor hun eeuwige leven.

Als zij dan al reden hebben om respect te tonen voor onvolmaakte aardse vaders, hebben zij beslist een nog krachtiger reden om zich aan de strenge vorming van de hemelse Vader te onderwerpen. Ze zal een louterende uitwerking op hen hebben en eventuele gebreken in de persoonlijkheid aan het licht brengen.

Daartoe zou trots kunnen behoren, koppigheid, ongeduld, zelfzucht, of liefde voor gemak en genoegens.
Door zich bereid te tonen correctie te aanvaarden, zullen zij zuiverder of heiliger in hun gedrag worden en aldus deel krijgen aan Gods eigen heiligheid. Het doel van zijn strenge opvoeding wordt daarmee verwezenlijkt.

Διο τας παρειμενας χειρας και τα παραλελυμενα γονατα ανορθωσατε, και τροχιας ορθας ποιειτε τοις ποσιν υμων, ινα μη το χωλον εκτραπη, ιαθη δε μαλλον. 

12-13 
Daarom, de slappe handen en de verlamde knieën, richt [ze] op! En maakt rechte sporen voor jullie voeten, opdat het kreupele niet ontwricht maar veeleer gezond gemaakt wordt.
Zoals gebruikelijk volgt nu een vermanend gedeelte ná een beredeneerde uiteenzetting. De apostel grijpt daarvoor terug op vers 3 van de bekende herstelprofetie die in Jesaja, hoofdstuk 35, wordt aangetroffen. Nu niet zozeer naar de LXX, maar eerder volgens de M-tekst. De eerste vier verzen van deze profetie luiden:

De wildernis en het dorre land zullen zich zeer verheugen, en de steppe zal blij zijn en bloeien als de saffraan. Ze zal welig bloeien, en blij zijn met blijdschap en met vreugdegeroep. De heerlijkheid van de Libanon is haar gegeven, de luister van de Karmel en van de Saron. Zij zullen de heerlijkheid van YHWH aanschouwen, de luister van onze God.
Sterkt de slappe handen en verstevigt de wankelende knieën.
Zegt tot de angstigen van hart: “Weest sterk. Weest niet bevreesd. Ziet! Jullie God zal komen met wraak; met de vergelding van God.
Hijzelf zal komen en jullie redden”.

Doordat in het vorige hoofdstuk van Jesaja (34) Gods komend kosmisch gericht wordt aangekondigd, is het werkelijk een verademing om in hoofdstuk 35 profetisch te vernemen dat na het 'inferno' paradijsachtige situaties voor Israël aan de horizon opdoemen. YHWH is voor de Hebreeën geen God van de dood maar van redding en leven. In heerlijke beelden schildert de profeet hoe God zijn macht aanwendt om, in samenhang met hun terugkeer uit de Diaspora, aan zijn volk verlossing te brengen.

Met zijn verwijzing naar de slappe handen, en de wankelende knieën voorziet de apostel echter dat Gods strenge vorming zelfs de gelovigen mogelijk zwaar zou kunnen ontmoedigen. In het bijzonder tijdens het lijden gedurende de niet te vermijden Grote Verdrukking, door Jeremia (in 
30:7) aangeduid als De tijd van benauwdheid voor Jakob.
Zoals ook uit Job 4:3-5 kan worden afgeleid, wijzen de bevende handen en de knikkende knieën op schrik, ontsteltenis en moedeloosheid

De Hebreeën moeten daarin echter niet blijven steken. Zij zijn dan op weg naar Sion, over de Weg der heiligheid, en hun God YHWH brengt de Antichristelijke vijand voorgoed tot zwijgen. Het zal hun voorrecht zijn de vervulling te ervaren van de voorzegging die hun gerespecteerde leider Mozes lang geleden deed in Dt 30:1-5. 
Wanneer nu al deze woorden, de zegen en de vloek die ik jullie heb voorgelegd, over jullie komen; jullie ze ter harte nemen onder al de volken waarheen YHWH, jullie God, jullie verdreven heeft. Jullie terugkeren tot YHWH, jullie God, en jullie naar hem luisteren met heel je hart en met heel je ziel - in overeenstemming met alles wat ik jullie heden gebied - zowel jullie als jullie kinderen, dan zal YHWH, jullie God, jullie lot wenden, jullie genadig zijn en jullie weer verzamelen uit al de volken waarheen YHWH, jullie God, jullie verstrooide.
Ook al waren jullie verdreven aan de einden van de hemel, vandaar zal YHWH, jullie God, jullie bijeenbrengen en terughalen, en YHWH, jullie God, zal jullie brengen in het land dat jullie vaderen in bezit hadden, en jullie het weer zullen bezitten.
En maakt rechte sporen voor jullie voeten, opdat het kreupele niet uit het lid raakt maar veeleer gezond gemaakt wordt. 
Een gedeeltelijke verwijzing naar Sp 4:26 volgens de LXX: ορθας τροχιας ποιει σοις ποσιMaak rechte sporen voor je voeten.
Zie ook 
Sp 4:20-27, waar YHWH Elohim zich eveneens tot de Joodse lezer richt als zijnde Zijn zoon: Mijn zoon, sla acht op mijn woorden…

In tegenstelling tot de kwaaddoeners, wier paden krom zijn en die slinks zijn in hun gangen, moeten de Hebreeën rechte sporen voor hun voeten maken (
Sp 2:15).
Met de doelaangevende bijzin - opdat het kreupele niet uit het lid raakt maar veeleer gezond gemaakt wordt - suggereert de apostel blijkbaar opnieuw dat het kiezen van het rechte spoor tijdens de komende Tijd van benauwdheid voor Jakob, velen van de Joodse Rest moeilijk zal vallen. In de profetie van Zefanja lijkt die situatie zelfs voorzegd te zijn:

In die tijd zal ik afrekenen met je verdrukkers, de kreupelen zal ik redden, 
de verstrooiden bijeenbrengen. En hen die in de hele wereld werden veracht 
zal ik met eer en roem overladen 
(Zf 3:19).

Hiermee wordt te kennen gegeven dat God zélf er voor zal zorgen dat het geestelijk kreupel gaan van zijn uitverkorenen tijdig wordt hersteld en voor betrokkenen niet zal leiden tot erger: Geestelijke ontwrichting.
Zie ook de aanmoediging dienaangaande in Mc 4:6-7.

Eιρηνην διωκετε μετα παντων, και τον αγιασμον, ου χωρις ουδεις οψεται τον κυριον, 

14 
Streeft vrede na met allen, en de heiliging, zonder welke niemand de Heer zal zien, 
Het nastreven - of meer letterlijk: najagen - van vrede met allen, moet blijkbaar weer in samenhang met de context gelezen worden.
Zoals we al vaststelden zijn de Hebreeën tot lijden geroepen met het oog op hun bestemming in het Millenniumrijk: Tot zegen worden van de mensen der natiën.
De vraag is echter: Hoe zullen zij zich opstellen ten aanzien van al die mensen voor wie zij in de toekomst dienstbaar moeten zijn als een Koninklijke priesterschap?

Zullen zij dan de meelevende personen zijn die werkelijk iets voor anderen betekenen?
Te oordelen naar de wijze waarop de gemiddelde Jood zich tot dusverre ten aanzien van de Gojim heeft opgesteld, kan er vrijmoedig gezegd worden dat bij het merendeel van hen nog een grote ommekeer in houding zal moeten plaats vinden.
Mede daarom moeten zij zoals in vers 3 tot hen gezegd werd het oog gericht houden op Yeshua, de bewerker en voltooier van het geloof.
Als hun Hogepriester doorstond hij lijden en beproevingen met als resultaat dat hij nog beter in staat was anderen in hun beproevingen te hulp te komen (Hb 2:184:15-16).

Zo zullen ook zij - als zijn Onderpriesters - als resultaat van Gods gerichte, opvoedend programma tot precies die personen worden getransformeerd die in staat zijn tegemoetkomend te zijn jegens de onwetenden en dwalenden(Hb  5:2).
Vandaar de vermaning: Streeft vrede na met allen.
Het is de hoogste tijd dat zij ermee stoppen om de mensen buiten hun gelederen als vijanden te bezien. In al hun betrekkingen, onderling en daarbuiten, moeten zij op vrede uit zijn, zoals ook de apostel Petrus, met een citaat uit Psalm 34, schrijft aan zijn Joodse broeders: 
Want wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, weerhoude de tong van kwaad en [de] lippen van het spreken van bedrog. Maar laat hij zich afkeren van kwaad en [het] goede doen, vrede zoeken en die najagen.
Want [de] ogen van de Heer [zijn] op rechtvaardigen en zijn oren tot hun smeking. Maar [het] aangezicht van de Heer is [ook] op hen die slechte dingen doen.
(1Pt 3:10-12)

Bij Petrus krijgen de termen een eschatologische lading, met een blik vooruit naar het eeuwige leven. De Hebreeën moeten dat leven willen liefhebben, wat impliceert vastbesloten zijn, het hele hart er op richten, teneinde het met Gods hulp ook te verwerven.
Daarvoor is een radicale ommekeer in denken nodig: vrede zoeken en die najagen. Maar merk op dat Petrus hen eerst vermaant om zich af te keren van het kwaad en het goede te gaan doen. In zijn Bergrede drong de Masjiach er bij zijn Joods gehoor op aan nog een stapje verder te gaan en zelf een vredemaker te worden: Gelukkig de vredemakers, want zij zullen zonen van God genoemd worden (Mt 5:9).

En de heiliging, zonder welke niemand de Heer zal zien.
Heiligheid was volgens vers 10 het doel van Gods opvoedend programma, nauw verwant met de vreedzame vrucht daarvan: Rechtvaardigheid (vers 11).
Het is een Oudtestamentische gedachte dat alleen heilige mensen voor Gods aangezicht mogen verschijnen: De oprechten zullen zijn aangezicht aanschouwen (Ps 11:7).

Voor de Hebreeën die de hoop koesteren als koninklijke priesters te dienen in de tegenbeeldige Tabernakel Nieuw Jeruzalem, geldt dat zij hetzelfde positieve antwoord moeten kunnen gegeven op de vraag die in Psalm 24 wordt opgeworpen: Wie mag de berg van YHWH bestijgen; wie mag staan in zijn heilige plaats? Die rein van handen is en zuiver van hart.
Dat stemt overeen met wat de Masjiach dienaangaande in de Bergrede zei: Gelukkig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien (Mt 5:8).

Aan de hand van verwante Joods-christelijke Geschriften in het NT wordt echter bij voorbaat aangekondigd dat de Joodse mensen van de Eindtijd zich veel moeite zullen moeten geven om voor Gods aangezicht heilig te zijn. Zoals het geval is met vrede, zal ook de heiliging werkelijk nagejaagd moeten worden door hen.
Want merk maar eens op wat Yeshua's halfbroer Jakobus constateert ten aanzien van zijn Joodse broeders:

Vanwaar oorlogen en vanwaar gevechten bij jullie? [Komen ze] niet hiervandaan: Uit jullie zinnelijke genoegens, die strijd voeren in jullie leden? Jullie begeren en [toch] bezitten jullie niet.
Jullie moorden en zijn naijverig, en [toch] kunnen jullie niet verkrijgen.
Jullie vechten en voeren oorlog.
Jullie bezitten niet, omdat jullie niet vragen.
Jullie vragen en [toch] ontvangen jullie niet. Jullie vragen namelijk met een verkeerde bedoeling, om het aan jullie zinnelijke genoegens te besteden.
Overspeelsters, weten jullie niet dat de vriendschap der wereld vijandschap jegens God is? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, betoont zich een vijand van God.
(Jk 4:1-4)

Mede door deze passage zullen de Masjiach-(Yeshua) belijdende Joden van de 70e Jaarweek tot het inzicht moeten komen dat het huidige Zionistische ideaal, waarbij de in 1948 eigenmachtig gestichte staat Israël zich slechts met veel bloedig geweld wist te handhaven, alsmaar meer rampspoed heeft opgeleverd en niet Gods ondersteuning genoot. Maar onder inspiratie van de geest geeft Jakobus ook aan wat de manier is om tot herstel te geraken:
Onderwerpt je daarom aan God; maar weerstaat de Duivel en hij zal van jullie wegvluchten. Nadert tot God en hij zal tot jullie naderen. Reinigt jullie handen, zondaars, en zuivert jullie harten, [mensen] van tweeërlei gevoelen.
Beseft jullie ellende en treurt en weent. Laat jullie lachen in treuren verkeren en de 'vreugde' in verslagenheid. Verneder je voor het gezicht van de Heer en hij zal jullie verheffen.
(Jk 4:7-10)
In de zinnebeelden van het Bijbelboek Openbaring 'wandelt' de Messiaanse Hogepriester rond te midden van de Zeven Lampenstandaarden, die de zeven gemeenten vertegenwoordigen, een beeld van de gehele Joodse gemeenschap in de Eindtijd (
Op 1:1, 10-13).
Wat hij onder hen waarneemt is tevoren vastgelegd in boodschappen die aan die Zeven gemeenten gericht worden. Over de morele situatie bij degenen die die tot Thyatira-gemeente behoren, constateert hij het volgende: 
Ik ben bekend met je werken en je liefde, trouw, dienstbetoon en volharding; ook zijn je laatste werken meer dan de eerste. Maar ik heb tegen je dat je de vrouw Izebel laat begaan, zij die van zichzelf zegt een profetes te zijn, en mijn slaven leert en misleidt zij om hoererij te bedrijven en afgodenoffers te eten
Nergens in de Zeven boodschappen is de tegenstelling tussen de twee Joodse partijen die in de Eindtijd tegenover elkaar zullen staan zo opvallend als hier. Aan de ene kant de getrouwe Heiligen met wie de Masjiach door en door bekend is, zoals hun liefde, trouw, dienstbetoon en standvastigheid. Zij houden zich verre van de diepe dingen van de Satan, waaraan de tegenpartij zich volledig overgeeft.
Die volgen daarin de leiding van de vrouw Izebel.

Door haar invloed worden seksuele immoraliteit, afgodische dienst en ontaarde praktijken van allerlei aard in de 70steWeek tot een climax opgevoerd. Deze "vrouw" draagt niet voor niets de naam Izebel. Zij evenaart of overtreft misschien wel haar prototype, Izebel, de dochter van Ethbaäl, die door de goddeloze koning Achab tot gemalin werd genomen (1Kn 16:30-33).

Vergelijk ook wat er over die gevaarvolle tijden in 2Tm 3:1-9 staat geprofeteerd.

Kortom, de Eindtijd zal voor de getrouwe Rest onder de Hebreeën een geweldige uitdaging vormen om met succes de heiliging na te jagen. De wereld die hen omringt is dan bezig uiteen te vallen doordat ze een absolute climax in onheiligheid bereikt. Ze is dan namelijk onder de heerschappij gekomen van Israëls Valse Masjiach die de onheiligheid in persoon zelf is. Toen Ezechiël zijn val aankondigde tekende de profeet hem als volgt: 
En gij verontreinigde, goddeloze vorst van Israël, wiens dag komt in de tijd van het onrecht van het einde; zo zegt de Heer YHWH: Verwijder de mijter en neemt weg de kroon! Zo zal het niet zijn. Verhoog de lage en verlaag de hoge. 
(
Ez 21:25-28).

De onheilige Antichrist zal plaats moeten maken voor de ware Masjiach Yeshua die in de ogen van het halsstarrige Israël van geen betekenis is (
Js 53:3). Maar zolang de Valse Masjiach zijn schrikbewind uitoefent zal het Overblijfsel het in het najagen van heiligheid zwaar te verduren hebben.

Hierbij moet nog opgemerkt worden dat God zijn eigen deel zal doen door op de Helft van de Week met zijn Volk het Nieuwe Verbond te sluiten. Op grond daarvan zullen zij een nieuwe geboorte ervaren, een wederverwekking.

Maar uit het gebruik van de term najagen – in verband met de aansporing om vrede na te jagen met allen - kan immers afgeleid worden dat Gods Uitverkorenen ook zelf hun eigen aandeel aan inspanningen moeten leveren.

επισκοπουντες μη τις υστερων απο της χαριτος του θεου, μη τις ριζα πικριας ανω φυουσα ενοχλη και δι αυτης μιανθωσιν πολλοι, 

15 
er zorgvuldig op toeziend dat niemand achterblijft bij de liefderijke gunst van God; dat geen opschietende wortel van bitterheid verwarring sticht en door haar velen besmet worden;
De apostel citeert uit Dt 29:18 volgens de LXX, in een context waarbij Israël ernstig gewaarschuwd wordt om niet de afgoden van de natiën te gaan dienen.
Volgens de M-versie:
Laat dan niemand van u, geen man of vrouw, geen familie of stam, zijn hart heden afkeren van YHWH onze God om de goden van die volken te gaan vereren. Er mag bij u geen wortel zijn, die gif en alsem voortbrengt.
Blijkbaar waarschuwt de apostel zijn Joodse broeders voor een religieuze ontwikkeling die een afschuwelijke, valse parodie zou zijn op wat Jesaja profeteerde over de Masjiach:
Een twijg ontspruit aan de stronk van Isai, een telg ontbloeit aan zijn wortel. De geest van YHWH rust op hem, een geest van wijsheid en inzicht, een geest van beleid en sterkte, een geest van kennis en ontzag voor YHWH... Op die dag staat de wortel van Isai als een banier voor de volken opgericht: de volken zoeken hem op, en zijn woonplaats zal luisterrijk zijn (Js 11:1-2, 10).

Een dergelijke ontwikkeling in de Eindtijd is zeker niet denkbeeldig, maar zou opnieuw een uiting zijn van de gebruikelijke Satanische parodie; een vals proces van nabootsing. In dit geval de Antichrist aan het Joodse volk voorstellen als de ware Masjiach van God; degene die de Joden al zo lang verwachten.
Al eerder, maar in enigszins bedekte termen, had de apostel de verschijning van dat hoogst gevaarlijke personage aangegeven: De Namaakmasjiach - hier voorgesteld als een giftige wortel - die de meerderheid van de Joodse Eindtijdgemeenschap zal aantasten en verderven. Misleid als zij worden zullen zij hem namelijk als hun langverwachte Masjiach inhalen.

Door die wortel van bitterheid besmet worden is daarom weer een andere manier om de zonde van complete afvalligheid te beschrijven, waarvan de auteur al in het begind van dit hoofdstuk melding maakte: De zonde die [ons] zo gemakkelijk insluit. De zonde waaraan zij tot dusverre nog niet tot bloedens toe weerstand boden (
vv 1 en 4).
Besmet worden met de opschietende giftige wortel betekent voor een Hebreeër derhalve dat hij zwicht voor de druk van zijn vermeende broeders en alsnog zijn voornaamste broeder Yeshua als Israëls Masjiach verloochent.

Maar opnieuw, zoals ook al het geval was in 
Hb 3:12-13 en 10:24-25, doet de apostel een beroep op de saamhorigheid van zijn lezers. Laten zij er toch vooral op toezien dat niemand achterblijft bij de liefderijke gunst van God.
Gods liefderijke gunst jegens zijn volk en trouwens ten aanzien van de gehele mensheid is nergens zó tot uitdrukking gekomen als in de gave aan de wereld van zijn eniggeboren Zoon: Opdat een ieder die in hem geloof stelt niet vernietigd wordt maar eeuwig leven heeft (
Jh 3:16-17).

En in onze Brief schreef de apostel eerder dat Yeshua in alle opzichten aan de broeders gelijk moest worden gemaakt… om verzoening te doen voor de zonden van het volk (Hb 2:17).
Maar gezien de druk uit de gelederen van hun eigen ras lopen zij het reële gevaar de redding die in de Masjiach beschikbaar is gekomen te verspelen. Geen wonder daarom dat de apostel in dit hoogst belangrijke leerpunt er bij zijn broeders op aandringt gemeenschapszin ten opzichte van elkaar te betonen en elkaar te steunen in het volledig ontvangen van Gods liefderijke gunst [Grieks χαρις dat in de Nederlandse versies gewoonlijk met genade wordt weergegeven; in de Engelse meestal met grace, soms met favour].

μη τις πορνος η βεβηλος ως Ησαυ, ος αντι βρωσεως μιας απεδετο τα πρωτοτοκια εαυτου. ιστε γαρ οτι και μετεπειτα θελων κληρονομησαι την ευλογιαν απεδοκιμασθη, μετανοιας γαρ τοπον ουχ ευρεν, καιπερ μετα δακρυων εκζητησας αυτην. 

16-17 
geen hoereerder of ontwijde zoals Esau, die in ruil voor één maaltijd zijn rechten als Eerstgeborene prijsgaf. Want het is jullie bekend dat hij ook naderhand, toen hij de zegen wilde erven, verworpen werd, want hij vond geen plaats voor een verandering van gedachte, hoewel hij die met tranen ernstig zocht.


De dreiging van een mogelijke afval door de verschijning van de Antimasjiach, is voor de apostel aanleiding de figuur Esau in beeld te brengen. Voor de Hebreeën een welbekend personage, de tweelingbroer van hun stamvader Jakob, maar die wegens zijn slechte voorbeeld slechts afschuw bij hen wekt. En dat is kennelijk ook de bedoeling van onze auteur. Waarom? Omdat er sprake is van zekere overeenkomsten tussen hem en de Antichrist van de Eindtijd.
Philo zag Esau als een tuchteloos, aan de hartstochten overgegeven mens. Ook de Talmoed stelt hem voor als een moreel diep gezonken persoon.

Van Esau wordt in 
Gn 26:34-35 vermeld dat hij eigenzinnig, tegen de wens van zijn ouders in, Heidense vrouwen nam.Dit doet denken aan de Nefilim, de gevallen engelen die zich tijdens de 120-jarige periode die aan de Vloed voorafging materialiseerden tot manlijke gestalten en zich vrouwen namen, allen die zij verkozen (Gn 6:1-4). Volgens Judas 1:6-7 bedreven zij daarmee grove ontucht. Zij gingen ander vlees achterna voor tegennatuurlijk gebruik.

Voordien had Esau zich al de door-en-door vleselijke mens betoond die het ogenblik grijpt en ook voor het ogenblik leeft: 
Eens was Jakob aan het koken toen Esau uitgeput thuiskwam van de jacht. "Gauw, geef me wat van dat rode dat je daar kookt, ik ben doodmoe", zei Esau tegen Jakob. (Daarom wordt hij ook wel Edom genoemd.)
"Pas als jij me je eerstgeboorterecht verkoopt", antwoordde Jakob.
"Man, ik sterf van de honger", zei Esau, "wat moet ik met dat eerstgeboorterecht"? "Zweer het me nu meteen", zei Jakob. Dat deed Esau, en zo verkocht hij zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. Daarop gaf Jakob hem brood en linzensoep. Esau at, dronk en ging meteen weer weg. Hij hechtte geen enkele waarde aan het eerstgeboorterecht.
(Gn 25:29-34; geparafraseerd)

De nakomelingen van Esau kwamen bekend te staan als de Edomieten, het volk van Edom. In het Bijbelboek Maleachi vinden wij een opmerkelijke profetische uitspraak over dat volk in een context van Gods liefde voor Jakob en zijn haat ten opzichte van Esau:
Een godsspraak: Het woord van YHWH tot Israël door de dienst van Maleachi: "Ik heb jullie lief", zegt YHWH. Maar jullie zeggen: "Waaruit blijkt dat gij ons liefhebt"? "Was Esau niet de broer van Jakob"? godsspraak van YHWH. "Toch had ik Jakob lief maar Esau haatte ik; en ik maakte zijn bergen tot een woestenij en zijn erfdeel gaf ik prijs aan de jakhalzen der wildernis. Mocht Edom zeggen: 'Wij zijn verpletterd, maar wij zullen terugkeren en
 [de] verwoeste plaatsen opbouwen', dan antwoordt YHWH der legerscharen: 'Zullen zij bouwen, zo zal ik omver halen. Men zal hen noemen het gebied der goddeloosheid en het volk waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is'".
(Ml 1:1-4)

Merk de zeer krachtige termen in de godsspraak op waarmee YHWH zijn eeuwig oordeel over Esau (Edom) bekendmaakt en dat in een profetische setting die het lot van het letterlijke volk Edom verre overstijgt, te meer daar de Edomieten als volk sinds lang van het aardse toneel verdwenen zijn.
Tegen de Vierde eeuw voor Chr. hadden de Nabateeën zich in het gebied van de Edomieten gevestigd, en Esau's nakomelingen zijn er nooit in geslaagd terug te keren. In plaats daarvan woonden zij in de Negeb en trokken Noordwaarts naar Hebron.
Uiteindelijk kwam het zuidelijke gedeelte van Juda als Idumea bekend te staan. Volgens Josephus onderwierp Johannes Hyrkanus I de Edomieten tussen 130 en 120 voor Chr. en dwong hij hen de Joodse religie aan te nemen. Daarna werden zij geleidelijk door de Joodse natie geassimileerd, en na de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in 70 AD hielden zij als volk op te bestaan.

Achter het 'Edom' van Maleachi 1 gaan daarom blijkbaar de onreine geesten schuil, de gevallen zonen Gods die zich tot demonen maakten en zich ophouden in het gebied der goddeloosheid, en daarom aangeduid worden als het volk waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is. Vergelijk ook het dubbele in het oordeel dat over 'Edom' zou komen zoals het in het Bijbelboek Obadja is aangekondigd, in het bijzonder in de 
vv 18 en 21.

Gods verbolgenheid ten opzichte van zijn ongehoorzame geestenzonen kwam voor het eerst tot uitdrukking in de dagen van Noach. Toen de Vloed de aarde overstroomde en alle mensen buiten de ark verdelgde, werden de demonen gedwongen zich van hun gematerialiseerde manlijke gestalten te ontdoen. Maar uit 
1Pt 3:19-20 - te midden van de context van het lijden voor Israël en haar Masjiach - vernemen wij dat hun situatie voortaan niet meer dezelfde was. God onderwierp hen namelijk aan beperkingen door hen op te sluiten in een 'gevangenis' of 'kerker'. Volgens 2Pt 2:4 zijn zij in die situatie overgeleverd aan ketenen van duisternis door opsluiting in Tartarus, en in die toestand kunnen zij zich blijkbaar niet materialiseren.

In de Eindtijd komt daarin kennelijk opnieuw (tijdelijk) verandering, want dit vers onthult tevens dat God hen tot op heden heeft bewaard met een bepaald oogmerk: Om nog een rol te spelen in de wijze waarop hij in het oordelen van de mensheid tewerk gaat.
In Tartarus worden de onreine geesten namelijk niet slechts bewaard in afwachting van hun definitieve ondergang bij het laatste oordeel, zoals velen menen. In dat geval had God hen immers beter meteen kunnen vernietigen toen de Vloed kwam en zij zich moesten dematerialiseren. Nog meer dan de mensen die in de Vloed omkwamen hadden die Nefilim een dergelijke straf volkomen verdiend.
Zie: De Vloed en de gevangenis (1Pt 3) 
Het is zeker niet vreemd dat God de demonen 'achter de hand houdt' om alsnog zijn doeleinden te dienen, want de spreuk luidt: Alles heeft YHWH gemaakt voor zijn voornemen, ja, zelfs de goddeloze voor de kwade dag (Sp 16:4).
In Openbaring, 
hoofdstuk 20, vinden wij een met de demonen overeenkomende situatie, want daar vernemen wij dat de Duivel zelf voor de duur van het Millennium in de afgrond zal verblijven en daar 'achter de hand wordt gehouden' om na afloop van de duizend jaar gedurende een korte tijd te worden losgelaten.
Ook dán met het oogmerk om Gods doeleinden in het (eind)oordeel te dienen.
In 2Th 2:8-12 heeft de apostel samengevat hoe God de demonen voor zijn doeleinden in de Eindtijd zal gebruiken. Hun definitieve einde staat beschreven in Op 19:19-20.

Zie ook: 
De rol der demonen in de Eindtijd
Volgens Maleachi blijft dat 'Edom' zeggen: Wij zijn verpletterd, maar wij zullen terugkeren en de verwoeste plaatsen opbouwen.
Het letterlijke Edom was naar het voorbeeld van hun stamvader haar broedervolk Israël vijandig gezind. Israëls eerste koning Saul voerde met succes oorlog tegen de Edomieten; niettemin had hij de vijandige Edomiet Doëg als opperherder in zijn gelederen opgenomen. Deze Doëg deed zich eerst als een verrader kennen door David bij zijn heer Saul aan te brengen, en vervolgens, toen Sauls eigen manschappen de priesters van Nob niet wilden aanvallen, gaf Saul aan Doëg het bevel hen af te slachten, wat deze zonder enige scrupules deed (
1Sm 14:4721:722:9-19).

Toen David zelf koning was geworden behaalde hij een geweldige overwinning op de Edomieten in het Zoutdal, waarna hij in heel Edom Israëlitische garnizoenen vestigde, waardoor het juk van Jakob zwaar kwam te rusten op Edoms (Esau's) nek. Maar zoals Isaäk al had voorspeld zou Edom (Esau), wanneer hij in opstand kwam, erin slagen het juk van zijn hals te verbreken, en dat geschiedde inderdaad onder de regering van Joram, de zoon van Josafat (
2Sm 8:13-14Gn 27:402Kn 8:20-22).

Wat het 'Edom' der demonen betreft, Davids grotere tegenhanger, Masjiach Yeshua, kwam tijdens zijn 3½-jarige bediening op aarde voortdurend in conflict met die onreine geesten. Geregeld toonde hij dat hij met de hulp van Gods geest hun meerdere was. Keer op keer verdreef hij hen uit hun menselijke slachtoffers van wie zij bezit hadden genomen. Zelf zei hij daarover dat het demonenrijk met zijn komst geheel op instorten was komen te staan:

Eens was hij bezig een stomme demon uit te drijven. Het geschiedde nu toen de demon was uitgegaan, dat de stomme sprak. En de menigten stonden versteld. Sommigen onder hen echter zeiden: "Door Beëlzebul, de heerser der demonen, drijft hij de demonen uit"… "Indien ik echter door de vinger van God de demonen uitdrijf, is het koninkrijk Gods werkelijk tot jullie gekomen. Wanneer de sterke, volledig van wapens voorzien, zijn hofstede bewaakt, verkeren zijn bezittingen in vrede. Zodra echter iemand die sterker is dan hij, hem overvalt en overwint, neemt die zijn wapenrusting waarop hij vertrouwd had weg, en verdeelt zijn buit".
(Lk 11:14-22)

Met de vinger van God doelde de Masjiach op de heilige geest, de geest Gods (
Mt 12:28).
En met die korte parabel gaf hij precies aan wat er in zijn dagen gaande was: Satans domein, het demonenrijk waarover hij heerst, stond met Yeshua’s komst op instorten. Weliswaar zal het pas volledig tenondergaan bij de definitieve vestiging van het Masjiachrijk, maar principieel heeft Yeshua al de overwinning behaald op die duivelse heerser van deze wereld (Jh 12:31).

Als de Masjiach blijkt Yeshua in de kracht van de geest Gods sterker te zijn dan de Satan, de sterke, degene die in de parabel volledig van wapens is voorzien. Yeshua was al begonnen hem zijn goederen te ontnemen en de geroofde buit uit te delen, in de zin van anderen laten meedelen in de voordelen van zijn overwinning.
Eerder had Yeshua al gezinspeeld op de volledige instorting van het demonenrijk, namelijk toen zijn leerlingen vreugdevol terugkeerden van een missietocht om het Masjiachrijk aan te kondigen: 
De twee en zeventig nu keerden terug met vreugde, zeggend: "Heer, ook de demonen worden in jouw naam aan ons onderworpen". Hij nu zei tot hen: "Ik aanschouwde
 [bij voorbaat] de Satan als een bliksem uit de hemel gevallen. Zie, Ik heb jullie de macht gegeven op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht van de vijand, en niets zal jullie in enig opzicht schaden. Edoch, verheugt je niet hierin dat de geesten aan jullie onderworpen worden, maar verheugt je dat jullie namen zijn ingeschreven in de hemelen".
(Lk 10:17-20)
Met de definitieve vestiging van het Masjiachrijk zal het Rijk der demonen volledig tenondergaan, en als bewijs daarvan aanschouwde Yeshua bij voorbaat Satans uitwerping.
In 
Op 12:5-12 wordt aangekondigd dat we die gebeurtenis mogen verwachten bij de 'geboorte' van het koninkrijk op de helft van de laatste [70ste] Jaarweek. De eerste machtsdaad van het koninkrijk zal de zuivering van de heilige hemelen zijn, door de verwijdering van de grote Aanklager Satan, de Duivel. Hem zal niet langer worden toegestaan Gods Heiligen voor zijn aangezicht te beschuldigen. Vergelijk Job 1 en 2.
En er vond een oorlog in de hemel plaats. Michaël en zijn engelen voerden oorlog met de Draak. En de Draak voerde oorlog en zijn engelen, en hij bleek niet sterk te zijn, en ook werd er voor hen geen plaats meer in de hemel gevonden. En de grote Draak werd geworpen, de aloude Slang, die Duivel en de Satan wordt genoemd, die de gehele bewoonde aarde doet dwalen – hij werd [neer]geworpen naar de aarde, en zijn engelen werden met hem neer]geworpen. En ik hoorde een grote stem in de hemel, zeggend: Thans is geschied de redding en de kracht en het koninkrijk van onze God en de macht van zijn Masjiach, aangezien de beschuldiger van onze broeders die hen dag en nacht voor onze God beschuldigt, werd [neer]geworpen. En zij hebben hem overwonnen wegens het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun ziel niet liefgehad tot de dood. Weest hierom verheugd, gij hemelen en zij die daarin hun verblijf hebben. Wee de aarde en de zee! Want de Duivel is tot jullie afgedaald in grote toorn, wetend dat hij weinig tijd heeft.
(Op 12:7-12)

Het demonenrijk geef zich dus niet zomaar gewonnen, zoals ook telkens is gebleken en opnieuw zal blijken nadat Satan en zijn demonenhorde uit de heilige hemelen zijn geworpen. In het verdere gedeelte van dit hoofdstuk en ook in hoofdstuk 13 wordt dat maar al te duidelijk. Het is alsof we 'Edom' horen zeggen: "Wij zijn verpletterd, maar wij zullen terugkeren en de verwoeste plaatsen opbouwen". Maar op zijn beurt zegt YHWH, de God van Israël: Zullen zij bouwen, zo zal ik omver halen.

In Dn 2:43-44 komt dat goed tot uitdrukking. Weliswaar krijgen de demonen opnieuw de gelegenheid om zich te materialiseren, d.i. zich te bekleden met menselijk vlees, zodat zij als de Tien koningen van Op 17:12-14 met het Beest, de Antimasjiach, kunnen dienen:
En de tien horens die je zag zijn tien koningen, zij die nog geen koninkrijk ontvingen, maar zij zullen één uur macht als koningen ontvangen met het Beest. Dezen hebben één gezindheid, daarom zullen zij hun kracht en macht aan het Beest geven. Dezen zullen oorlog voeren met het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen, omdat hij Heer der heren is en Koning der koningen; en met hem de geroepenen en de uitverkorenen en de getrouwen.
En precies dát wordt ook door Daniël voorzegd over de demonen die zich in de tijd van het einde (opnieuw) vermengen met het zaad der mensen (materialisatie):

Zoals gij aanschouwd hebt ijzer vermengd met vochtig leem: Zij zullen zich vermengen met het zaad der mensen; maar zij zullen zich niet aan elkaar hechten, de een aan de ander, precies zoals ijzer zich niet met leem vermengt. Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten dat in eeuwigheid niet te gronde zal gaan en ook niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die koninkrijken verbrijzelen en er een einde aan maken, maar zelf zal het blijven bestaan tot in eeuwigheid.

Zie ook: Jakob had ik lief maar Esau haatte ik
            Deel 1 en Deel 2

Want jullie weten dat hij ook naderhand, toen hij de zegen wilde erven, verworpen werd, want hij vond geen plaats voor een verandering van gedachte, hoewel hij die met tranen ernstig zocht.
De apostel refereert aan Genesis, hoofdstuk 27. De oude Isaäk die niet goed meer kon onderscheiden en meende dat er nog maar weinig gelegenheid was om de zegen van Abraham over te brengen op de drager van de belofte, riep zijn oudste zoon Esau bij zich met de bedoeling hém te zegenen, terwijl deze daarop in het geheel geen aanspraak kon maken omdat hij zijn rechten als eerstgeborene had veracht door ze aan zijn jongere tweelingbroer Jakob over te dragen in ruil voor één enkele maaltijd.
Blijkbaar had hij spijt gekregen van die transactie, echter niet op een godvruchtige wijze. Hij beklaagde zich slechts uit eigenbelang.

Vergelijk 2Ko 7:10, waar de apostel schreef dat godvruchtige droefheid waar berouw bewerkt. Maar er is ook een andere droefheid, die van de wereld, welke slechts treurt over gelegenheden die verloren zijn gegaan, en dat laatste was ongetwijfeld bij Esau het geval. Maar wanneer hij alsnog aan zijn vader een zegen zou kunnen ontlokken kon hij zich bevestigd voelen in zijn loopbaan welke bij hem typerend bleek voor de aardse, vleselijke mens die op jacht is, alsmaar uit op verdere ontwikkeling, maar dan niet volgens de weg van God maar volgens een weg, of ontwikkeling, die juist van God afvoert (Gn 25:27-28).

Die ontwikkeling begon al in Gan Eden toen het eerste mensenpaar at van de vrucht der ontwikkeling, van de boom der kennis van goed en kwaad. Die daad, het opeisen van de eigen onafhankelijkheid, veroorzaakte een breuk tussen de mensheid en haar God. Ze raakte 'los van God' en ontwikkelde zich voortaan onafhankelijk van zijn volmaakte leiding.
Aangezien de mens naar Gods beeld was geschapen, bezat hij in potentie grote mogelijkheden, en het is gebleken dat de mens er - bijna instinctief - op uit is die mogelijkheden tot het uiterste te benutten door tot steeds grotere (eigen) prestaties te komen.

Vanuit Gods standpunt bezien was (en is) dat echter een desastreuze weg. Bijgevolg zag hij zich genoodzaakt om enkele malen krachtig in te grijpen om de mens in zijn waanzinnig handelen te beteugelen (
Pr 9:3).
Dat begon al direct na de zondeval doordat God de mens buiten de Hof plaatste, in een stervende toestand, daarbij de weg naar de boom des levens afschermend.
In 
Rm 8:20 heeft de apostel aangegeven dat de schepping toen door God aan de ijdelheid werd onderworpen. Het daar gebruikte Griekse woord ματαιοτης duidt op vergeefsheid, vruchteloosheid, nutteloosheid.

In het boek Prediker wordt dat thema breed uitgewerkt: IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid (Pr 1:2; in de LXX ματαιοτης). De Nieuwe Bijbelvertaling heeft getracht die term inhoud te geven door te vertalen: Lucht en leegte, alles is leegte.
En de Herziene Statenvertaling doet het volgense een eigen manier: Een en al vluchtigheid, alles is even vluchtig. 
De tweede grote ingreep van God kwam in de dagen van Noach, toen hij een geweldige vloed over een wereld van goddeloze mensen bracht (2Pt 2:5) en de levensduur van de wereldbevolking, de nakomelingen van Sem, Cham en Jafeth, drastisch inperkte.
Het was alsof God tot Satan en zijn demonen, de Nefilim, die zich tot manlijke personen hadden gematerialiseerd, zei: Jullie kunnen wel bouwen, maar ik haal omver.Had God dit niet gedaan dan zou de Duivel al in een vroeg stadium een monsterlijke wereldheerschappij gevestigd hebben. De met vlees beklede geestelijk zonen Gods beschikten namelijk over superieure, bovenmenselijke krachten, waarvan het natuurlijke gevolg was dat hun nakomelingen die zij bij de dochters der mensen verwekten abnormaal, bastaards, ja, eigenlijk gedrochten waren. De Bijbel noemt hen gibborim (sterke mannen; machtigen) die er in grote mate toe bijdroegen dat de aarde met gewelddaad en verdorvenheid werd vervuld (
Gn 6:1-72Pt 2:11).

Maar al vlug, ongeveer 170 jaar na die catastrofe, greep God opnieuw in door de taal van de ambitieuze bouwers van de toren te Babel te verwarren. Merk Gods motivatie op. Die opstandige mensen onder aanvoering van Nimrod, een jager zoals later ook Esau zou zijn, hadden gezegd: Komaan! Laten wij een stad voor ons bouwen en ook een toren waarvan de top tot in de hemel reikt, en laten wij ons een beroemde naam maken, opdat wij niet over de gehele oppervlakte der aarde worden verstrooid. 
Maar God onderscheidde onmiddellijk dat dit geen ongevaarlijk project was: 
Toen daalde YHWH neer om de stad en de toren die de mensenzonen hadden gebouwd, te zien. Daarna zei YHWH: "Zie! Zij zijn één volk en er is één taal voor hen allen, en dit beginnen zij te doen. Wel, nu zal niets van wat zij wellicht van plan zijn te doen, onbereikbaar voor hen zijn. Kom dan! Laten wij afdalen en daar hun taal verwarren, opdat zij niet naar elkaars taal luisteren". 

Bijgevolg verstrooide YHWH hen vandaar over de gehele oppervlakte der aarde, en geleidelijk staakten zij de bouw van de stad. Daarom werd haar naam Babel genoemd, omdat YHWH daar de taal van de gehele aarde had verward, en vandaar had YHWH hen over de gehele oppervlakte der aarde verstrooid.
 
(Gn 11:4-9)

De etnische groepen die door dit optreden tot bestaan kwamen, werd een grote mate van vrij handelen toegestaan. God was niet langer hun Soevereine Regeerder (
Lk 4:5-6Dn 4:13-17). Hij gaf hun de gelegenheid hun eigen onafhankelijke, politieke weg te gaan, zodat de apostel Paulus rond het jaar 47 AD kon zeggen: In de voorbijgegane geslachten heeft hij alle natiën toegestaan hun eigen wegen te bewandelen, ofschoon hij toch niet heeft nagelaten getuigenis van zichzelf te geven (Hn 14:16-17).

Haar instinctieve geneigdheid volgend, heeft de mensheid niet stilgezeten, maar haar prestatiedwang botgevierd. En iedereen kan zien dat dit in de huidige tijd tot een fenomenale ontwikkeling heeft geleid. Nog nooit is de mens in zijn ontwikkeling van God vandaan, zó ver gekomen en er mag gerust gesteld worden dat knappe Joodse kopstukken daarin geen onbelangrijk aandeel hebben gehad. Velen van hen zijn voor zichzelf daarover heel tevreden, zoals ook blijkt uit datgene waarop de 'Laodicese' leden van de Joodse Eindtijdgemeenschap zich zullen beroemen: Ik ben rijk en ik heb me verrijkt en aan niets heb ik gebrek (Op 3:17).

Maar hun Masjiach kijkt daar geheel anders tegenaan. Dus zegt hij tot hen iets wat samengevat ongeveer op het volgende neerkomt:
"Gij, zijn uitverkoren volk, hebt je begunstigde status verkeerd benut. Onder allen ben juist jij de ellendige, deerniswekkende, de arme, blinde en naakte". 

In zijn voornemen is het altijd Gods plan geweest de ontwikkeling die van hem vandaan voert, tot een uiterste punt te laten komen en die dan om te buigen in een weg naar hem terug. In zijn volk Israël heeft hij dat voornemen al eens op typologische wijze ten uitvoer gelegd door dat volk uit de wereldmacht Egypte - het land van de Farao’s en de piramiden en daardoor in die periode het gebied der ontwikkeling - weg te voeren en tot Hemzelf te leiden, met de ultieme bedoeling die uitverkoren natie in een toestand van Rust te brengen (
Ex 19:4Dt 12:4-10).

Uit onze Brief, het gedeelte 
Hb 4:8-10, concludeerden we echter dat ook Kanaän, het Beloofde Land van de Rust, typologisch was en nog niet de echte Rust. De ombuiging en bijgevolg de weg terug tot God kon namelijk pas eerst werkelijk aanvangen met de verschijning van de Masjiach.
In zijn Dag, de Dag van de Heer, wanneer de 70ste Jaarweek aanbreekt en YHWH God zich weer exclusief met zijn Naamvolk zal bezighouden, komt ook het moment dat de rampzalige weg van Israël en de natiën van de wereld definitief wordt omgebogen tot de weg terug naar God (
Op 1:10).

Meer dan ooit tevoren zal dan voor de hele kosmos helder worden dat koning Salomo, geheel in de trant van Prediker, diepgaande waarheden lanceerde toen hij in Psalm 127 schreef: Indien YHWH het huis niet bouwt, sloven de bouwlieden er zich tevergeefs voor af. Indien YHWH niet waakt over de stad, is de wachter tevergeefs wakker gebleven. Het is tevergeefs dat gij vroeg opstaat, laat opzit, het zuur verworven brood eet; terwijl hij het zijn geliefde in de slaap geeft.
Want jullie weten dat hij ook naderhand, toen hij de zegen wilde erven, verworpen werd, want hij vond geen plaats voor een verandering van gedachte, hoewel hij die met tranen ernstig zocht.
We zagen al dat de mens van nature geneigd is volop van de wereld gebruik te maken, ook al ontwikkelt die wereld zich steeds verder van God vandaan. De mens is immers voortgebracht met de potentie zich te ontplooien en de wereld te vullen met een veelheid aan verschijningsvormen. Het was voor Isaäk daarom niet eens zo vreemd om hém te willen zegenen die de krachten der (negatieve) ontwikkeling vertegenwoordigde, zijn zoon Esau, die bovendien zijn eerstgeborene was.

Zoals bijna iedereen in de wereld onderscheidde Isaäk als Adamitisch mens niet goed en zag hij slechts het uiterlijke. Het wezenlijke, de kern der zaak, dat die zoon de verkeerde richting der ontwikkeling vertegenwoordigde, ontging hem, gefocust als hij was op het 'wildbraad' van de wereldse ontwikkeling.
Vergelijk 
1Ko 7:31 en 1Jh 2:15-17.

Doordat het vrouwelijke deel van zijn wezen, Rebekka, echter tijdig reageerde zorgde God ervoor dat de zegen van Abraham terecht kwam bij de juiste persoon: Degene die de stamvader zou worden van het volk dat onder de heerschappij van de Masjiach door God als het aardse deel van het Israël Gods gebruikt zal worden om de weg der schadelijke ontwikkeling definitief een halt toe te roepen en de wereld vanuit haar verste punt van ontwikkeling terug te voeren tot haar Schepper. Dat de hemelse Gemeente van het Israël Gods in de uitwerking van dat goddelijk plan een zeer belangrijk aandeel zal hebben, moge blijken uit 
Rm 8:19-22.
Opmerkelijk is dat de goddelijke zegen Jakob bereikte terwijl hij doorging voor Esau, als het ware gehuld in het lichaam van de mens der (negatieve) ontwikkeling. Maar dat is eenvoudigweg de situatie in deze wereld waarin zelfs de mensen die God zoeken verkeren. Zij kunnen nu eenmaal niet uit deze wereld stappen hoe negatief die zich ook ontwikkelt en hoe verder ze ook van God verwijderd raakt (1Ko 5:9-10).
Maar dat wil niet zeggen dat zij verplicht zijn met de wereld 'op jacht te gaan'. Ook dat aspect wordt ons aangereikt in deze geschiedenis. Isaäk toonde zich namelijk verwonderd dat zijn zoon het wild zo snel had gevonden:

Maar Isaäk zei tot zijn zoon: "Hoe heb je dat wild zo gauw kunnen vinden, mijn zoon"? Jakob gaf ten antwoord: "YHWH, uw God, heeft het op mijn weg gebracht" (Gn 27:20).

Het wild dat YHWH op Jakobs weg bracht, of: hem tegemoet liet komen, waren betekenisvol twee geitebokjes (vers 9). Betekenisvol omdat later, op Israëls jaarlijkse Verzoendag, op de tiende dag van de zevende maand, naast de stier voor Aäron en zijn 'huis' ook twee geitebokjes voor het volk ten zondoffer moesten worden gebracht:

En van de vergadering der zonen van Israël zal hij twee geitebokjes nemen voor een zondoffer… Hij zal de twee bokken nemen en ze voor het aangezicht van YHWH stellen bij de ingang van de Tent der samenkomst, en Aäron zal over de beide bokken het lot werpen; een lot voor YHWH, en een lot voor Azazel. Dan zal Aäron de bok waarop het lot voor YHWH is gevallen, brengen en hem ten zondoffer bereiden. Maar de bok waarop het lot voor Azazel gevallen is, zal men levend voor het aangezicht van YHWH stellen, om daarmee verzoening te doen, door hem voor Azazel de wildernis in te zenden.
(Lv 16:5-10)

Alweer betekenisvol is het feit dat Israël de jaarlijkse verzoening zou ervaren door het ten offer aanbieden van twee geitebokjes, in het Hebreeuws aangeduid met een zelfde term waaronder Esau en ook zijn nakomelingen bekend zijn komen te staan: Seïr [de zelfde schrijfwijze dus maar in het Hebreeuws anders gevocaliseerd of van klinkers voorzien], verwijzend naar het bergachtig land dat eerst door de Horieten werd bewoond, maar waar later Esau zich vestigde (Gn 14:4-636:6-9Dt 2:1, 8).

Wanneer dan ook op Jom Kippoer de Hogepriester (volgens Lv 16:21-22) zijn beide handen op de kop van de levende bok, die voor Azazel, legde om over hem alle dwalingen van de zonen van Israël en al hun daden van opstandigheid in al hun zonden te belijden en ze op de kop van de bok te leggen, teneinde al die dwalingen weg te dragen naar een woest land, werden die zonden als het ware op Esau’s hoofd geplaatst. Aldus bezien zou (volgens de Midrasj) de verantwoordelijkheid voor Jakobs (Israëls) zonden eigenlijk door Esau gedragen worden.

In Leviticus 16 wordt de bok die de zonde, dwaling en overtredingen naar de wildernis moest wegdragen, de bok voor Azazelgenoemd. Over de betekenis van Azazel is men verdeeld, maar volgens zijn oorspronkelijke afleiding zou het  woord hetzij sterkte Gods óf sterk tegen God betekenen. De laatste betekenis lijkt het meest waarschijnlijk aangezien de term in verband moet worden gebracht met een geestelijk schepsel dat geen goede bedoelingen heeft. In 
Lv 16:9-10 staat de bok voor Azazel immers tegenover de bok voor YHWH.

In die visie krijgt de bok voor Azazel bovendien nog meer zinvolle betekenis. Terwijl de bok voor YHWH letterlijk werd geofferd en het bloed (typologisch) verzoenende waarde had voor het volk, zoals het bloed van de stier het had voor Aäron en zijn Huis, werd de bok voor Azazel naar de wildernis geleid (van oudsher bezien als een verblijfplaats der demonen) om als het ware aan Satan alles terug te geven waarvoor hij als de eerste opstandeling en aanzetter tot het kwaad verantwoordelijk is geworden: Alsjeblieft, Satan! Hier heb je alles terug!

Wanneer we de zaak nog steeds vanuit het bovenstaande betoog bezien, krijgt ook Rebekka’s opdracht aan haar zoon Jakob, dat de twee geitebokjes die hij voor haar moest halen goede exemplaren moesten zijn, eveneens een diepere zin. Want die zouden niet alleen goed zijn voor Jakobs doel maar ook voor zijn nakomelingen, omdat de verzoening met YHWH hun God die Israël jaarlijks zou worden geschonken, berustte op het aanbieden van juist zulke bokjes.

Overigens kan men zich verwonderd afvragen waarom er twee bokjes voor Isaäk bereid moesten worden. Was één niet al meer dan voldoende voor zelfs een goede 'eter'? Maar wellicht werd ook in die zaak al een schaduw vooruit geworpen naar de wijze waarop Jom kippoer zou verlopen; het ceremonieel rond beide bokjes verschilde immers aanmerkelijk.

Op de tegenbeeldige Verzoendag heeft Masjiach Yeshua, zoals we al zagen bij 
Hb 4:14 en 7:26-27, dit beeld vervuld door zichzelf ten offer te brengen. Op grond daarvan is de wereldse 'jacht' - zich op eigen, menselijke kracht steeds verder ontwikkelen - geheel achterhaald. Het ware leven in al zijn (God welgevallige) verschijningsvormen zal in de Masjiach worden genoten. En YHWH Elohim heeft zijn Zoon reeds op zowel Israëls weg gebracht als op die van de gehele wereld (Gl 4:41Jh 2:1-2).

Maar intussen staan de leden van het ware Israël Gods wel steeds voor de uitdaging de wereld met zijn slechte ontwikkeling te overwinnen, zoals ook de Masjiach heeft gedaan.
Op grond van al het voorgaande kan echter gesteld worden dat zij die in hem zijn gaan geloven ook zelf begonnen zijn de wereld te overwinnen:

Omdat al wat uit God verwekt is, de wereld overwint; en dit is de overwinning die de wereld heeft overwonnen: ons geloof. Wie is het die de wereld overwint, dan hij die gelooft dat Yeshua de Zoon van God is?
 (1Jh 5:4-5)

Toen Isaäk zag dat zijn bedoelingen door God waren overruled, kwam hij met een schok tot bezinning. Ontzet concludeerde hij dat zijn oordeel berustte op een verkeerde waarneming. Bijgevolg liet hij zich niet vermurwen door zijn oudste zoon die heftig bij hem aandrong toch ook hém te zegenen.
Isaäk maakte Esau slechts diens profetische 'plaatje' bekend. Hij slaagde er niet in zijn vader tot andere gedachten te brengen: Hij vond geen plaats voor een verandering van gedachte, hoewel hij die met tranen ernstig zocht.
Isaäk bleek uiteindelijk een man van geloof te zijn, zelfs in deze zaak (
Gn 27:1-40).
Zie ook het commentaar bij Hb 11:20.


Oυ γαρ προσεληλυθατε ψηλαφωμενω και κεκαυμενω πυρι και γνοφω και ζοφω και θυελλη και σαλπιγγος ηχω και φωνη ρηματων, ης οι ακουσαντες παρητησαντο μη προστεθηναι αυτοις λογον∙ ουκ εφερον γαρ το διαστελλομενον, Kαν θηριον θιγη του ορους, λιθοβοληθησεται∙ και, ουτω φοβερον ην το φανταζομενον, Mωυσης ειπεν, Eκφοβος ειμι και εντρομος.         
   
18-21 Want jullie zijn niet genaderd tot wat wordt aangeraakt en tot wat met vuur in brand is gezet en tot donkerte en tot duisternis en tot stormwind, en tot bazuingeschal en tot een geluid van woorden, waarvan zij die [het] hoorden smeekten dat geen woord tot hen gericht zou worden; want zij konden niet verdragen wat geboden werd:
Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd.
En zó vreeswekkend was de manifestatie, dat Mozes zei: Ik ben verschrikt en sidderend.
De apostel vindt het wenselijk nog een laatste maal de Oude ordening te contrasteren met de Nieuwe opdat zijn lezers toch vooral zullen beseffen hoe groot hun voorrechten zijn.
In felle aardse contouren schildert hij de gebeurtenissen toen YHWH Elohim 'neerdaalde' op de Sinaï om met zijn Volk dat hij zo pas uit Egypte had geleid, een Verbond aan te gaan. Zoals blijkt uit de zeven datieven openbaarde God toen zijn heerlijkheid op zevenvoudige wijze, in onze weergave aangeduid met 7x tot.
Het getal 7 staat in de getallensymboliek voor geestelijke, hemelse volledigheid.

Hoewel het woord 'berg' daarbij niet wordt gebruikt moeten we, gezien de tegenstelling met een berg Sion in vers 22, denken aan de berg Sinaï.
Bij de Sinaï-wetgeving trad men toe tot een berg die tastbaar was en door vuur in vlam was gezet. Voor de beschrijving benut de apostel de gegevens van de beide Sinaï-verhalen. Als de Middelaar tussen hem en het volk gebood God Mozes: 
"Geef aan tot waar het volk mag komen, en waarschuw hen dat ze de berg niet op gaan; zelfs de voet daarvan mogen ze niet betreden. Wie zich op de berg waagt, moet ter dood gebracht worden. Zo iemand mag met geen vinger aangeraakt worden; hij moet worden gestenigd of met pijlen doorboord. Of het nu mensen of dieren betreft, ze mogen niet in leven blijven. Pas als het geluid van een ramshoorn weerklinkt, mogen ze de berg op gaan"…
Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. 
Iedereen in het kamp beefde. Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan. De Sinaï was volledig in rook gehuld, want YHWH was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid. YHWH was op de top van de Sinaï neergedaald. Hij vroeg Mozes naar hem toe te komen, en Mozes ging naar boven.
(Ex 19:12-20 geparafraseerd)

In 
Dt 4:11-12 en 5:23-27 herinnerde Mozes veertig jaar later het volk eraan wat zij toen bij de Sinaï hadden meegemaakt:
Op die dag kwam u schoorvoetend naar de voet van de berg, waaruit vuur hemelhoog opvlamde, te midden van duisternis en dreigende, donkere wolken. Toen sprak YHWH tot u vanuit het vuur. U hoorde een stem spreken, maar een gedaante zag u niet; er was alleen die stem…
Met een geweldig stemgeluid kondigde hij op de berg zijn geboden af, vanuit vuur en dreigende, donkere wolken, en hij schreef ze op twee stenen platen en gaf die aan mij. Toen u die stem had gehoord vanuit de duisternis, terwijl de berg in vuur en vlam stond, zijn uw stamhoofden en oudsten bij mij gekomen met de woorden: "Zojuist heeft YHWH, onze God, ons zijn luister en zijn grootheid laten zien en hebben we zijn stem uit het vuur gehoord. We hebben vandaag ondervonden dat God met mensen spreekt zonder dat het hun het leven hoeft te kosten. Maar moeten we ons leven nu opnieuw op het spel zetten? Dit enorme vuur zal ons levend verbranden! Als we de stem van YHWH, onze God, nogmaals horen, zullen we zeker sterven. Want er is toch geen mens die net als wij de stem van de levende God vanuit het vuur heeft horen spreken en het heeft kunnen navertellen? Kunt u niet gaan om te horen wat YHWH zeggen wil? Als u zijn woorden dan aan ons overbrengt, zullen wij luisteren en ernaar handelen".
(Parafrase)
Het is duidelijk dat er sprake was van een door God ingestelde distantie tot het Volk, maar ook het Volk zelf deinsde terug van het naderen tot God wegens een algemene verschrikking. Zij oordeelden het niet onterecht als een levensgevaarlijke zaak om in de nabijheid daarvan te verkeren. Vooral toen zij de afkondiging van de Tien Woorden hadden gehoord, meenden zij te moeten sterven als God nog verder tot hen sprak.
Ja, zelfs Mozes, de Middelaar, was een en al vrees en siddering, tenminste volgens de apostel die voor die constatering blijkbaar heeft geput uit een Rabbijnse traditie, aangezien we in Mozes’ eigen verslag daarover niet worden geïnformeerd.

Wél vinden we de door de apostel gebruikte adjectieven - eκφοβος [verschrikt] en εντρομος [sidderend, bevend] - in verband met Mozes terug in resp 
Dt 9:19 (LXX) en Hn 7:32, maar daar onder andere omstandigheden.

In die vreeswekkende manifestatie van destijds bleef God niet alleen de Afstandelijke maar ook de Verborgene. Hij maakte slechts zijn Wil aan het Volk bekend. In zijn houding en wezen distantieerde hij zich volledig van hun onheilige status.
Weliswaar waren de attributen van zijn zevenvoudige openbaring zintuiglijk tastbaar en waarneembaar, maar God zelf was onbenaderbaar en niet te aanschouwen: Jullie hoorden een stem spreken, maar een gedaante zagen jullie niet; er was alleen die stem… 

Wat moeten de Hebreeën uit dat alles concluderen:
Precies dezelfde dingen die al eerder - vooral in de kern van onze Brief - aan de orde waren: Alles in verband met de oude regeling was aards en ontoereikend: Een tot de wereld behorend heiligdom, van deze schepping, waarin slechts dierlijke slachtoffers werden opgedragen die niet in staat zijn hem die dienst voor God verricht naar [het]geweten tot volmaaktheid te brengen (Hb 9:1-12).

Vergelijk ook Hb 7:11, 18-19.
Er moest daarom te zijner tijd een terzijdestelling plaats vinden van een voorafgaand gebod wegens de zwakheid en nutteloosheid ervan.   

αλλα προσεληλυθατε Σιων ορει και πολει θεου ζωντος, Ιερουσαλημ επουρανιω, και μυριασιν αγγελων, πανηγυρει και εκκλησια πρωτοτοκων απογεγραμμενων εν ουρανοις, και κριτη θεω παντων, και πνευμασι δικαιων τετελειωμενων, και διαθηκης νεας μεσιτη Ιησου, και αιματι ραντισμου κρειττον λαλουντι παρα τον Aβελ. 

22-24 
Maar jullie zijn genaderd tot
> Sionsberg; en
> Stad van [de] levende God, Jeruzalem dat tot de hemelsferen behoort; en
> myriaden van engelen, in vergadering; en
> Gemeente van Eerstgeborenen die ingeschreven staan in [de] hemelen; en
> Rechter God van allen; en
> geesten van rechtvaardigen die tot volmaaktheid zijn gekomen; en
> Yeshua, Middelaar van [een] Nieuw Verbond; en
> bloed der besprenkeling dat beter spreekt dan Abel.
Eerst nu wordt goed duidelijk waarom vers 18 opende met wantWant jullie zijn niet genaderd tot…, hier voortgezet met: Maar jullie zijn genaderd tot…
De Masjiach Yeshua belijdende Joden (Hebreeën) zijn genaderd of toegetreden tot zulke grootse, geestelijke werkelijkheden dat zij veel meer te verliezen hebben dan hun voorvaders, zij die getuige waren van de inauguratie van de vroegere regeling.

En dat zou kunnen gebeuren wanneer zij de weg van Esau zouden gaan, door in gebreke te blijven de heiliging na te jagen, en ook in andere opzichten achter te blijven bij Gods liefderijke gunst. Maar vooral óók wanneer zij besmet zouden raken met de giftige, antichristelijke opschietende wortel van bitterheid.
Vandaar dat we hierboven zo diep zijn ingegaan op Esau’s situatie.
In tegenstelling tot hun voorvaders bij de Sinaï hoeft er in hun geval in het geheel geen sprake te zijn van afstandelijkheid en gevoelens van vrees en angst, maar eerder van een grote vrijmoedigheid om tot YHWH, hun God, te naderen.
Te meer, omdat er iemand is, hun Masjiach, die altijd leeft om voor hen ten beste te spreken. Wiens slachtoffer zo’n reinigende kracht heeft dat hun harten gesprenkeld zijn van een boos geweten en het lichaam gebaad met rein water (Hb 4:167:2510:22).

Maar jullie zijn genaderd tot Sionsberg; en stad van [de] levende God, Jeruzalem dat tot de hemelsferen behoort …
Sion wordt geplaatst tegenover Sinaï, zoals de apostel ook al deed in 
De Allegorie van Gl 4:24-31, waar hij het Jeruzalem dat boven is - de 'moeder' Sarafiguur van de vrije zonen der Christelijke Gemeente - contrasteerde met het Jeruzalem van nu, de Joden (Hebreeën) die zich nog altijd zien als verblijvend onder de Oude, Mozaïsche regeling, maar waarvan de 'kinderen' in slavernij verkeren, zoals ook het geval was met hún 'moeder' Hagar.

Genoemde vrouwen vertegenwoordigen volgens de apostel namelijk twee Verbonden. Het ene, afkomstig van de berg Sinaï… en dat is Hagar, het Wetsverbond. Sara echter representeert het andere, Gods Verbond dat hij sloot met Abraham. Op grond van dat Verbond - zo kenmerkend voor de Belofte die het bevat, worden de twee Gemeentes van het ene Israël Gods voortgebracht.

Vergelijk: Gl 3:296:16Hb 6:11-179:1510:3611:13, 39-40.

In Gods voornemen en openbaring gaat het dus van Sinaï, de berg van de Wet en het oordeel, naar Sion, de berg van liefderijke gunst, licht en leven in Masjiach Yeshua:
Want de Wet werd door Mozes gegeven; de liefderijke gunst en de waarheid kwamen door Yeshua Masjiach (Jh 1:4, 17).

Eens troonde op de aardse berg Sion koning David als voorafbeelding van zijn blijvende erfgenaam: Yeshua in zijn Messiaans Rijk.
Tijdens de heerschappij van Davids zoon Salomo verrees in Sion - de latere aanduiding van geheel Jeruzalem, inclusief de berg Moria - ook de Tempel, waardoor YHWH EloHim zelf als het ware op Sion als koning zetelde (Ex 15:17-18).

Langs die weg werd Sion voor het oude Godsvolk het symbool van alle luister, schoonheid en redding onder het Millenniumrijk van de Masjiach: Een uitbundige vreugde voor heel de aarde (Ps 48:1-450:1-2).

Over dat Sion wordt in Js 2:2-5 profetisch gezegd:

Op het einde der dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH vast zal staan als de eerste der bergen, verheven boven de heuvels; en alle volken stromen naar hem toe, naties gaan op weg en zeggen: Komt, laat ons gaan naar de berg van YHWH, naar het huis van Jakobs God: dan zal Hij ons zijn wegen wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen. Ja, uit Sion komt Gods onderricht, uit Jeruzalem het woord van YHWH. Hij zal recht doen tussen de vele volken, en machtige naties tuchtigen. Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen en hun speerpunten tot sikkels. Geen volk heft het zwaard meer tegen een ander en de oorlog leren ze niet meer. Huis van Jakob, komt, laat ons wandelen in het licht van YHWH.

Dat deze hemelse stad [επουρανιοςtot de sfeer der hemel behorend] verband houdt met de Abrahamitische Belofte, bleek al uit Hb 11:9-10. Het geloof van de patriarch bracht hem er immers toe zich te vestigen in [het] land van de Belofte als een vreemd [land], terwijl hij in tenten woonde met Isaäk en Jakob, de mede-erfgenamen van dezelfde Belofte; want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is.

In de Openbaring wordt die stad getekend als de heilige Tempelstad Nieuw Jeruzalem, tegenbeeld van de Tabernakel, het Heiligdom dat op Gods aanwijzing onder de leiding van Mozes in de wildernis werd opgericht.
Johannes zag in visioenen die Tempelstad vanaf God uit de hemel neerdalen, waarna hij een stem hoorde die zei:

Zie! De Tent van God met de mensen, en hij zal bij hen verblijven en zij zullen zijn volken zijn, en God zelf zal met hen zijn. En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de Dood zal niet meer zijn, noch rouw noch geschreeuw noch pijn zal er nog zijn. De eerste dingen zijn heengegaan (Op 21:1-4).

En myriaden van engelen, in vergadering; en Gemeente van Eerstgeborenen die ingeschreven staan in [de] hemelen…
Hemels Jeruzalem op de Sionsberg, de stad van de God die leeft, herbergt binnen haar 'muren' een unieke 'populatie'. Allereerst wordt melding gemaakt van de engelen die in aantallen van tienduizenden aanwezig zijn.
Vergelijk Op 5:11-12, waar ons in tekenen een hemels tafereel wordt getoond dat zich vroeg in de 70ste Week zal ontvouwen:

En ik zag en ik hoorde een geluid van vele engelen rondom de troon en de Levende wezens en de Oudsten, en hun aantal was myriaden van myriaden en duizenden van duizenden, zeggend met luide stem: Het Lam dat geslacht is, is waardig de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging te ontvangen. 
De in vers 22 gebruikte Griekse term πανηγυρις, doelend op een samenkomst van het volk, is door ons weergegeven met vergadering. In de LXX treffen we πανηγυρις aan in Ez 46:11Hs 2:119:5 en Am 5:21, waar telkens een verband blijkt te zijn met de Israëlitische feesten (feesttijden).
In de LXX, in Js 66:10, wordt bovendien het verwante werkwoord πανηγυριζω [een volksfeest houden] aangetroffen en wel in een context van Vrouwe Sion (Jeruzalem) die onverwacht haar zonen baart waardoor een land op één dag met weeën wordt voortgebracht; een natie in één keer wordt geboren (de vv 7-9).
Vers 10 luidt volgens de LXX >

Verheug je, Jeruzalem, en laten allen die haar liefhebben een volksfeest houden in haar Weest uitermate blij tezamen met haar, allen die over haar treuren!

Met het oog daarop mogen we er misschien van uitgaan dat onze tekst aangeeft dat binnen de Tempelstad Nieuw Jeruzalem de vroegere, typologische Feesttijden zullen herleven, maar dan in tegenbeeldige zin, als de ware realiteiten.
Het voltallige Israël Gods - de Christelijke Gemeente in de hemel en de Joodse op aarde, met elkaar vormend de ene Gemeente van Eerstgeborenen die ingeschreven staan in [de] hemelen - zal delen in de feestelijke samenkomst. God kent terdege hen die hem toebehoren (Lk 10:20Fp 4:32Tm 2:19).

Maar vanzelfsprekend zullen ook allen die tijdens het Millennium opgaan naar Jeruzalem zich in de tegenbeeldige feesttijden verheugen.
Vergelijk in het bijzonder 
Zc 14:16-19, waar profetisch voor het Millennium een tegenbeeldig Loofhuttenfeest, het Feest der inzameling, wordt aangekondigd.
Maar zie ook:
Psalm 122; Js 2:365:17-1966:22-23.

En tot Rechter God van allen; en tot geesten van rechtvaardigen die tot volmaaktheid zijn gebracht…
Hoewel voor het Millenniumrijk geldt dat God heel het oordeel aan de Zoon heeft toevertrouwd, zal deze uiteindelijk toch het Recht van zijn Vader God ten uitvoer leggen: Ik kan niet handelen vanuit mijzelf; gelijk ik hoor, oordeel ik; en mijn oordeel is rechtvaardig, want ik zoek niet mijn eigen wil maar de wil van hem die mij zond (Jh 5:22, 30).

Door zijn rechterlijke tussenkomst zullen de leden van de beide Gemeenten van het Israël Gods - de Koninklijke priesterschap - hun 'kroon' ontvangen.
Vergelijk respectievelijk: 1Ko 9:252Tm 4:8Op 4:4, 10
en Jk 1:121Pt 5:4Op 2:10Op 3:11-12.

Eerder, in hoofdstuk 10, zagen we dat 'de Heer zijn volk zal oordelen'. Hem die de Zoon van God met voeten trad, en het bloed van het Verbond waarin hij geheiligd werd, doodgewoon achtte, en de geest der liefderijke gunst krenkte, wacht wraak, maar voor de 'rechtvaardigen' is de Rechter God zowel een helper als redder (
Hb 10:26-31Lk 18:7-8Ps 68:6).

Terwijl voor hen die Gods liefderijke gunst verachten, zoals Esau, het strafgericht onverminderd geldt, kan de gelovige Rest der Hebreeën vol vertrouwen zijn dat de Rechter God hen door tussenkomst van zijn Zoon tot hun bestemming zal leiden, precies zoals hij deed bij de Opname van de Christelijke Gemeente.

De Hebreeën van de Eindtijd zijn eveneens genaderd tot de geesten van rechtvaardigen die tot volmaaktheid zijn gekomen.
Wie worden bedoeld?
Het lijkt ons aannemelijk dat de auteur terugverwijst naar hoofdstuk 11, waar de geloofsgetuigen van de Oudheid eervol werden vermeld. Hoewel zij nog altijd in het graf verblijven, zijn zij bij God niettemin voortdurend in gedachtenis. Denk aan wat Lukas schreef over de patriarchen:

Maar dat de doden worden opgewekt heeft ook Mozes te kennen gegeven bij de braamstruik, als hij zegt: [de] Heer de God van Abraham en God van Isaäk en God van Jakob. Hij toch is geen God van doden maar van levenden; want voor hem leven zij allen.
Eerder in dit hoofdstuk, in vers 9, noemde de auteur YHWH Elohim de Vader der geesten.
Aan hem dankt ieder mens het innerlijk levensbeginsel.
Vandaar dat we in Psalm 104 lezen: Neemt gij hun geest weg, zij blazen de laatste adem uit… Zendt gij uw geest uit, zij worden geschapen. 

Zonder de Getrouwen van het Verleden zou het schitterende ‘plaatje’ van de toekomst onder het Gods Rijk niet compleet zijn.
Denk als voorbeeld aan Daniël aan wie God beloofde: En jij, ga het einde tegemoet; en je zult rusten en opstaan tot je bestemming aan het einde der dagen (Dn 12:13).

Uit de bekende Messiaanse Psalm 45:13-16 kan afgeleid worden dat buiten de Gemeente van eerstgeborenen die ingeschreven staan in de hemelen, het voltallige Israël Gods, ook Yeshua’s getrouwe Voorvaderen een plaats en bestemming zullen hebben binnen die glorierijke toekomst:

Stralend wacht de koningsdochter binnen, van goudbrokaat is haar mantel. Een kleurige stoet brengt haar naar de koning; in haar gevolg de meisjes [maagden], haar vriendinnen. Zij worden naar hem toe gebracht; begeleid door gejuich en vreugdezang gaan zij het paleis van de koning binnen.
In de plaats van je vaderen zullen je zonen zijn. Jij zult hen maken tot vorsten in heel het land (of: de aarde).

Zie: 1)  Het commentaar op Genesis 24:62-65.
       2)  De Opstanding.
Dat de Hebreeën tenslotte ook genaderd zijn tot de Middelaar van een Nieuw Verbond Yeshua; en tot bloed der besprenkeling dat beter spreekt dan Abel, is op zich geen nieuwe gedachte van de apostel, want daarmee vat hij feitelijk de hoofdmotieven van onze Brief nog eens samen.
Over het Nieuwe Verbond van Jeremia 31, dat in de 70ste Week door God met hersteld Israël wordt gesloten - met Yeshua als de Middelaar - weidde hij al uit in de hoofdstukken 8 en 10, terwijl hij in hoofdstuk 9 diep inging op de verzoenende kracht van Yeshua’s vergoten bloed dat aan de basis ligt van het Nieuwe Verbond. Terwijl Abel wegens zijn onschuldig vergoten bloed vanaf de aardbodem riep om wraak, roept Yeshua's slachtofferlijk bloed om verzoening, wegneming van de zonde en schuld. Kortom, het aanwenden van Gods genade (liefderijke gunst) voor hen die in geloof berouwvol tot hem komen.

In de vv 18 tm 21 telden we zeven datieven in verband met de Joodse voorvaders die destijds naderden tot de vreeswekkende gebeurtenissen bij de Sinaï.
In dit schriftdeel tellen we er 10 en dat is beslist opmerkelijk. Waarom?
In de getallensymboliek van de Bijbel staat ook het getal 10 voor volledigheid maar dan in aardse zin. De tien datieven die betrekking hebben op de Nieuwe orde, verwijzen echter overwegend naar zaken en personen die hemels zijn. De nieuwe regeling zal werkzaam zijn binnen een hemelse sfeer [επουρανιος], maar qua uitwerking geheel gericht op de aarde. De bedoeling is immers dat de Belofte wordt verwezenlijkt: In jouw zaad zullen alle Heidenvolken der aarde gezegend worden.

Opmerking: Tellen we in ons Schriftdeel de onderdelen zoals ze verbonden worden door het voegwoord και, dan komen we niet verder dan 8, het getal dat staat voor een nieuw begin. Vanuit dat gezichtspunt ligt de nadruk op het feit dat God met het sluiten van het Nieuwe Verbond een nieuw begin maakt met zijn volk.
Vergelijk 
1Pt 3:20. Met de 8 zielen die veilig door de wateren van de Vloed werden gevoerd, werd een nieuw begin gemaakt op aarde.   

Bλεπετε μη παραιτησησθε τον λαλουντα∙ ει γαρ εκεινοι ουκ εξεφυγον επι γης παραιτησαμενοι τον χρηματιζοντα, πολυ μαλλον ημεις οι τον απ ουρανων αποστρεφομενοι∙

25 
Let op dat jullie hem die spreekt niet afwijzen. Want indien zij niet ontkwamen die hém afwezen die op aarde spreekbuis was van goddelijke openbaring, dan veel minder wij, als wij ons afkeren van hém van hemelse herkomst,

De vermaning betreft nu niet slechts het gedeelte dat direct voorafging, maar heeft feitelijk betrekking op de inhoud van de gehele Brief tot nu toe. De auteur grijpt immers terug op zijn proloog; God die met het aanbreken van de Messiaanse tijd spreekt door zijn Zoon:

God, die in de oudheid veelvuldig en op veel manieren tot de vaders sprak in de profeten, sprak op het laatst van deze dagen tot ons in [een] Zoon die hij tot erfgenaam van alle dingen stelde. Door wie hij ook de aeonen maakte. 

Achteloos reageren op de dingen die Gods Zoon tot Israël sprak, of sterker nog: Hardnekkig weigeren er gehoor aan te geven, zal voor de Hebreeën fatale gevolgen hebben.
Eigenlijk heeft de auteur dat al eerder aangetoond, bijvoorbeeld in de hoofdstukken 3 en 4, toen hij zijn lezers herinnerde aan hun opstandige Voorvaders die nooit de Rust van het Land der Belofte ingingen omdat zij zich tegen Gods spreekbuis Mozes keerden:

Want wie waren opstandig toen zij hoorden? Soms niet allen die door Mozes uit Egypte wegtrokken? Van wie dan kreeg hij veertig jaar een afkeer? Niet van hen die zondigden, wier lijken vielen in de wildernis? Aan wie dan zwoer hij dat zij niet zouden ingaan in zijn Rust? Niet aan hen die ongehoorzaam waren? Zo zien wij dat zij niet konden ingaan vanwege ongeloof. Laten wij dan vrezen, aangezien er een Belofte overblijft om in te gaan in zijn Rust, dat niemand van jullie ooit zou blijken achtergebleven te zijn.
Daarmee liet de apostel al uitkomen dat het voor de Hebreeën die de Masjiach (Yeshua) afwijzen, absoluut onmogelijk is de toekomstige bewoonde aarde, of: wereld - waarover de Joden het onderling zo vaak met elkaar hebben - binnen te gaan. Hun verzet dat uit ongeloof voortkomt, maakt dat ten ene male onmogelijk.

Oók in hoofdstuk 10 attendeerde de apostel zijn lezers op zulke consequenties door opnieuw hun situatie vanuit de oude, Mozaïsche regeling te bezien:

Iemand die de wet van Mozes verwerpt, sterft zonder mededogen op grond van twee of drie getuigen. Hoeveel erger straf, menen jullie, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God met voeten trad, en het bloed van het Verbond waarin hij geheiligd werd, doodgewoon achtte, en de geest der liefderijke gunst krenkte?

In het Messiaanse tijdperk wordt het vergoten, offerandelijke bloed van Yeshua dus tot een toetssteen. Dat bloed als profaan behandelen, van doodgewone waarde achten, betekent voor een Hebreeër dat hij door die houding ook het Nieuwe Verbond met alle daaraan verbonden zegen afwijst.
Het is dus niet toevallig dat de vermaning in ons vers onmiddellijk aansluit op het laatste zinsdeel van het vorige vers (24): Maar jullie zijn genaderd… tot bloed der besprenkeling dat beter spreekt dan Abel.
Aangezien αιμα [bloed] onzijdig is kan met τον λαλουντα in ons vers echter niet gedoeld zijn op Yeshua's 'sprekende' bloed.

ου η φωνη την γην εσαλευσεν τοτε, νυν δε επηγγελται λεγωνEτι απαξ εγω σεισω ου μονον την γην αλλα και τον ουρανον, το δεEτι απαξ δηλοι [την] των σαλευομενων μεταθεσιν ως πεποιημενων, ινα μεινη τα μη σαλευομενα. 

26-27 
wiens stem toen de aarde schudde. Maar nu heeft hij aangekondigd, zeggend:
Nog éénmaal zal ik
niet alleen
de aarde schokken,
maar ook
de hemel.
Welnu, het
nog eenmaal
wijst op de verwijdering der dingen die worden geschud als dingen die gemaakt zijn, opdat de dingen die niet geschud worden blijven.

Het spreken van de Rechter God van allen valt samen met dat van hém van hemelse herkomst, zijn Zoon Masjiach Yeshua. Een noodzakelijke constatering op grond van: Wiens stem toen de aarde schudde, waarmee het vorige vers feitelijk werd afgesloten. Het verband met dat vers (25) wijst immers op Yeshua als subject. Overigens in het geheel geen vreemde zaak, want de Zoon is niet alleen de handelende persoon voor God, zijn Vader, maar ook zijn Logos, het Woord dat voor hem spreekt en wel dusdanig dat een en ander overkomt alsof God zelf spreekt (Jh 1:1-3).

Hoewel onze Brief begint met: God, die in de oudheid veelvuldig en op veel manieren tot de vaders sprak in de profeten, sprak op het laatst van deze dagen tot ons in [een] Zoon, is het alleszins aannemelijk dat YHWH Elohim ook voorafgaand aan de Messiaanse tijd geregeld sprak door tussenkomst van die Zoon, maar dan uiteraard in diens pre-existente situatie.
De proloog vervolgt immers aldus: die [de Zoon] hij tot erfgenaam van alle dingen stelde; door wie hij ook de aeonen maakte. Hij die afstraling der heerlijkheid is en afdruk van zijn wezen, die ook alle dingen draagt door zijn krachtig woord.

Dat de Zoon afstraling is van Gods heerlijkheid en een precieze weergave van diens wezen, verklaart waarom YHWH kon verschijnen in de persoon van de engel van YHWH, die tot mensen sprak op een wijze alsof zij met YHWH persoonlijk te doen hadden.
Dat wordt goed duidelijk in Genesis 16, waar de Bijbel voor de eerste maal zo’n gelegenheid beschrijft, en wel in verband met Hagar, de slavin van Abrahams vrouw Sarai, maar die van haar was weggelopen:

De engel van YHWH vond haar bij een waterbron in de wildernis, de bron die aan de weg naar Sur ligt. Hij zei: "Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen"? Zij zei: "Ik ben weggelopen van mijn meesteres Sarai". De engel van YHWH zei tot haar: "Ga naar je meesteres terug en verneder je onder haar hand". De engel van YHWH zei ook nog tot haar: "Jouw zaad zal ik zeer vermenigvuldigen, zo talrijk dat het niet geteld zal worden". De engel van YHWH verzekerde haar: "Zie, je bent nu zwanger; je zult een zoon baren en hem Ismaël noemen; want YHWH heeft van je ellende gehoord. Een wilde ezel in de steppe wordt hij, zijn hand gaat omhoog tegen allen, en de hand van allen zal tegen hem zijn; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broeders". Toen gaf zij YHWH, die tot haar gesproken had een naam: "Gij zijt een God die ziet". Want, zei zij, "Heb ik hier werkelijk hem gezien die mij ziet"?
(Gn 16:7-13)
Wanneer we in Genesis 18 lezen dat YHWH verscheen aan Abraham en tot hem sprak, volgt een beschrijving van drie engelen die zich tot manlijke gestalten hadden gematerialiseerd en van wie één tot de patriarch sprak op een wijze alsof hij YHWH zelf was. En wanneer we later lezen dat Abraham op het punt staat zijn zoon Isaäk te offeren, gebeurt het volgende:

Daar riep de engel van YHWH uit de hemel hem toe, en sprak: Abraham, Abraham! Hij zei: Hier ben ik. Hij sprak: Sla je hand niet aan de knaap, en doe hem geen kwaad. Want nu weet Ik, dat je God vreest; want je hebt Mij je enige zoon niet onthouden (Gn 22:11-12).

Eeuwen later, bij Israëls Exodus, vernemen wij dat de engel van YHWH voor hen zal uittrekken:

Zie, Ik zend mijn engel voor u uit om u onderweg te beschermen en u naar de plaats te brengen die Ik heb vastgesteld. Heb aandacht voor hem en luister naar zijn woord. Kom niet tegen hem in opstand, want hij zou u uw verzet niet vergeven. Want in hem is mijn naam aanwezig. Als u zijn woord gehoorzaamt en doet wat Ik u zeg, dan ben Ik de vijand van uw vijanden, de onderdrukker van uw onderdrukkers (Ex 23:20-22).

Bijzonder aan die belofte is dat YHWH laat weten dat zijn naam in de engel is. De engel handelt dus met een autoriteit als die van YHWH Elohim zelf, wat we ook terugvinden in Rechters 2:1 
De engel van YHWH ging van Gilgal naar Bochim en sprak: "Ik heb jullie uit Egypte geleid en jullie naar het land gebracht dat ik aan jullie vaderen onder ede beloofde. Ik heb gezegd: Nooit zal Ik mijn verbond met jullie verbreken".
 
Het zal duidelijk zijn dat de engel van YHWH spreekt alsof God zelf het woord tot Israël richt: Hij beloofde aan de voorvaders het land; hij leidde hen uit Egypte; hij sloot zijn Verbond met hen. Geen wonder dus dat deze zelfde engel van YHWH, in werkelijkheid niemand minder dan de Masjiach, de Zoon van God in zijn pre-existentie, door zijn spreken bij de Sinaï de aarde deed schudden.
Maar nu heeft hij aangekondigd, zeggend: "Nog éénmaal zal ik niet alleen de aarde schokken, maar ook de hemel".
De quote steunt in principe op Hg 2:7. Maar óók Hg 2:22 is in beeld; beide volgens de LXX. In vers 7 lezen we: Nog éénmaal zal ik de hemel en de aarde schudden, de zee en het vaste land.
De apostel laat echter de twee laatste termen (de zee en het vaste land) weg en last in: niet alleen, maar ook, waardoor het citaat een pregnante zin krijgt: Niet alleen de aarde - zoals plaats vond in de directe omgeving van de Sinaï, hoewel in Psalm 68 wordt gesproken van het beven der aarde (vers 9) - maar óók de hemel zal God schokken of doen beven.
Daarbij is de toon om verschillende redenen eschatologisch:

(1) Op grond van de context. Volgens de M-tekst lezen we in Hg 2:7-11:

Aldus spreekt YHWH der legerscharen: Nog éénmaal - het is een korte tijd - en ik schud de hemelen en de aarde en de zee en de droge grond. Dan schud ik alle Gojim [de Heidenvolken; natiën], en de begeerte van al de Gojim moet komen en ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, spreekt YHWH der legerscharen. Mij behoort het zilver en mij behoort het goud, spreekt YHWH der legerscharen. De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal de vroegere overtreffen, spreekt YHWH der legerscharen. En in deze plaats zal ik vrede geven, spreekt YHWH der legerscharen.
Die profetische woorden zijn tot op heden nooit volledig vervuld, hoewel de Tweede tempel - opgetrokken onder het bestuur van Zerubbabel en verfraaid en uitgebreid op initiatief van Herodes - in de jaren 29-33 AD enkele malen werd vereerd met een bezoek van Masjiach Yeshua.
Niettemin ontbrak in het Allerheiligste van die tempel de Ark van het Verbond; derhalve was ook YHWH Elohim niet meer op vertegenwoordigende wijze aanwezig boven het Verzoendeksel door middel van de Sjekina, een bovennatuurlijk licht (Ex 25:21-22).
De herbouwde tempel bleef qua luister daarom ver achter bij die welke door Salomo werd gebouwd.

Met een toekomstig Huis dat de heerlijkheid en glans van Salomo’s tempel verre gaat overtreffen, moet de profeet daarom gedoeld hebben op de Tempelstad Nieuw Jeruzalem, waarover we in Openbaring 21 lezen dat ze vanaf God uit de hem neerdaalt en (om die reden) gekenmerkt zal zijn door een buitengewoon grote luister:

En hij voerde mij in de geest weg naar een grote en hoge berg, en hij toonde mij de heilige Stad Jeruzalem neerdalend van God uit de hemel, hebbend de heerlijkheid van God. Haar glans gelijk een zeer kostbaar gesteente, als een kristalhelder schijnende jaspissteen; hebbend een grote en hoge muur die twaalf poorten heeft, en op de poorten twaalf engelen; en daarop namen geschreven, welke zijn van de twaalf stammen der zonen Israëls... 

En de muur van de Stad heeft twaalf fundamenten en daarop twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam... En haar muur is gebouwd van jaspis, en de Stad zuiver goud gelijk zuiver glas. De fundamenten van de muur der Stad versierd met allerlei kostbaar gesteente... En de twaalf poorten twaalf parels; iedere poort afzonderlijk één parel. En de brede straat der Stad zuiver goud, als doorzichtig glas. En ik zag geen tempel in haar, want de Heer God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam. En de stad heeft de zon noch de maan nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlichtte haar, en haar lamp het Lam. En de Heidenen zullen door haar licht wandelen, en de koningen der aarde zullen hun heerlijkheid in haar brengen. En haar poorten zullen des daags beslist niet gesloten worden, want nacht zal daar niet bestaan. En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de Heidenvolken in haar brengen. 
(Op 21:10-26)

Dat Huis zal echter volledig vorm aannemen - door het 'leggen' van alle betrokken levende stenen - in een tijd van grote beroering, waarin God het Oude wereldstelsel zo zal 'schudden' dat het in vernietiging ten onder zal gaan.
Precies zoals we verder lezen in Haggaï 2:21-22 >>

Spreek tot Zerubbabel, de landvoogd van Juda, zeggend: Ik schud de hemelen en de aarde. En ik zal de troon der koninkrijken omverwerpen, de macht van de koninkrijken der gojim vernietigen. En ik zal de wagens en hun berijders omverwerpen en de paarden en hun ruiters zullen neerstorten; een man [valt] door het zwaard van zijn broeder.
(2) Wegens het gebruik van ετι απαξ [nog éénmaal].
De auteur heeft een voorliefde voor het eschatologische απαξ om de éénmaligheid van Gods handelen aan te geven. Dat wat de volmaaktheid brengt - hier op grond van het Nieuwe Verbond dat met Israël wordt gesloten - geschiedt slechts éénmaal.

Samengevat: Omdat Gods stem, gehoord in zijn Zoon, het Sinaïgebied deed beven toen het vroegere Verbond met Israël werd ingewijd, kon de vraag opgeworpen worden wat dan wel verwacht mocht worden bij de inauguratie van het veel betere Verbond, het Nieuwe Verbond, op basis waarvan Israël tot een natie van wederverwekte personen zou worden gemaakt en daardoor werkelijk in staat om in het Millennium tot een zegenende Koninklijke priesterschap te worden. Vergelijk: 2Ko 3:7-11.

De auteur van onze Brief vond - uiteraard onder de leiding van de geest van inspiratie - het antwoord op die vraag in het boek Haggaï. Niet vreemd overigens, want in Haggaï gaat het in de eerste plaats om het oprichten van een Tempelheiligdom dat die van Salomo in heerlijkheid zou overtreffen. En in die context wordt

1.) het Volk aangemoedigd ijverig met het werk door te gaan;
2.) een vergelijking gemaakt met de vroegere situatie, toen YHWH zijn Volk uit Egypte leidde en bij de Sinaï met hen een Verbond sneed [aanging]:

Weest sterk, gij allen, volk van het land, spreekt YHWH, en werkt door want ik ben met jullie, spreekt YHWH der legerscharen! Het woord dat ik met jullie in een Verbond overeenkwam toen jullie uit Egypte kwamen en mijn geest in jullie midden stond; weest niet bevreesd. Aldus spreekt YHWH der legerscharen: Nog éénmaal - het is een korte tijd - en ik schud de hemelen en de aarde en de zee en de droge grond. Dan schud ik alle Gojim, en de begeerte van al de Gojim moet komen en ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, spreekt YHWH der legerscharen. 
(Hg 2:4-7)

Het schudden, niet alleen van de aarde maar ook van de hemelen, kan dus terecht met het Nieuwe Verbond in verband worden gebracht. In een periode van grote wereldberoering sluit YHWH dat Verbond met zijn volk dat, wegens zijn veel betere grondslag - Yeshua’s vergoten bloed - Israël in staat stelt het zegenende zaad van Abraham te worden.
Dat ook de hemelen in die beslissende tijd geschud zullen worden, hebben we al in ons commentaar op Esau ('Edom') in de vv 16 en 17 behandeld, door naar 
Op 12:7-12 te verwijzen: Het demonenrijk dat zich niet zomaar gewonnen geeft.

In de Openbaring, 11:19, wordt ons eveneens getoond, maar dan in zinnebeelden, dat het sluiten van het Nieuwe Verbond met enorme kosmische effecten gepaard zal gaan:

En het Heiligdom van God dat in de hemel [is] werd geopend en de Ark van zijn Verbond werd gezien in zijn heiligdom; en er geschiedden bliksemstralen en stemmen en donderslagen en een aardbeving en een grote hagel

Gods paleisachtige Heiligdom, de Tempelstad Nieuw Jeruzalem, zal zich uitstrekken van de hemel naar de aarde (
Js 66:1). In het Allerheiligste van de Tabernakel bevond zich destijds de Verbondsark met het gouden verzoendeksel waarboven God werd gedacht te tronen, tussen de cherubim (Hb 9:3-5).
Dat het hemelse deel van de 'naos' geopend werd en de Verbondsark zichtbaar werd, geeft daarom zinnebeeldig te kennen dat God met de leden van Israëls Overblijfsel het Nieuwe Verbond heeft gesloten en dat Hij in Persoon in het heiligdom aanwezig is. Vergelijk 
Op 21:22.

De bliksemstralen, stemmen en donderslagen herinneren ook hier aan de ontzagwekkende godsopenbaring bij de berg Sinaï, toen met het Volk het Wetsverbond werd ingewijd. Nu het Nieuwe Verbond met de nakomelingen van die Voorvaders in werking komt, is er dus wederom sprake van een theofanie. Dat er ook een grote hagel geschiedt, duidt blijkbaar op het feit dat de Joodse tegenstanders die zich tegen Masjiach Yeshua blijven verzetten, geconfronteerd zullen worden met de harde waarheid van buitensluiting van dit Verbond.

Welnu, het nog eenmaal wijst op de verwijdering der dingen die worden geschud als dingen die gemaakt zijn, opdat de dingen die niet geschud worden blijven.
Van de dingen die ten tijde van de aanstaande kosmische beroering geschud zullen worden, weten we dus bij voorbaat dat ze daardoor verwijderd worden, voorgoed.
Met andere woorden: Ze zullen geschud worden tot vernietiging toe.
En aangezien het dingen betreft die gemaakt zijn, moeten we kennelijk denken aan al het schadelijke dat de mensheid tot nu toe heeft voortgebracht.

In ons commentaar op de vv 16 en 17 zijn we ook daarop al uitvoerig ingegaan door te wijzen op de weg van (Esau ('Edom'), een weg die de mensheid ver van God vandaan heeft gevoerd, en dat allemaal als resultaat van het feit dat onze eerste ouders aten van de 'vrucht der ontwikkeling'.
In 2Pt 3:10-12 wordt treffend aangegeven hoe al dat schadelijke ontbonden zal worden:

Maar komen zál de Dag van de Heer, als een dief, waarin de hemelen met gedruis voorbij zullen gaan; elementen brandend ontbonden zullen worden, en
 [de] aarde en de werken daarin gevonden zullen worden. Aangezien al deze dingen aldus ontbonden worden, hoedanig behoort gij [dan] te zijn in heilige gedragingen en daden van godsvrucht, met verlangen verwachtend de paroesie van de Dag Gods, waardoor [de] hemelen in vuur-en-vlam ontbonden zullen worden, en [de] elementen brandend wegsmelten.

Satans hele wereldsysteem, dat hij samen met zijn demonenengelen en ambitieuze mensen op aarde heeft opgebouwd, in het bijzonder vanaf de Spraakverwarring, zal de vergetelheid ingaan. Het hemelse deel, de goddeloze geestenkrachten in de hemelsferen, de wereldheersers van deze duisternis, zal in een snelle actie met een gedruis voorbij gaan (Ef 6:12).

De elementen, dat wil zeggen alle denkrichtingen die in de loop der eeuwen door de mensen aangehangen en gepropageerd zijn, zullen als pseudo- kennis en wijsheid ontmaskerd worden en als het ware op vernietigende wijze worden ontbonden; als door vuur verwoest.
Zo ook de instituties die zij op grond van hun verkeerd gerichte ideeën op aarde hebben opgebouwd. Als tot de wereld behorend, ademen die wereldse instituties uiteraard de geest van de wereld, dat wil zeggen een onheilige geestelijke invloed die in strijd is met Gods heilige geest (
1Ko 2:6-12Ef 2:1-4).

Maar die wereld heeft op het gebied van 'werken' niet stil gezeten. Er is heel wat opgebouwd en geproduceerd. Niet zelden zijn die werken zeer schadelijk gebleken, maar gewoonlijk gaven ze ook blijk van de aardse, hebzuchtige aard der mensen.
Welnu, dit alles zal op Gods Grote Dag 'gevonden', of 'ontdekt' worden, d.i. ontmaskerd als schadelijk en geheel in strijd met Gods liefde en zijn heilzame bedoelingen.

Διο βασιλειαν ασαλευτον παραλαμβανοντες εχωμεν χαριν, δι ης λατρευωμεν ευαρεστως τω θεω μετα ευλαβειας και δεους∙ και γαρ ο θεος ημων πυρ καταναλισκον. 

28-29 
Daarom, in bezit nemend een niet te schudden koninkrijk, laten wij voortgaan liefderijke gunst te hebben, waardoor wij dienst voor God verrichten op een voor hem welgevallige wijze, met godvruchtige vrees en ontzag. Want onze God is ook een verterend vuur.
Met deze afsluitende aansporing wordt nog verder duidelijk wat bedoeld wordt met de gemaakte dingen die zodanig geschud worden dat ze voorgoed verdwijnen. Het moeten ook en vooral alle vormen van heerschappij zijn die onder leiding van de goddeloze geestenkrachten door mensen in het leven zijn geroepen en waarvoor het koninkrijk Gods blijvend in de plaats komt.

In het boek Daniël wordt ons dat op diverse plaatsen onmiskenbaar getoond. Zo zien we in hoofdstuk 2 dat de wereldheerschappijen die opeenvolgend hebben gefunctioneerd, vanaf het Neobabylonische Rijk tot en met de (nog komende) Antichristelijke heerschappij, door het Messiaanse koninkrijk Gods - de 'Steen' niet door mensenhanden uitgehouwen - verbrijzeld zullen worden.
En merk dan op, in Dn 2:34-35, wat met de restanten daarvan gebeurt:

Terwijl gij bleeft toezien, raakte, zonder toedoen van mensenhanden, een steen los, die het beeld trof aan de voeten van ijzer en leem en deze verbrijzelde; toen werden tegelijkertijd het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud verbrijzeld, en zij werden gelijk kaf op een dorsvloer in de zomer en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was; maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg, die de gehele aarde vulde.
Terwijl van die politieke Rijken geen spoortje overblijft, zo grondig zullen ze worden geschud, gaat de Steen, het koninkrijk voor Israël, de hele aarde met haar heerschappij 'vullen'.
Want in Dn 7:23-27 wordt ons immers getoond dat ná de ondergang van de Kleine Horen - de achtste wereldmacht, die van het Antichristelijke Beest als een laatste scheut van het Romeinse Rijk - het koninkrijk en de heerschappij en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel gegeven worden aan het volk der Heiligen van de Allerhoogste.
Daarom ook kan de apostel tot zijn lezers zeggen dat zij bezig zijn 
[het participium van παραλαμβανω heeft het praesens] een niet te schudden koninkrijk in bezit te nemen.

Maar ook in Haggaï zagen we dat het vernietigend schudden betrekking heeft op de politieke Rijken die tot in de Eindtijd blijven bestaan, inclusief al hun militair materieel:
Ik zal de troon der koninkrijken omverwerpen, de macht van de koninkrijken der gojim vernietigen. En ik zal de wagens en hun berijders omverwerpen en de paarden en hun ruiters zullen neerstorten (Hg 2:21-22).

En zeer betekenisvol wordt dan ook in die context aangekondigd dat alle macht komt aan het Rijk van de Masjiach, Gods knecht bij uitstek (Js 42:1), in type verzinnebeeld door de bestuurder en tempelbouwer Zerubbabel, mijn knecht:
Op die dag, luidt het woord van YHWH der legerscharen, zal ik u nemen, Zerubbabel, zoon van Sealthiël, mijn knecht, luidt het woord van YHWH; en ik zal u maken als een zegelring, want u heb ik verkozen, luidt het woord van YHWH der legerscharen.
Want onze God is ook een verterend vuur.
De apostel verwijst naar Dt 4:24 waar Mozes zijn broeders waarschuwt om niet ontrouw te zijn aan het Verbond dat God met hen bij de Sinaï had gesloten, in het bijzonder door afgoderij te bedrijven. YHWH is namelijk een naijverig God; hij eist de toewijding van zijn volk exclusief voor zichzelf op.

Hiermee laat de apostel zijn lezers dus weten dat onder het Nieuwe Verbond de situatie van Israël in dát opzicht niet wezenlijk anders is dan voorheen. Voor afgodendienaren, dus ook voor hen die de Antichrist zullen vereren, zal YHWH tonen een verterend vuur te zijn. 
Het want slaat dus terug op het vorige vers. Zij moeten niet gemakkelijk denken over het genieten van Gods liefderijke gunst. Alleen op basis daarvan wil God immers hun dienst voor hem aanvaarden, een dienst die gekenmerkt wordt door een eerbiedige vrees voor hem.

-.-.-.-