Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

zondag 10 december 2017

De Brief van Jakobus - Hoofdstuk 4

1. Onderlinge twisten onjuist (4:1-3)

1  Ποθεν πολεμοι και μαχαι εν υμιν ουκ εντευθεν εκ των ηδονων υμων των στρατευομενων εν τοις μελεσιν υμων
Vanwaar oorlogen en vanwaar gevechten bij jullie? [Komen ze] niet hiervandaan: Uit jullie zinnelijke genoegens, die strijd voeren in jullie leden?
2  Eπιθυμειτε και ουκ εχετε φονευετε και ζηλουτε και ου δυνασθε επιτυχειν μαχεσθε και πολεμειτε ουκ εχετε δια το μη αιτεισθαι υμας
Gij begeert en [toch] bezit gij niet; gij moordt en zijt naijverig, en [toch] kunt gij niet verkrijgen. Gij vecht en voert oorlog. Gij bezit niet, omdat gij niet vraagt.
3  Aιτειτε και ου λαμβανετε διοτι κακως αιτεισθε ινα εν ταις ηδοναις υμων δαπανησητε
Gij vraagt en [toch] ontvangt gij niet. Gij vraagt namelijk met een verkeerde bedoeling, om het in jullie zinnelijke genoegens door te brengen.

Zie ons commentaar op 4:1-4 onder Inleiding.

2. God en de wereld (4:4-10)

4  Μοιχαλιδες, ουκ οιδατε οτι η φιλια του κοσμου εχθρα του θεου εστιν; ος εαν ουν βουληθη φιλος ειναι του κοσμου, εχθρος του θεου καθισταται.
Overspeelsters, weten jullie niet dat de vriendschap der wereld vijandschap jegens God is? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, betoont zich een vijand van God.

Mοιχαλιδες is vrouwelijk. Het verwijst naar de Oudtestamentische gedachte dat God in een huwelijksverbond leefde met zijn volk Israël. Als Joden zich daarom tot de wereld wenden als hun ware liefde, dan plaatsen zij emotie tussen hen en God.

5  η δοκειτε οτι κενως η γραφη λεγει, Προς φθονον επιποθει το πνευμα ο κατωκισεν εν ημιν;
Of meent gij dat de Schrift tevergeefs zegt:
Met na-ijver verlangt hij de geest welke hij in ons deed wonen ?

De mens werd zó geschapen dat God voor hem het summum van zijn liefde en voldaanheid zou zijn. Bijgevolg verwacht hij precies die reactie bij de mens; diens genegenheid en toewijding dient op hem gericht te zijn.
In het bijzonder de Jood zou de Psalmist vanuit het hart moeten nazeggen: Overvloed van vreugde is bij uw aangezicht.
En ook: Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar u, o God; mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?
Die gezindheid begeert God met na-ijver voor zichzelf (Ex 34:14).

6  μειζονα δε διδωσιν χαριν· διο λεγει,
Ο θεος υπερηφανοις αντιτασσεται, ταπεινοις δε διδωσιν χαριν.
Hij schenkt echter een groter genade. Daarom zegt hij:
God weerstaat hovaardigen, maar aan nederigen schenkt hij gunst.

Door de erfenis van Adam blijft ieder mens - zelfs eerst de Jood - in gebreke al zijn genegenheid op zijn Schepper te richten. Gewoonlijk heeft de oude, vleselijke natuur bij hem de overhand. Door de Masjiachbelijdende Jood echter te begunstigen met de nieuwe natuur der wedergeboorte, schenkt God hem een genade die veel groter is, krachtig genoeg om de oude natuur de baas te blijven. Maar dat besef is bij de Joden als natie nog altijd niet doorgedrongen (Ez 36:26-27).

Met Daarom zegt hij wordt uiteraard de Schrift bedoeld (zoals in vers 5)

7  υποταγητε ουν τω θεω· αντιστητε δε τω διαβολω, και φευξεται αφ υμων·
Onderwerpt je daarom aan God; maar weerstaat de Duivel, en hij zal van jullie wegvluchten.

Zoals God hoogmoedigen weerstaat, moeten Masjiachbelijdende Joden de Duivel weerstaan.

8  εγγισατε τω θεω, και εγγιει υμιν. καθαρισατε χειρας, αμαρτωλοι, και αγνισατε καρδιας, διψυχοι.
Nadert tot God en hij zal tot jullie naderen. Reinigt je handen, zondaars, en zuivert je harten, [mensen] van tweeërlei gevoelen

Tot God naderen verwijst naar een term die vooral toepasselijk is op het Heiligdom (Ex 19:22).
Haggaï verweet zijn Joodse broeders dat alles wat zij aan YHWH aanboden, al het werk van hun handen, onrein was (Hg 2:14). Om God in zijn nieuwe Tempelheiligdom te kunnen naderen in priesterlijke dienst, zullen zij hun handen moeten reinigen en hun harten zuiveren (Js 1:12-202:1-5).
Van tweeërlei gevoelen troffen we ook al aan in Jk 1:8.

9  ταλαιπωρησατε και πενθησατε και κλαυσατε ο γελως υμων εις πενθος μετατραπητω και η χαρα εις κατηφειαν
Beseft jullie ellende en treurt en weent. Laat jullie lachen in treuren verkeren en de vreugde in verslagenheid.
10  ταπεινωθητε ενωπιον κυριου, και υψωσει υμας
Vernedert je voor het aangezicht van de Heer en hij zal jullie verheffen.

3. Geen kwaadsprekerij (4:11-12)

11  Μη καταλαλειτε αλληλων αδελφοι ο καταλαλων αδελφου η κρινων τον αδελφον αυτου καταλαλει νομου και κρινει νομον ει δε νομον κρινεις ουκ ει ποιητης νομου αλλα κριτης
Spreekt geen kwaad van elkaar, broeders. Wie van een broeder kwaad spreekt of zijn broeder oordeelt, spreekt ten nadele van wet en oordeelt wet. Maar als je wet oordeelt, ben je geen dader van wet maar een rechter.
12  εις εστιν νομοθετης και κριτης ο δυναμενος σωσαι και απολεσαι συ δε τις ει ο κρινων τον πλησιον
Eén is Wetgever en Rechter, hij die de macht heeft te redden en te vernietigen. Maar jij, wie ben jij die de naaste oordeelt?
  
4. God kennen in je plannen (4:13-17)

13  Αγε νυν οι λεγοντες Σημερον η αυριον πορευσομεθα εις τηνδε την πολιν και ποιησομεν εκει ενιαυτον και εμπορευσομεθα και κερδησομεν
Welaan nu, gij die zegt: Vandaag of morgen zullen wij naar die bepaalde stad reizen en daar een jaar doorbrengen en handel drijven en winst maken.
14  οιτινες ουκ επιστασθε το της αυριον ποια η ζωη υμων ατμις γαρ εστε η προς ολιγον φαινομενη επειτα και αφανιζομενη
Gij die niet weet hoe morgen jullie leven [is]. Want gij zijt een damp die een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt.
15  αντι του λεγειν υμας Εαν ο κυριος θεληση και ζησομεν και ποιησομεν τουτο η εκεινο
In plaats dat gij zegt: Indien de Heer wil zullen wij leven en dit of dat doen.
16  νυν δε καυχασθε εν ταις αλαζονειαις υμων πασα καυχησις τοιαυτη πονηρα εστιν
Nu echter roemt gij in jullie grootspraak; al zulk roemen is goddeloos.
17  ειδοτι ουν καλον ποιειν και μη ποιουντι αμαρτια αυτω εστιν
Voor wie daarom weet juist te doen en [het] niet doet, voor hem is het zonde.

Geen opmerkingen: