Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

dinsdag 29 september 2020

Leviticus 23:33-36 - Het Loofhuttenfeest

Loofhuttenfeest en de Christelijke verwachting

Lv 23:33

En YHWH sprak verder tot Mozes, zeggend:  

895

Lv 23:34

Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Op de vijftiende dag van deze zevende maand is het Loofhuttenfeest, zeven dagen lang, voor YHWH.  

4278

Lv 23:35

Op de eerste dag is er een heilige samenkomst. Geen enkel soort van zwaar werk mogen jullie verrichten.

2794

Lv 23:36

Zeven dagen moeten jullie YHWH een vuuroffer aanbieden. Op de achtste dag moet er een heilige samenkomst voor jullie plaats vinden, en jullie moeten een vuuroffer aan YHWH aanbieden. Het is een plechtige vergadering. Geen enkel soort van zwaar werk mogen jullie verrichten.

6606

 

Totaal GW 14573 ≈≈ 2Ko 9:3 >> Maar ik zond de broeders opdat ons roemen over jullie in dit opzicht niet ijdel zou blijken, opdat jullie – zoals ik steeds zei – gereed zouden zijn.

 

Hoogst belangwekkend is het om te constateren dat het gematriaresultaat van deze passage de leden van de Christelijke Gemeente in beeld brengt. Enig commentaar ontleend aan die Twee Korinthebrief >>

 

Kennelijk verkeerde Paulus destijds met betrekking tot zijn Korinthische broeders in een delicate situatie; enerzijds had hij tegenover de Macedonische gemeenten met roem gesproken over hun vrijgevigheid, anderzijds moet hij schoorvoetend toegeven dat hijzelf eigenlijk geen grote verwachtingen koestert omtrent de inzameling te Korinthe. Vandaar dat hij het noodzakelijk had geacht om Titus met de broeders vooruit te zenden, zodat door hun invloed de collecte - door Paulus als 'zegen' [ευλογια] betiteld - klaar zou liggen wanneer Paulus zelf met zijn gezelschap te Korinthe zou arriveren. Zou dat niet het geval zijn dan zouden zowel hijzelf als de Korinthiers beschaamd staan.

 

In het bijzonder de heilige samenkomst – volgens vers 36 - op de achtste dag blijkt voor ons, leden van de Christelijke Gemeente, in hoge mate belangwekkend te zijn! En daarnaast bovendien de GW (getalswaarde) van dat vers 36; t.w. 6606.

 

Christenen mogen zich namelijk sinds 33 AD verheugen in hun verzoening met God op grond van hun geloof in Yeshua’s vrijkopend slachtoffer. De Tweede Korinthebrief wijdt opvallend breed uit over die ‘vroege’ verzoening die de leden van Yeshua’ Bruidgemeente ten deel valt. In 2Ko 5:1-3 lezen we >>

 

Want wij weten dat wanneer onze aardse tentwoning ontbonden zou worden, wij een gebouw vanuit God zullen hebben, een niet met handen gemaakte, eeuwige woning in de hemelen. Want in deze [tentwoning] zuchten wij, terwijl wij er vurig naar verlangen ons te overkleden met de woning die uit de hemel is; als wij tenminste maar bekleed, niet naakt bevonden zullen worden.

 

Paulus kan zich niets groter voorstellen dan tezamen met [de] Messias te zijn, of zijn intrek te nemen bij de Heer, zoals hij in  de vv 4 tm 8 te kennen geeft:

 

Want ook wij die in de tent zijn zuchten, bezwaard als we zijn; wij willen immers niet ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke door het leven verzwolgen wordt. Hij nu die ons juist daartoe bereidde [is] God die ons het onderpand van de geest gaf. Daarom altijd vol goede moed zijnde en wetend dat wij, zolang wij thuis in het lichaam zijn, afwezig zijn van de Heer. Want wij wandelen door geloof, niet door [het zien van een] gedaante.

Maar wij zijn vol goede moed en hebben er veeleer een welgevallen in afwezig te zijn, uit het lichaam, en thuis te zijn bij de Heer.

 

Volgens 1 Korinthe 15:42-54 zijn wij, Christenen, thans nog ‘bekleed’ met een fysiek- of zielenlichaam:

 

Zo ook de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in verderfelijkheid, er wordt opgewekt in onverderfelijkheid. Er wordt gezaaid in oneer, er wordt opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, er wordt opgewekt in kracht. Er wordt een zielenlichaam gezaaid, er wordt een geesteslichaam opgewekt; indien er een zielenlichaam is, is er ook een geesteslichaam.

De eerste mens Adam werd [namelijk] tot een levende ziel. De laatste Adam tot een levendmakende geest. Maar niet het geestelijke eerst, doch het bezielde, daarna het geestelijke.

De eerste mens uit aarde, stoffelijk, de tweede mens uit hemel. Zoals de stoffelijke, zodanig ook de stoffelijken; en zoals de hemelse, zodanig ook de hemelsen. En evenals wij het beeld van de stoffelijke droegen, zullen wij ook het beeld van de hemelse dragen.

 

Dit zeg ik evenwel, broeders: Vlees en bloed kunnen Gods koninkrijk niet beërven, noch beërft het verderfelijke de onverderfelijkheid. Zie! Ik vertel jullie een geheimenis: Wij zullen niet allen ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar moment, in een knippering van oog, bij de laatste trompet. Want de trompet zal klinken en de doden zullen onverderfelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen. Maar zodra dit verderfelijke onverderfelijkheid aandoet, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoet, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood werd verzwolgen tot overwinning.

 

Maar hier, in de Tweede Korinthebrief, wordt dat fysieke zielenlichaam door de apostel geduid als een kwetsbare tentwoning die zomaar in elkaar kan klappen, maar waarin wel Gods geest inwonend is. Zoals hij kort hierna in Rm 8:11 zou schrijven: De geest van hem die Jezus uit doden opwekte woont in jullie.

Kennelijk verbleven/verblijven alle christenen die sinds Shavuot (Pinksteren) 33 AD tot geloof werden geroepen in zulke tentwoningen, vergelijkbaar met de loofhutten die elk jaar door de Joden tijdens het Loofhuttenfeest worden opgezet.

Toen Messias Jezus in het najaar van 32 AD dát feest in Jeruzalem bijwoonde legde hij bij voorbaat, en wel op een zeer opvallende wijze een verband met die feestelijke viering en de situatie waarin christenen komen te verkeren door de uitstorting van de heilige geest:

 

Op de laatste, de grote dag van het feest nu, stond Jezus daar en riep uit: Als iemand dorst heeft, laat hij naar mij komen en drinken. Wie in mij gelooft, zoals de Schrift heeft gezegd: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zei hij echter betreffende de geest, welke zij die in hem zouden geloven, weldra zouden ontvangen; want er was er nog geen geest, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.

(Jh 7:37-39).

 

Op alle voorafgaande zeven dagen werd water uit de poel van Siloam naar het Voorhof van de tempel gebracht en daar uitgegoten in een zilveren bekken dat zich aan een der zijden van het grote brandofferaltaar bevond, een ceremonie overigens welke later werd toegevoegd en dus niet in de Torah wordt vermeld. Omdat die procedure op de achtste dag niet meer werd gevolgd kan Jezus die leemte ‘opgevuld’ hebben door te verwijzen naar een beter soort water dan dat van Siloam.

 

Vermeldenswaard in dit verband is de gematriawaarde 6-606 van Lv 23:36, zoals we hierboven kunnen nagaan.

Maar daardoor wordt die bijzondere 8e dag van het Loofhuttenfeest wel gelinkt aan de christelijke Ruthgemeente. 

De getalswaarde van Ruth is namelijk 606.

 

Wat betreft de GW 6-606, staat 6000 kennelijk voor de periode welke de mens – in zijn zeer onvolmaakte toestand – vergund is bezig te zijn met zijn steeds verdere ontwikkeling bij God vandaan. Maar zoals opgemerkt vertegenwoordigt 606 de GW van Ruth, de Moabitische, zij die een voorafbeelding werd van de christelijke Gemeente door haar huwelijk met Boaz, voorafbeelding van Messias Jezus, de ware Losser (een ga’al).  

Zie: Ruth en de Antichrist

 

Maar, zoals reeds is opgemerkt, namen vanaf Shavuot van het daaropvolgende jaar, bij de uitstorting van de geest, de zwakke ‘tentwoningen’ van christenen - maar wel wedergeboren door de werking van die geest in hen - in tegenbeeld de vorm aan van de sukkôth, de loofhutten.

Uit de beschrijving van het verloop van het zevendaagse feest in Lv 23:33-36, kan afgeleid worden dat de achtste dag heel bijzonder was, aangezien het feest van sukkôth dan afgesloten werd met een heilige samenkomst, een zeer plechtige vergadering, de ‘atsereth [of volgens de LXX εξοδιον: slot; afsluiting], welke gehouden moest worden als een sabbat, de grote dag van het feest zoals Johannes in Jh 7:37 te kennen gaf.

 

Conclusie?

Wellicht verlaten op zo’n atsereth de dan nog levende christenen de aarde door de zo begeerde Opname der Gemeente!

 

-.-.-.-

 

 

 

 

  

woensdag 2 september 2020

Jakob had ik lief maar Esau haatte ik (2)

Wat betreft de verhouding tussen de tweelingbroers Jakob en Esau stuiten we in Genesis 33:10-11 op een opmerkelijke passage. We lezen:


Jakob zei echter: Neen, alsjeblieft. Indien ik nu gunst in je ogen heb gevonden, moet je mijn geschenk uit mijn hand aannemen, want in overeenstemming met het doel ervan heb ik je aangezicht gezien als zag ik Gods aangezicht, doordat je mij met welgevallen hebt ontvangen. Aanvaard alsjeblieft het geschenk dat je werd gebracht als een blijk van mijn zegen, omdat God mij heeft begunstigd en omdat ik alles heb. En hij bleef bij hem aandringen, zodat hij het aannam.

 

In de studie Jakob had ik lief maar Esau haatte ik (1) maakten wij aannemelijk dat achter Esau (Edom) heel wat meer schuil gaat dan slechts de (historische) mens Esau.  Hieronder de weergave van een fragment uit genoemde Studie.

Het betreft een commentaar op de eerste verzen van Maleachi, hoofdstuk 1

 

"Was Esau niet de broer van Jakob"? godsspraak van YHWH. "Toch had ik Jakob lief maar Esau haatte ik; en ik maakte zijn bergen tot een woestenij en zijn erfdeel gaf ik prijs aan de jakhalzen der wildernis. Mocht Edom zeggen: ‘Wij zijn verpletterd, maar wij zullen terugkeren en [de] verwoeste plaatsen opbouwen’, dan antwoordt YHWH der legerscharen: ‘Zullen zij bouwen, zo zal ik omver hale’. Men zal hen noemen het gebied der goddeloosheid en het volk waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is.

Dat zijn liefde voor zijn volk (Jakob) oprecht is, plaatst God zelf in een context van zijn haat jegens Esau. Tevens verbindt hij daarmee een opmerkelijke profetische uitspraak ten aanzien van diens nakomelingen die bekend kwamen te staan als de Edomieten, het volk van Edom.
Maar merk de zeer krachtige termen in de godsspraak op waarmee YHWH Elohim zijn eeuwig oordeel over Esau (Edom) bekendmaakte en dat in een profetische setting welke het lot van het letterlijke volk Edom verre te boven gaat. En dat is des te opvallender omdat de Edomieten als volk sinds lang van het aardse toneel verdwenen zijn.

 

Wat Esau (Edom) betreft, moeten we kennelijk verder kijken; achter het 'Edom' van Maleachi 1 gaat blijkbaar meer schuil. En dat niet alleen omdat het Boek eindtijdgericht is, maar vooral omdat Edoms woongebied door God zelf wordt aangeduid als het gebied der goddeloosheid, en de bewoners ervan als het volk waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is. Waaraan of aan wie moeten we dan denken?

Er zijn, zoals we hierna zullen trachten duidelijk te maken, naar onze mening volop redenen om aan te nemen dat achter het gebied der goddeloosheid en het volk waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is, de onreine geesten schuil gaan, de gevallen zonen Gods die zich tot demonen maakten.
Vergelijk ook het dubbele in het oordeel dat over 'Edom' zou komen zoals het in het bijbelboek Obadja is aangekondigd, met name in de
vv 18 en 21.

 

=======================================================

 

Tot zover het citaat.

Hieraan kan nog het volgende worden toegevoegd: Wanneer achter 'Edom' in werkelijkheid de demonenwereld schuil gaat, is het alleen maar logisch om achter de stamvader van dat 'volk' (waarop YHWH voor altijd verontwaardigd is) een engel - of beter: een godenzoon - te zoeken. In het geval van 'Edom' niemand minder dan Satan zelf, het opperhoofd der demonen!.

 

In Gods Woord worden we bij herhaling geconfronteerd met de activiteiten van zogeheten engelvorsten die in werkelijkheid achter het handelen van de mens schuil gaan.

Een voorbeeld: In Zf 2:11 lezen we over de heerschappij die zij vanuit het onzichtbare over het menselijk domein uitoefenen. Maar ook dat er een tijd aanbreekt dat God tegen hen optreedt:

 

Vreselijk treedt YHWH tegen hen op; want hij doet wegteren alle goden der aarde; opdat ieder uit zijn woonplaats zich voor hem neerwerpe, al de kustlanden der Heidenen.

(LV)

 

In de LXX luidt deze passage:

 

De Heer zal zich aan hen vertonen en alle goden van de natiën der aarde zal hij verdelgen; en zij zullen hem aanbidden, ieder uit zijn plaats; ja, alle eilanden der natiën.

 

Niet de aardse machthebbers, maar hemelwezens zijn de eigenlijke heersers over de politieke, menselijke rijken. Vergelijk Dn 10:13, 20-21.

Oók Psalm 82 is een bekend voorbeeld. Enkele verzen volgens de nbg:

 

(1-2) Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering der goden [el], Hij houdt gericht te midden der goden [elohim]. Hoelang zult gij onrechtvaardig richten, en de goddelozen gunst bewijzen?

(6-7) Wel heb ik gezegd: Gij zijt goden [elohim], ja, allen zonen des Allerhoogsten; nochtans zult gij sterven als mensen [lett.: als Adam], als één der vorsten zult gij vallen.

 

De over de volken heersende elohim [godenzonen] voeren hun heerschappij op onrechtvaardige wijze uit. Om die reden zullen die engelvorsten omkomen; als mensen zullen zij sterven. Dat wil zeggen als Adam die zich door Satan tegen zijn hemelse Vader liet keren.

 

Het commentaar op die Psalm van Yeshua zelf, bevestigt deze visie:

 

Weer droegen de Joden stenen aan om hem te stenigen. Yeshua antwoordde hun: Ik toonde jullie vele voortreffelijke werken van de Vader. Om welke van die werken stenigen jullie mij? De Joden antwoordden hem: Wij stenigen je niet om een voortreffelijk werk, maar om lastering, ja, omdat jij, hoewel je een mens bent, jezelf tot god maakt.

Yeshua antwoordde hun: Staat er niet in jullie Wet geschreven: Ik zei: Jullie zijn goden?

Indien hij degenen goden noemde tegen wie het woord van God gericht werd, en de Schrift niet ontbonden kan worden, zeggen jullie [dan tot hem] die de Vader heiligde en in de wereld zond: Je lastert, omdat ik zei: Ik ben Gods Zoon?

(Jh 10:31-36)

 

Zijn joodse tegenstanders verweten Yeshua dat hij zichzelf tot (een) god maakte, maar hij weerlegt hen met een verwijzing naar Psalm 82. Daarin worden bepaalde hemelingen ook goden genoemd; hoeveel te meer kwam hij dan zelf in aanmerking voor die betiteling. De Vader had hem, een hemels personage, immers in de wereld gezonden; als persoon met een goddelijke achtergrond was hij uit de hemel neergedaald.

 

Volgens Gn 33:10 zei Jakob tot Esau, toen zij elkaar na verloop van ca 20 jaar weer ontmoetten: 

 

Indien ik nu gunst in je ogen heb gevonden, dan moet je mijn geschenk uit mijn hand aannemen, want in overeenstemming met het doel ervan heb ik je aangezicht gezien als zag ik Gods aangezicht.

 

Maar kort vóór die ontmoeting had Jakob wel een heel bijzondere ervaring, gehad met een mysterieus hemelwezen. Dat vond plaats toen hij als laatste van zijn familie de rivier de Jabbok overstak. Bij die gelegenheid ging er een 'man' met hem worstelen.

Zie Gn 32:24-32.

 

Over Jakobs terugkeer naar het land Kanaän lezen we in Genesis 32 het volgende:

 

En wat Jakob betreft, hij ging zijns weegs, en de engelen van God ontmoetten hem nu. Onmiddellijk zei Jakob, meteen toe hij hen zag: Dit is het kamp van God!

Daarom gaf hij die plaats de naam Mahanaïm.

Toen zond Jakob boden voor zich uit naar zijn broer Esau, naar het land Seïr, het veld van Edom, en hij gebood hun en zei:

 

Dit zult gij tot mijn heer, tot Esau, zeggen:

Dit heeft je knecht Jakob gezegd: Bij Laban heb ik als vreemdeling vertoefd en ik ben daar lange tijd, tot nu toe, gebleven. En ik ben in het bezit gekomen van stieren en ezels, schapen, en dienstknechten en dienstmaagden, en ik zou het mijn heer graag laten weten, opdat ik gunst in je ogen mag vinden.

 

Na verloop van tijd keerden de boden tot Jakob terug en zeiden:

 

Wij zijn bij je broer Esau gekomen, en hij komt je ook al tegemoet, met vierhonderd man bij zich.

 

En Jakob werd zeer bevreesd en kreeg het benauwd. Daarom verdeelde hij het volk dat bij hem was en de kleinveekudden en de runderen en de kamelen in twee kampen, en hij zei: Indien Esau op het ene kamp afkomt en het aanvalt, dan zal er stellig een kamp overblijven om ontkoming te vinden.

 

Daarna zei Jakob:

O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaäk, YHWH, gij die tot mij zegt: Keer terug naar je land en naar je bloedverwanten en ik zal je beslist weldoen, ik ben al de liefderijke goedheden en al de trouw die gij jegens je knecht hebt betracht, niet waardig, want slechts met mijn staf trok ik over deze Jordaan, en nu ben ik tot twee kampen geworden.

Ik bid u, bevrijd mij uit de hand van mijn broer, uit Esau’s hand, want ik ben bevreesd voor hem, dat hij misschien komt en mij met moeder en kinderen aanvalt. En gij, gij hebt gezegd: Ik zal je ongetwijfeld weldoen en je zaad maken als de zandkorrels der zee, die wegens het grote aantal niet geteld kunnen worden.

En hij bleef daar die nacht nog over.

 

Later gedurende die nacht stond hij op en nam zijn twee vrouwen en zijn twee dienstmaagden en zijn elf jonge zonen en trok de doorwaadbare plaats van de Jabbok over. Hij nam hen dus en bracht hen over het stroomdal, en hij bracht wat hij had naar de overkant.

Ten slotte bleef Jakob alleen achter.

Nu ging er een man met hem worstelen totdat de dageraad opklom. Toen hij [de 'man'] nu zag dat hij niet over hem had gezegevierd, raakte hij voorts de gewrichtsholte van zijn dijbeen aan; en de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen werd ontzet bij zijn worsteling met hem. Daarna zei hij:

Laat mij gaan, want de dageraad is opgeklommen.

Hierop zei hij [Jakob]: Ik zal u niet laten gaan, tenzij gij mij eerst zegent.

Derhalve zei hij tot hem:

Hoe is je naam?,

waarop hij zei: Jakob.

Toen zei hij:

Je naam zal niet langer Jakob worden genoemd, maar Israël, want je hebt met God en met mensen gestreden, zodat je ten laatste hebt gezegevierd.

 

Op zijn beurt informeerde Jakob en zei:

Zeg mij alstublieft uw naam.

Hij zei echter:

Waarom informeert gij naar mijn naam?

 

Toen zegende hij hem daar. Daarom gaf Jakob de plaats de naam Pniël, want, om zijn woorden aan te halen: Ik heb god [elohim; een god] gezien van aangezicht tot aangezicht, en toch werd mijn ziel bevrijd.

En de zon wierp haar eerste stralen op hem zodra hij Pnuël voorbij was, maar hij ging mank aan zijn dijbeen.

Daarom zijn de zonen van Israël tot op de huidige dag niet gewoon de pees van de dijzenuw te eten, die op de gewrichtsholte van het dijbeen ligt, omdat hij bij de pees van de dijzenuw de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen had aangeraakt.

 

=======================================================

 

Wie was die mysterieuze ‘man’ met wie de aartsvader moest ‘worstelen’?

In 2Pt 2:11 lezen we over de engelen dat zij in sterkte en kracht groter zijn. Toch behaalde Jakob in die nachtelijke worsteling een zekere overwinning! Hij werd namelijk door de mysterieuze 'man' gezegend! Kennelijk in de zin dat de oorspronkelijke Abrahamitische belofte nogmaals ten aanzien van de patriarch bevestigd werd!

 

Want niet alleen had zijn vader Isaäk hem die voorvaderlijke zegen reeds geschonken (Gn 27:26-29), maar toen Jakob kort daarop de vlucht moest nemen voor Esau, bevestigde YHWH Elohim [te Bethel] die zegen in ondubbelzinnige bewoordingen opnieuw. Dat geschiedde toen hij aldaar de droom had van de ladder die tot in de hemel reikte (Gn 28:12-17). 

YHWH Elohim zei tot hem >>

Ik ben YHWH, de God van je vader Abraham en de God van Isaäk. Het land, waarop je ligt, aan jou zal ik het geven en aan je zaad. Jouw zaad zal zijn als het stof der aarde; je zult je uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. En in jou en in jouw zaad zullen alle families van de aardbodem gezegend worden. 

Trouwens, toen Jakob tot YHWH om hulp bad, maakte ook hijzelf melding van die zegen: En gij, gij hebt gezegd: Ik zal je ongetwijfeld weldoen en je zaad stellig maken als de zandkorrels der zee, die wegens het grote aantal niet geteld kunnen worden (vv 11-12).

 

Maar het verslag in Genesis 32 vertelt ons dat de mysterieuze ‘man’ er plotseling blijk van gaf haast te hebben. Waarom? Omdat de dageraad al op het punt stond aan te breken!

Maar Jakob houdt aan; hij wil eerst gezegend worden!

En zijn aanhouden wordt beloond: Toen zegende hij hem daar.

Maar voor dat alsnog plaats vond bracht de 'man' Jakob een ernstige slag toe. Hoe? Door slechts Jakobs heupgewricht aan te raken waardoor Jakob voortaan mank ging aan zijn dijbeen!

En dat was geen willekeurige kwetsuur. Integendeel!

In de Bijbel wordt de manlijke heup namelijk vooral in verband gebracht met de voortplanting. Over Jakobs nakomelingen lezen we in Gn 46:26 (nwv):

 

Alle zielen die met Jakob naar Egypte kwamen, waren degenen die uit zijn opperdij waren voortgekomen, afgezien van de vrouwen van Jakobs zonen. In het geheel zesenzestig zielen.  

 

Conclusie? Het kan niet anders of Jakob heeft toentertijd ‘geworsteld’ met een zeer belangrijke engelvorst. Kennelijk met niemand anders dan Gods eigen Zoon in zijn voormenselijke, hemelse situatie!

En die conclusie wordt ook bevestigd door de Bijbelse gematria.

 

Zij die wat meer met deze extra invalshoek voor bijbelonderzoek bekend zijn, zullen meteen moeten denken aan het feit dat er in deze vreemde geschiedenis vooral sprake is van een naamsverandering: Jakob werd toen voor het eerst óók als Israël aangeduid.

 

Jakob heeft GW (getalswaarde) 10 + 70 + 100 + 2 = 182.

Maar Israël: 10 +300 + 200 + 1 + 30 = 541

 

De GW van Jakob / Israël was dus die nacht met een waarde van 359 toegenomen (541 minus 182).

Maar met de GW 359 bevinden we ons op wel heel erg bekend terrein!

Namelijk Satan (300 + 9 + 50).

Jakob had die nacht dus als het ware de GW van Satan in zich opgenomen!

En wat hield dat voor hem in? Welnu, als Israël hoefde hij nu geen vrees meer te koesteren! Ook niet voor Esau! Ja, en zelfs niet voor Edom, de demonenwereld welke achter Esau/Edom schuil gaat.

 

Zoals we weten kwam bij de geboorte van de tweeling Esau het eerst te voorschijn, en daarna Jakob, maar deze hield met zijn hand wel de hiel van Esau vast (Gn 25:25-26).

Op zich was dat al een wonderlijk gebeuren, maar het voorschaduwde reeds in een heel vroeg stadium Jakobs terechte claims. Naar goddelijk recht zou hij Esau’s plaats innemen, zeker nadat de laatste zijn eerstgeboorterecht voor een bord soep aan zijn broer had verkwanseld.

 

Esau kon naderhand zijn kostbare verlies niet verkroppen. Na duidelijk afgewezen te zijn in de 'restzegen' van Isaäk, ontketende hij een strijd tegen zijn broer en stond hij hem zelfs naar het leven.

 

Maar Jakob is sterk, niet alleen vanwege het feit dat toentertijd een kamp van engelen hem en zijn familie op hun tocht begeleidde, maar vooral omdat YHWH Elohim zijn aanspraken nog steeds erkende.

 

Doch de aartsvader betaalde wel een dure prijs: Voortaan ging hij mank aan zijn dijbeen. Maar ook dat voorval had te maken met het feit dat hij niet alleen Jakob was maar ook Israël was geworden.

Hier zien we dus het merkwaardige feit dat enerzijds Jakob (Israël) uiteindelijk niet te gronde kan worden gericht door de demonenmacht, maar dat God anderzijds wel heeft toegelaten dat zijn zaad, zijn nakomelingschap, het door de tijden heen zwaar te verduren kreeg van de zijde der demonen.

 

En dat laatste wordt in de Bijbel nergens treffender geïllustreerd dan in de geschiedenis en het lijden van de man Job, door God zelf bij herhaling aangeduid als Mijn knecht Job. Satan kreeg in zijn geschil met God van YHWH Elohim de ruimte om grote ellende over Job te brengen, maar niet de macht om hem weg te vagen.

Zie Job 1, 2 en 42.

 

Precies zo is het ook Israël door de eeuwen heen vergaan, tezamen met hun Messias, de lijdende Knecht van God (Jesaja 53). 

Tot en met de Holocaust van WO II heeft Israël als volk heel wat tegenstand ondervonden van de Duivel en zijn trawanten, wat niet zelden resulteerde in veel lijden.

Vanaf de tijd dat op Farao's bevel de manlijke baby's in de rivier de Nijl geworpen moesten worden, tot en met de gaskamers van Auswitz - over een periode van zo'n 3500 jaar- is Jakob in zijn nageslacht (zaad) getroffen.

 

In vervulling van Isaäks 'zegen' die hij alsnog uitsprak over zijn oudste zoon Esau, heeft diens engelvorst Satan en de wereldmachten die onder zijn toezicht stonden, telkens getracht de prioriteit van Israël te niet te doen door Jakobs juk af te schudden:

 

Zie, ver van de vruchtbare bodem der aarde zal uw woonplaats worden gevonden, en ver van de dauw van de hemel boven. En van uw zwaard zult gij leven, en uw broer zult gij dienen. Maar het zal stellig geschieden dat gij, wanneer gij rusteloos wordt, zijn juk inderdaad van uw hals zult verbreken.

(Gn 27:39-40)

 

In plaats van het goede voor Israël te zoeken en Gods zegen en haar toekomstige vooruitzichten - om de natiën tot zegen te worden - te erkennen, hebben de Heidense wereldmachten onder de engelvorst Satan telkens weer gekozen voor strijd tegen Gods uitverkoren volk.

Onder de heerschappij van de Antichrist (een laatste oprisping van de wereldmacht Rome) zal die haat (tegenstand) tot een climax komen.

 

Maar nu terug naar Genesis 33.

Was Jakobs nachtelijke overwinning ook merkbaar toen Esau met zijn legertje van 400 man tenslotte het kamp van zijn broer bereikte?  

Gn 33:1-11 luidt:

Na verloop van tijd sloeg Jakob zijn ogen op en keek, en zie, daar kwam Esau aan en met hem vierhonderd man.

Dientengevolge verdeelde hij de kinderen onder Lea en onder Rachel en onder de twee dienstmaagden, en hij plaatste de dienstmaagden en hun kinderen voorop en Lea en haar kinderen daarachter en Rachel en Jozef achteraan. En zelf trok hij voor hen uit en boog zich vervolgens zevenmaal ter aarde neer, totdat hij zijn broer genaderd was. Toen snelde Esau hem tegemoet en omhelsde hem en viel hem om de hals en kuste hem, en zij barstten in tranen uit.

Daarna sloeg hij zijn ogen op en zag de vrouwen en de kinderen en zei:

"Wie heb je daar bij je?, waarop hij [Jakob] zei: "De kinderen met wie God je knecht begunstigd heeft."    

Daarop traden de dienstmaagden naar voren, zij en hun kinderen, en bogen zich neer; en ook Lea trad naar voren, en haar kinderen, en zij bogen zich neer, en daarna trad Jozef naar voren, en Rachel, en zij bogen zich neer. 

 

Nu zei hij [Esau] :

"Wat bedoel je met dat hele kamp van reizigers dat ik ontmoet heb?"

Hierop zei hij [Jakob]:

"Om gunst te vinden in de ogen van mijn heer."

Toen zei Esau:

"Ik heb heel veel, mijn broer. Laat wat van jou is, het jouwe blijven."

Jakob zei echter:

"Neen, alsjeblieft. Indien ik nu gunst in je ogen heb gevonden, dan moet je mijn geschenk uit mijn hand aannemen, want in overeenstemming met het doel ervan heb ik je aangezicht gezien als zag ik Gods aangezicht [lett.: zoals het zien van het aangezicht van (een) god (elohim)], doordat je mij met welgevallen hebt ontvangen.

Aanvaard alsjeblieft het geschenk, dat je werd gebracht als een blijk van mijn zegen, omdat God mij heeft begunstigd en omdat ik alles heb." 

En hij bleef bij hem aandringen, zodat hij het aannam.   

 

Maar laten we ook niet vergeten dat de getalswaarde van Satan (359) in Jakobs persoon was opgenomen door zijn nieuwe naam Israël.

Het resultaat daarvan was dat Esau nu niets anders kon doen dan zijn broer in gunst aan te nemen, én - zeer belangrijk - de hem door YHWH Elohim geschonken voorrang te erkennen. 

H blijkt niet in staat te zijn ook maar iets uit te richten tegen zijn broer met zijn legertje van 400 man!

Integendeel! Let nog eens op vers 4 >>  

 

Maar Esau liep hem tegemoet, omhelsde hem, viel hem om de hals en kuste  hem.

 

In de Hebreeuwse tekst is iets heel bijzonders aan de hand met dit vers, speciaal met de zinsnede en-hij-kuste-hem; in het Hebreeuws één enkel woord. Elke letter daarvan is namelijk gemarkeerd met een punt er boven.

Waarom is dat gebeurd?

Volgens de joodse overlevering werd die markering al in de oorspronkelijke tekst door Mozes aangebracht, omdat Esau er eigenlijk op uit was geweest zijn broer te bijten. Ongeveer zoals een slang een mens bijt, maar daartoe niet in staat bleek omdat hij krachteloos was gemaakt door de voorafgaande nachtelijke ontmoeting die zijn broer Jakob had gehad!

En dat bijten uitte zich daarom nu, tegen wil en dank weliswaar, in kussen.

 

Om dit naar waarde te kunnen schatten moet men weten dat de werkwoorden bijten en kussen in het Hebreeuws veel gelijkenis vertonen; ze verschillen maar in één letter.

 

Voor hen die een en ander voor zichzelf willen nagaan:

De Strongnrs voor respectievelijk bijten zijn 5391 (GW 370 » 50 +300 +20)

en voor kussen 5401 (GW 450 » 50 + 300 + 100).

Zonder bekend te zijn met het Hebreeuws kan een ieder hieruit toch afleiden dat in beide grondwoorden alleen de derde letter verschilt.

 

Resteert nog uiteraard de vraag wat de identiteit was van de ‘man’ die in de nacht met de patriarch ging ‘worstelen’. Het kan uiteraard niet anders of hij moet YHWH Elohims persoonlijke gezant zijn geweest, kennelijk Yeshua Masjiach in zijn voormenselijke staat!

Het blijkt dat bij deze identificatie het gematriabeginsel opnieuw aan de orde is.

Bijgevolg verwijzen wij de lezer naar de gematriastudie >>

Genesis 32 – Jakobs worsteling.

 

Met name de vv 24 tm 26 zijn interessant >>

 

Gn 32:24

Ten slotte bleef Jakob alleen achter. Nu ging er een ‘man’ met hem worstelen totdat de dageraad opklom. 

 

De GW 2485 is ook die van Ps 40:7, waarin profetisch naar de Heer Yeshua Mashiach wordt gehint >> Met het oog daarop zei ik: Zie, ik ben gekomen; in de boekrol staat over mij geschreven.

 

Vergelijk Hb 10:5-10.

 

2485

Gn 32:25

Toen hij nu zag dat hij niet over hem had gezegevierd, raakte hij voorts de gewrichtsholte van zijn dijbeen aan; en de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen werd ontzet bij zijn worsteling met hem.   

 

2121

Gn 32:26

Daarna zei hij: Laat mij gaan, want de dageraad is opgeklommen. Hierop zei hij: Ik zal u niet laten gaan, tenzij gij mij eerst zegent.

 

2703

 

De totale GW van de drie verzen bedraagt 7309, welke ook de GW blijkt te zijn van Ex 28:27 >>

 

En gij moet twee gouden ringen maken en ze op de twee schouderstukken van de efod zetten [uiteraard bij de Hogepriester, Aäron, die een voorafbeelding van de ware Hogepriester Yeshua is], onderaan, aan de voorkant ervan, vlak bij de plaats waar hij samengevoegd is, boven de gordel van de efod.

 

Dit brengt ons tenslotte naar de sterfbedprofetie van Jakob, in Genesis hoofdstuk 49.

Algemeen wordt er vanuit gegaan dat zijn uitspraak over de stam Dan in de vv 16-18 een verborgen voorzegging inhield voor het optreden van de Antichrist in het laatst der dagen (zie vers 1 van hoofdstuk 49): 

 

Dan is rechter over zijn volk, als één van Israëls stammen.

Een slang op de weg moet Dan zijn, een adder op het pad, hij bijt het paard in de hiel en de wagenmenner slaat achterover.

Op uw redding hoop ik, YHWH!

 

In de figuur van zijn namaakmessias zal Satan zich dus tot het einde toe verzetten tegen de voorrechten van Jakob (Israël).

Als de rivaliserende ‘messias’ zal hij zich als rechter over het volk Israël van de Eindtijd opwerpen. Maar hij is zo bovennatuurlijk listig en sluw dat Jakob voor de redding van zijn zaad slechts zijn hoop op YHWH Elohim kon vestigen.

Vandaar zijn smeking ten behoeve van de getrouwe Rest van zijn nakomelingschap: Op uw redding hoop ik, YHWH!

 

-.-.-.-

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

vrijdag 28 augustus 2020

Anno Mundi Jaartelling

  Anno Mundi Jaartelling

 

  AM   v.Chr.

     1  4002/4001 Schepping Adam

   31  3972/3971  Schepping Eva

 130  3873/3872  Geboorte Seth

 622  3381/3380  Geboorte Henoch

 687  3316/3315  Geboorte Methusalah

 930  3073/3072  Dood Adam

987     3016/3015  Dood Henoch

 

1056  2947/2946  Geboorte Noach

 

1536  2467/2466  Aankondiging van de 120 jaar tot de Vloed; aanwezigheid  Nefilim

1656  2347/2346  Vloed; Noach 600 jaar; dood Methusalah (nog vóór de Vloed

1723  2280/2279  Geboorte Heber; 3½ x 1723 = 6030(½); begin Millenniumrijk verwacht

1826  2177/2176  Spraakverwarring; aanvang Zeven Tijden (7 x 600) tot 6026 AM; Lukas 21:24

 

2006  1997/1996  Dood Noach; 350 jaar na Vloed; basis voor het 3½ principe

2009  1994/1993  Geboorte Abraham; 3½ x 2009 = 7031(½); einde Millenniumrijk

2084  1919/1918  (1826 GW Spraakverwarring + 258 GW Charan = 2084); Abraham 75 jaar; aanvang 430 jaar (2 x 215), eindigend in 2514 AM met de Exodus. Tevens de 1:2 verhouding, gerekend vanaf 2084 AM, en tot uitdrukking komend in 215:430; overeenkomend met a.) 2299 AM (de 130-jarige Jakob komt met gehele familie naar naar Egypte); en b.) 2514 AM (het tegenovergestelde, hun vertrek uit Egypte) 

2109  1894/1893  Geboorte Isaäk

2114  1889/1888  Isaäk gespeend; aanvang 400-jarige periode van verdrukking (2114-2514 AM)

2169  1834/1833  Geboorte Ezau en Jakob

2184  1819/1818  Dood Abraham; 175 jaar oud

2260  1743/1742  Geboorte Jozef

2266  1737/1736  Bij de Jabbok wordt Jakob (GW 182) Israël (GW 541) genoemd; verschil GW 359 (Satan);

aanvang tijdrekening gefocust op de wederwaardigheden van het volk (de natie) Israël

2277  1726/1725  Jozef, 17 jaar oud, verkocht naar Egypte

2290  1713/1712  Jozef, 30 jaar oud, staat voor Farao; aanvang 2 x 7 jaar periodes van overvloed/honger

2297  1706/1705  Aanvang hongersnood

2299  1704/1703  In tweede jaar hongersnood komt Jakob met gehele familie naar Egypte 

2316  1687/1686  Dood Jakob, 147 jaar oud (Gn 47:28);

2370  1633/1632  Dood Jozef, 110 jaar oud

2514  1489/1488  Exodus; 144 jaar ná Jozefs dood; zijn gebeente wordt meer dan 40 jaar ‘rondgedragen’ [2Kor 4:10] 

2515  1488/1487  Oprichting Tabernakel; installatie Aäronische priesterschap

2554  1449/1448  Dood Mozes (120 jaar); overtocht Jordaan o.l.v. Jozua          

2910  1093/1092  Saul koning; 40 jaar tot 2950 AM

2950  1053/1052  David koning; 40 jaar tot 2990 AM

2990  1013/1012  Salomo wordt koning

2993  1010/1009  Het vierde jaar van Salomo [ 1Kn 6:1; 2514 + 479 ]

3000  1003/1002  Tempel voltooid [ 1Kn 6:38 ]

 

3030    973/972  Dood Salomo, ná 40-jarige regering; kort hierna splitsing Davidisch Rijk in Noordelijk Tienstammenrijk en Zuidelijk koninkrijk Juda 

3287    716/715  Einde Tienstammenrijk; wegvoering naar Assyrië (2Kn 17:20

3416    587/586  Val Jeruzalem; eerste tempel verwoest

3463    540/539  Val Babel; einde 70 jaar periode genoemd in Jr 25:11 en 29:10 

3464    539/538  Decreet Cyrus ivm terugkeer Joodse ballingen

3485    518/517  Einde 70-jarige periode van vasten (Zc 7:1-5)

3558    445/444  De Jaarwekenprofetie wordt van kracht in het 20ste jaar van Artaxerxes;  de eerste 7 + 62 weken eindigden op Palmzondag van 33 ADZie Daniël 9:25

4000       3/2       Geboorte Yeshua; zie Lukas 2.

 

  AM    AD

4030      28/29  Yeshua ondergedompeld in de Jordaan door Johannes in het najaar van 29 AD

4034      32/33  Voorjaar 33 AD; Gezeten op een ezel rijdt Yeshua op Palmzondag Jeruzalem binnen

4047      45/46  Paulus’ aankondiging (in Pisidisch Antiochie): Voortaan Heidenprediking (Hn 13)

Start van 1975 jaar tot de Opname en de ontmaskering van Jobs drie ‘vrienden’

4071      69/70  Tweede tempel verwoest 


6023  2021/2022 Te tellen vanaf 1Tisjri volgens de Joodse kalender 

6024  2022/2023  Naar verwachting het eerste jaar van de 70ste Jaarweek; eveneens vanaf 1 Tisjri (26 september). Wat te verwachten; met name wat betreft de Opname van de Gemeente  (??)

6030  2028/2029  Naar verwachting het laatste (7e jaar) van de 70ste Jaarweek (??)

6031  2029/2030  Naar verwachting het eerste jaar van het Duizendjarig Rijk (??)


===============================================================================

                   

Hieronder verschaffen we de gematria resultaten van Leviticus 23:23-25 voor de datum 1 Tisjri, waarop in Israël jaarlijks het eendaagse ‘bazuinenfeest’ werd (en nog steeds wordt) gevierd >>  

          

Lv 23:23

En YHWH sprak tot Mozes, zeggend:

895

Lv 23:24

Spreek tot de zonen van Israël, zeggend: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult gij een sabbat hebben, een gedenkdag van trompetgeschal, een heilige samenkomst.

4766

Lv 23:25

Geen enkel soort van zwaar werk moogt gij verrichten, en gij moet een vuuroffer aan YHWH aanbieden.

2544

 

Totaal GW 8205

Heel opmerkelijk kan het genoemd worden dat die GW (Getalswaarde) correspondeert met die van 2 Thess 2, vers 6 >>

κα νν τ κατχον οδατε ες τ ποκαλυφθναι ατν ν τ αυτο καιρ.

 

En nu weten jullie wat [hem - de Mens der Wetteloosheid; de Antichristelijke figuur van de Eindtijd -] weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt.

 

In Numeri 29:1 vinden we een korte parallelle passage >>

 

Nm 29:1

En in de zevende maand, op de eerste van de maand, moeten jullie een heilige samenkomst houden.

Geen enkel soort van zwaar werk mogen jullie doenHet dient werkelijk een dag van trompetgeschal voor jullie te zijn.

GW

4225

 

In Jh 11:5 treffen we de GW 4225 o.a. ook aan >> Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief.

 

Het onderstaande is een commentaar op het trompetblazen van 1 Tisjri door William Kelly >>

 

“We find ourselves in presence of an entirely new scene from verse 23.

 

23 And YHWH spoke to Moses, saying, Speak to the children of Israel, saying,

24 In the seventh month, on the first of the month, you shall have a rest, a memorial of blowing of trumpets, a holy convocation.

25 You shall do no regular work; and you shall offer an offering made by fire to YHWH.

 

So far from the gospel being a continuous work to the end of the world, as many suppose, we see here that the Lord will begin a fresh testimony with a suited instrumentality for this new aim when the church is gone.

Observe that it is said here in the seventh month; this was the last month in which YHWH instituted a feast.

He here brings to a completion the circle of his ways on the earth and for Israel.

In the very beginning then of this closing period of God's dealings, what do we read?

A memorial of blowing of trumpets.

 

God is inaugurating a fresh testimony. The trumpet is clearly a figure of his intervention to announce some signal change.

It may be for judgment, as we find in some cases; it may be a distinct testimony in grace, as we know elsewhere.

It is clearly a loud summons from God to people on the earth.

Here, as we read, it is not merely a blowing of trumpets, but memorial of blowing of trumpets. It is a recall of what had long passed out of memory.

It is God calling to mind what had once been before him, but long dead and gone.

What can this be? It is the recall of his ancient people on the earth.

The Jew is again brought into remembrance before God. No wonder that there should be such a memorial of blowing of trumpets (!)

 

Hundreds, one might say thousands, of years had passed since they had stood before him as his people. For the return from Babylon was only a partial work: as a whole, Israel never returned, but remained a dispersion over the world. Where was the bulk of them? They were lost among the Gentiles; and so to this day they have remained in a peculiar condition, unlike any other since the world began.

They are in all countries without possessing one of their own, and yet a people; they are without a king or a prince, and yet a people; without the true God and without a false god, yet a people (Hosea 3): a standing rebuke to the infidel, yet largely and deeply infidel themselves!

But this very people - as the same prophecy lets us know - are yet to return to their land, and seek YHWH their Lord and David their king; they shall fear YHWH and his goodness in the latter days.

But what does God do in the first place? He awakens them. The day of shadows is gone for ever. The cross of Christ has closed unrealities. By the power of his resurrection the christian is introduced into the new creation. The old is gone, the new come; and before God we have our place in Christ. When this work is finished, grace will begin to act in Israel, and they shall be awakened.

Nothing more distinctly proves that God will have done with the Christian; for the gospel went out to the Gentiles (though to the Jew first), and in the church, as in Christ, there is neither Jew nor Greek. The Feast of Trumpets is God's taking up Israel afresh to awaken them.

 

Undeniably then this feast is after and quite distinct from Passover and Pentecost in which we have our interest. Hence the first thing disclosed in it is God's loud summons to a people who once had a place before him and again come into remembrance for mercy, not judgment.

It is evident that this could not consistently apply to the gospel that has been at work since Christ's death and resurrection. We have had his sacrifice, and call to practical holiness, and the gift of the spirit long ago. But when God has done with our blessing, the chapter reveals that in the seventh month dead Israel is to be raised from the grave by God's trumpet, as Ezekiel predicted long after (Ezekiel 37). As this is clearly a new work for a people long disowned, let us trace what light other scriptures furnish on it.

We refer to the Psalms. There you may learn how truly they and the prophets agree with this figure in the Law. See Psalm 81 :

 

Sing aloud unto God our strength; make a joyful noise unto the God of Jacob. Take a psalm and bring hither the timbrel, the pleasant harp with the psaltery. Blow the trumpet at the new moon, at the time appointed, on our solemn feast day. For this was a statute for Israel, and a law of the God of Jacob (Ps 81:1-4).

 

If men were not prejudiced, none could deny the application to Israel. The moon, that luminary which wanes and loses her brightness, once more renews her light, as mercy will do for the rebellious people.

 

Ps 81:1

Sing aloud unto God our strength; make a joyful noise unto the God of Jacob.

2432

Ps 81:2

Take a psalm and bring hither the timbrel, the pleasant harp with the psaltery.

2139

Ps 81:3

Blow the trumpet at the new moon, at the time appointed, on our solemn feast day.

1716

Ps 81:4

For this was a statute for Israel, and a law of the God of Jacob.

1408


How strikingly is this, Psalm 81, to be verified in Israel! It could not be said of the world-church, or Christendom…”

 

Opm.: De GW (getalswaarde) van dit Schriftdeel is 7695, overeenkomend met die van Jh 13:20 >>

Voorwaar, ik zeg jullie, hij die ontvangt wie ik ook zend, ontvangt mij; en hij die mij ontvangt, ontvangt hem die mij zond.

En ook die van 1Tm 2:5 >> Want er is één God, ook één Middelaar van God en mensen, mens Messias Jezus.

 

De GW van de vv 3 en 4 tezamen bedraagt 3124. Die GW wordt ook aangetroffen in Ps 91:13 >>

Op leeuw en adder zult gij treden, jonge leeuw en slang zult gij vertrappen.

 


Hierboven wezen we al op het Anno Mundi jaar 6024 als mogelijke aanvang van de 70ste Jaarweek; alsook op de mogelijke  opname van de Gemeente op 1 Tisjri 2022. Het is bijgevolg niet onlogisch om de getalswaarde 6024 na te gaan >>

 

Genesis 45:27

Maar toen zij hem al de woorden overbrachten, die Jozef tot hen gesproken had, en toen hij de wagens zag, die Jozef gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob op.

Jozua 3:3

En zij gaven het volk dit bevel: Zodra jullie de ark van het Verbond van YHWH, jullie God, zien en de Levitische priesters, die haar dragen, dan zullen jullie ook van jullie plaats opbreken en achter haar aan trekken.

1 Samuël 14:21

Bovendien voegden de Hebreeën, die reeds lang bij de Filistijnen waren en verspreid met hen in het leger waren opgetrokken, zich bij de Israëlieten, die bij Saul en Jonathan waren.

 

 Zie ook de studie Het Overblijfsel dat tot zegen zal zijn.

 

 

-.-.-