Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

donderdag 19 december 2013

De Romeinenbrief - Hoofdstuk 16

1   συνιστημι δε υμιν φοιβην την αδελφην ημων ουσαν [και] διακονον της εκκλησιας της εν κεγχρεαις
2   ινα αυτην προσδεξησθε εν κυριω αξιως των αγιων και παραστητε αυτη εν ω αν υμων χρηζη πραγματι και γαρ αυτη προστατις πολλων εγενηθη και εμου αυτου
 
1 Ik beveel jullie echter Foibè aan, onze zuster die een dienares is van de gemeente die in Kenchreeën is,
2 opdat jullie haar ontvangen in [de] Heer, [op een wijze die] de heiligen waardig [is], en haar bijstaat in welke zaak maar ook waarin zij jullie nodig heeft, want ook zijzelf verleende velen bescherming, ook aan mijzelf.
 
Dat Paulus Foibè bij de Romeinen kon aanbevelen had blijkbaar te maken met het feit dat zij op het punt stond naar Rome te reizen en daarom in de gelegenheid verkeerde de brief over te brengen aan de gemeente. De vrijheid die zij had om te reizen en een in het oog vallende dienst in de gemeente te verrichten, kan er op duiden dat zij weduwe en mogelijk een welgestelde vrouw was die als een 'patrones' kon optreden. Zij heeft dus misschien haar invloed in de gemeenschap aangewend ten behoeve van christenen die hulp en/of bescherming nodig hadden. Wellicht dat zij hun in tijden van gevaar toevlucht verschafte of hen op een andere wijze te hulp schoot.
 
Precieze bijzonderheden daarover vermeldt Paulus niet; wél dat ook hijzelf bijstand van haar had ontvangen. In de havenstad Kenchrea was zij blijkbaar in de gelegenheid waardevolle diensten te verlenen, niet slechts aan Paulus maar ook aan andere medechristenen, met name evangelisten.
Vergelijk Lydia in Filippi (Hn 16:15, 40). Kortom, redenen te over om haar wegens haar verdienstelijkheid van harte bij de Romeinen aan te bevelen.
 
Sommigen denken dat Foibè slechts om bovengenoemde redenen door Paulus een dienares wordt genoemd, dus eerder in de betekenis van helpster, niet dat zij officieel benoemd zou zijn in het ambt van een dienares, in het Grieks diakonos, een manlijke term voor een dienaar. Volgens hen zou de Schrift niet voorzien in een dienaarsambt voor vrouwen, maar die opvatting kan niet echt 'hard gemaakt' worden.
Foibè was werkelijk een diakones van een lokale gemeente, dus in de technische betekenis van een ambt. Het Griekse diakonos in de betekenis van ambt wordt in het NT zowel op mannen als vrouwen toegepast.

Dit is dan ook niet de enige plaats in het NT waar het ambt van diaken ook toepasbaar kan zijn op vrouwen. We zien dat onder meer ook in 1Tm 3:8-11. Volgens de HSV lezen we daar:
De diakenen moeten evenzo eerbaar zijn, niet met twee monden spreken, niet verzot zijn op veel wijn, niet uit zijn op oneerlijke winst, en het geheimenis van het geloof vasthouden in een zuiver geweten. Ook zij moeten eerst beproefd worden; daarna mogen zij dienen, als zij onberispelijk zijn. De vrouwen moeten evenzo eerbaar zijn, geen kwaadspreeksters, beheerst, trouw in alles.

Het ligt niet voor de hand de vrouwen van vers 11 als de echtgenotes te zien van de manlijke diakens of dienaren, maar als vrouwen aan wie binnen de gemeenten officiële taken waren overgelaten. Zij waren geen leraren (1Tm 2:12), maar dienden waarschijnlijk in de echt vrouwelijke taken. In 1Tm 5:9-10 krijgen we daarvan een indruk in verband met weduwen:
Laat een weduwe worden ingeschreven [als dienares] als zij niet minder dan zestig jaar oud is, de vrouw van één man is geweest en een getuigenis heeft aangaande goede werken: of zij kinderen heeft opgevoed, vreemdelingen gastvrijheid betoond, voeten van heiligen gewassen, verdrukten bijgestaan; [kortom] elk goed werk heeft behartigd. 
 
Hierna, in dit laatste hoofdstuk, zullen door Paulus nog andere christelijke vrouwen vermeld worden, voor wie blijkbaar soortgelijke dingen gelden, zoals Trufaina, Trufosa en Persis in vers 12. Omtrent hen weten we verder niets dan het door Paulus vermelde: In hun verbondenheid met de Heer (Jezus) spanden zij zich krachtig in.
Wellicht helpt vers 6 ons daarin verder, want daar maakt Paulus melding van nog een andere vrouw, genaamd Maria, die zich eveneens 
krachtig inspande [hetzelfde werkwoord κοπιαω]. En voor wie spande Maria zich in? Voor jullie, d.i dus voor allen die te Rome zijn als Gods geliefden, geroepen om heiligen te zijn (Rm 1:7).

Verder spreekt Lukas 8:1-3 voor zichzelf wat betreft de vrouwen die Jezus en zijn leerlingen vergezelden:
 die hen uit eigen middelen dienden. Zie:Jezus’ gevolg. 
 
3   ασπασασθε πρισκαν και ακυλαν τους συνεργους μου εν χριστω ιησου
4   οιτινες υπερ της ψυχης μου τον εαυτων τραχηλον υπεθηκαν οις ουκ εγω μονος ευχαριστω αλλα και πασαι αι εκκλησιαι των εθνων
5a   και την κατ οικον αυτων εκκλησιαν
 
3 Groet Priska en Akulas, mijn medearbeiders in Messias Jezus,
4 die voor mijn ziel hun eigen hals waagden, jegens wie niet alleen ik dankbaar ben, maar ook alle gemeenten der Heidenvolken.
5a Groet ook de gemeente bij hen aan huis.
 
Het joods echtpaar Priska en Akulas, afkomstig uit Pontus in het Noorden van Klein-Azië, wordt altijd tezamen vermeld. Voor het eerst in Handelingen 18 waar wij vernemen dat zij vanwege het edict dat keizer Claudius in het jaar 49 tegen de Joden had uitgevaardigd, Rome moesten verlaten en zich vestigden in Korinthe. Toen Paulus daar in de herfst van 50 AD arriveerde op zijn tweede zendingsreis nam het echtpaar hem vriendelijk bij zich in huis. Terwijl zij in hun gemeenschappelijk ambacht als tentenmakers samenwerkten en zij Paulus ongetwijfeld terzijde stonden in het Evangelie, ontwikkelde zich tussen hen een zeer hechte vriendschapsband.
 
Toen Paulus in het voorjaar van 52 AD scheep ging naar Syrië, vergezelde het echtpaar hem tot aan Efeze. Tijdens zijn derde zendingsreis kwam Paulus opnieuw in die stad en verbleef daar minstens twee jaar (Hn 19:1-10). Priska en Akulas hadden zich daar intussen behoorlijk gesetteld. Bij hen kwam een huisgemeente samen en te eniger tijd vingen zij daar ook Apollos op (Hn 18:26). Op z’n minst zijn ze tot begin 55 AD in Efeze gebleven toen Paulus omstreeks die tijd vanuit Efeze aan de Korinthiërs schreef en de groeten van het echtpaar overbracht: Akulas en Priska groeten jullie hartelijk in [de] Heer tezamen met de gemeente bij hen aan huis (1Ko 16:19).
 
Later, toen Paulus in de winter van 56/57 aan de Romeinen schreef, was Claudius’ heerschappij geëindigd en was het echtpaar inmiddels naar Rome teruggekeerd, maar ook daar verzorgde zij opnieuw een huisgemeente. Ergens in de periode van hun samenzijn, wellicht te Efeze, hadden Priska en Akulas hun eigen hals voor de apostel gewaagd. Voor die daad waren volgens de apostel alle Heidengemeenten dank aan hen verschuldigd, een vermelding welke getuigt van de goede reputatie die het echtpaar overal genoot.
 
Uit 2Tm 4:19 zou blijken dat Priska en Akulas te eniger tijd toch weer naar Efeze waren teruggekeerd, aangezien Paulus - voor de tweede maal te Rome in gevangenschap verkerend en overtuigd van zijn naderende dood - Timotheüs verzocht zijn groeten aan het echtpaar over te brengen. Uit1Tm 1:3 mogen wij blijkbaar afleiden dat Timotheüs zich toen in Efeze bevond.
 
5b   ασπασασθε επαινετον τον αγαπητον μου ος εστιν απαρχη της ασιας εις χριστον
6   ασπασασθε μαριαν ητις πολλα εκοπιασεν εις υμας
7   ασπασασθε ανδρονικον και ιουνιαν τους συγγενεις μου και συναιχμαλωτους μου οιτινες εισιν επισημοι εν τοις αποστολοις οι και προ εμου γεγοναν εν χριστω
8   ασπασασθε αμπλιατον τον αγαπητον μου εν κυριω
9   ασπασασθε ουρβανον τον συνεργον ημων εν χριστω και σταχυν τον αγαπητον μου
10  ασπασασθε απελλην τον δοκιμον εν χριστω ασπασασθε τους εκ των αριστοβουλου
11  ασπασασθε ηρωδιωνα τον συγγενη μου ασπασασθε τους εκ των ναρκισσου τους οντας εν κυριω
12  ασπασασθε τρυφαιναν και τρυφωσαν τας κοπιωσας εν κυριω ασπασασθε περσιδα την αγαπητην ητις πολλα εκοπιασεν εν κυριω
13  ασπασασθε ρουφον τον εκλεκτον εν κυριω και την μητερα αυτου και εμου
14  ασπασασθε ασυγκριτον φλεγοντα ερμην πατροβαν ερμαν και τους συν αυτοις αδελφους
15  ασπασασθε φιλολογον και ιουλιαν νηρεα και την αδελφην αυτου και ολυμπαν και τους συν αυτοις παντας αγιους
16  ασπασασθε αλληλους εν φιληματι αγιω ασπαζονται υμας αι εκκλησιαι πασαι του χριστου
 
5b Groet mijn geliefde Epainetos die een eerstelingsgave van de [provincie] Asia voor [de] Messias is.
6 Groet Maria, die zich krachtig voor jullie inspande.
7 Groet Andronikos en Jounias, mijn verwanten en mijn medegevangenen, die in aanzien zijn onder de apostelen, die vóór mij in [de] Messias waren.
8 Groet Amplias, mijn geliefde in [de] Heer.
9 Groet Ourbanos, onze medearbeider in [de] Messias, en mijn geliefde Stachus.
10 Groet Apellès, de beproefde in [de] Messias. Groet hen uit het huis van Aristoboulos.
11 Groet Herodion, mijn verwant. Groet hen uit het huis van Narkissos, hen die in [de] Heer [zijn].
12 Groet Trufaina en Trufosa die zich krachtig inspannen in [de] Heer. Groet de geliefde Persis die zich veel moeite getroostte in [de] Heer.
13 Groet Roufos, de uitverkorene in [de] Heer, en zijn moeder en die van mij.
14 Groet Asungkritos, Flegon, Hermès, Patrobas, Hermas, en de broeders die bij hen zijn.
15 Groet Filologos en Joulia, Nèreus en zijn zuster, en Olumpas, en alle heiligen die bij hen zijn.
16 Groet elkaar met een heilige kus. Alle gemeenten van [de] Messias groeten jullie.
 
Terwijl er heel wat bijzonderheden bekend zijn omtrent Priska en Akulas, zo weinig - of in de meeste gevallen helemaal niets - kan er vermeld worden over de achtergrond van alle anderen aan wie Paulus zijn groeten laat overbrengen. Wij moeten ons tevreden stellen met de gegevens die de apostel in telegramstijl over hen vermeld.
Hooguit kunnen we een enkele opmerking maken, zoals over Paulus’ gebruik van de term συγγενης in de vv 7, 11 en straks ook nog in 21. Wij hebben de term weliswaar weergegeven met verwant(en), maar het is niet waarschijnlijk dat Andronikos, Jounias, Herodion, Loukios, Jason en Sosipatros allen rechtstreekse familieleden van Paulus waren. De term duidt in deze context eerder op land- of stamgenoot; dus iemand die tot het zelfde volk behoort. Vergelijk Lk 1:58; 2:44; 21:16; Jh 18:26 en Hn 10:24.
 
Met betrekking tot allen die buiten Priska en Akulas worden vermeld, kunnen we een zekere overeenkomst constateren met Simeon en Anna die net als zij tot de grote meerderheid der naamlozen onder Gods dienstknechten behoorden, maar die ten tijde van Jezus’ aanbieding in de tempel voor een kort moment uit hun anonimiteit traden (Lukas 2).
 
Interessant is overigens de vraag waarom wij hier, in tegenstelling tot alle andere brieven van Paulus, zo’n lange reeks van persoonlijke groeten  aantreffen. Niet dat we eraan moeten twijfelen of hij hen inderdaad wel allen persoonlijk kende, aangezien hij de gemeente noch gesticht noch ooit bezocht had. Want in die dagen bestond er al een druk verkeer tussen de gemeenten onderling. Ook maakten velen gebruik van het voortdurende en veelvuldige scheepsverkeer, zoals handelaren, beambten en niet te vergeten de vele pelgrims die voor de periodieke feesten naar Jeruzalem reisden. Vergelijk Hn 2:10 en 6:9 waar sprake is van de Synagoge der Vrijgelatenen (Libertijnen) waarmee gedoeld wordt op in Rome levende Joden die als slaven daarheen weggevoerd en later vrijgelaten waren.
 
De vraag is niet met zekerheid te beantwoorden, maar als we terugdenken aan de wijze waarop Paulus zich (in 15:14-16) min of meer verontschuldigde voor de vrijpostige manier waarop hij de sterken en de zwakken gemeend had te moeten vermanen, lijkt het ons niet onwaarschijnlijk dat hij hun met zijn lange opsomming van bekenden eigenlijk liet weten: "OK, ik ben dan nog wel nooit in Rome geweest, maar eigenlijk ken ik jullie gemeente even goed als mijn broeders hier in Korinthe. Met velen onder jullie heb ik immers al een persoonlijke band".
 
Die verklaring helpt ons trouwens ook zijn verzoek aan hen (in 15:30-32) te begrijpen om zich samen met hem in te spannen in gebeden tot God voor een succesvol verloop van zijn gevaarvolle reis naar Jeruzalem. Hij kende hén en zij kenden hém, wat tot een onderlinge band van vertrouwen had geleid, een saamhorigheid waarop hij graag steunde. Vandaar ook zijn verwachting dat hij, wanneer hij werkelijk bij hen arriveerde, wederzijdse verkwikking zou ervaren.
 
De groet met een heilige kus kwamen we ook reeds in 1Th 5:26 tegen. Oosterlingen waren in die dagen gewend hun vrienden met een kus te begroeten. De heilige kus was een teken van de geestelijke eenheid onder de gelovigen. Zie ook: Gn 45:15; Mt 26:49; 1Ko 16:20 en 2Ko 13:12.
 
17  παρακαλω δε υμας αδελφοι σκοπειν τους τας διχοστασιας και τα σκανδαλα παρα την διδαχην ην υμεις εμαθετε ποιουντας και εκκλινετε απ αυτων
18  οι γαρ τοιουτοι τω κυριω ημων χριστω ου δουλευουσιν αλλα τη εαυτων κοιλια και δια της χρηστολογιας και ευλογιας εξαπατωσιν τας καρδιας των ακακων
19  η γαρ υμων υπακοη εις παντας αφικετο εφ υμιν ουν χαιρω θελω δε υμας σοφους ειναι εις το αγαθον ακεραιους δε εις το κακον
20  ο δε θεος της ειρηνης συντριψει τον σαταναν υπο τους ποδας υμων εν ταχει η χαρις του κυριου ημων ιησου μεθ υμων
 
17 Ik roep jullie er echter toe op, broeders, hen in het oog te houden die de verdeeldheden [veroorzaken] en de struikelblokken [opwerpen]tegen het onderwijs dat jullie leerden, en wendt je van hen af.
18 Want zulke personen dienen onze Heer Jezus Messias niet als slaven, maar hun eigen buik, en door fraaie spraak en loftuitingen bedriegen zij de harten der argelozen.
19 Want jullie gehoorzaamheid werd aan allen bekend; ik verheug me dan ook over jullie. Maar ik wens dat jullie wijs zijn ten opzichte van het goede, maar [ook] onschuldig wat het kwade betreft.
20 De God nu van de vrede zal de Satan vlug onder jullie voeten verpletteren. De liefderijke gunst van onze Heer Jezus zij met jullie. Amen.
 
Bij het overbrengen van zijn groeten aan de getrouwen te Rome was de apostel zich tegelijkertijd ook heel goed bewust van het feit dat er zich in hun midden personen ophielden met geheel verkeerde bedoelingen. Het is niet ondenkbaar dat hem daarover nog recentelijk verontrustende geluiden hadden bereikt. Zoals Satan zijn handlangers in Korinthe had, zal het in Rome niet veel anders geweest zijn. Kort hiervoor had hij immers nog voor misleiders gewaarschuwd die de gemeenten proberen te infiltreren en te verderven met hun leringen en mooipraterij:
 
Maar ik vrees dat op een of andere wijze zoals de slang in zijn listigheid Eva bedroog jullie gedachten verdorven zouden kunnen worden, weg van de eenvoud en de eerbaarheid die voor de Messias [passend zijn]. Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt die wij niet predikten, of jullie een andere geest ontvangen die jullie niet ontvingen, of een ander Evangelie dat jullie niet aannamen, dan verdragen jullie dat zeer wel… Want zulke lieden zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van [de] Messias. En geen wonder, want de Satan zelf doet zich voor als een engel des lichts. Het is dus niets groots indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren van rechtvaardigheid. Hun einde zal zijn naar hun werken.
 
Dat zulke lieden geen slaven zijn van de Heer, maar van hun eigen buik, verraadt hun vleselijke gezindheid; het zijn geen pneumatikoi, geestelijke mensen, maar veeleer fysikoi, fysieke personen, zij die de dingen van de geest Gods niet  aanvaarden. Zoals het vlees staat tegenover de geest, zo eveneens de 'buik' tegenover de ware leer van het Evangelie (1Ko 2:13-15). 
Zij slagen er echter gewiekst in hun ware motieven listig te verbergen achter vroom gepraat en lovende woorden.
 
Voor de nieuwe gelovigen die in hun argeloosheid menen dat er zich binnen een gemeente van christenen 'vanzelfsprekend' alleen maar eerlijke en oprechte gelovigen bevinden, vormen die bedriegers dan ook een groot geestelijk gevaar. Met hun vroom en schoon gepraat lijken zij heel sympathieke mensen te zijn; het gevolg daarvan kan zijn dat het sommigen, nog onervaren in de Heer, ontgaat dat die lieden in werkelijkheid er mee bezig zijn het fundament van hun geloof te verwoesten.
 
De Satan is er niet aflatend op uit zijn handlangers te laten infiltreren, zoals Paulus zelf al veel eerder in zijn loopbaan meemaakte te Jeruzalem waar hij werd geconfronteerd met heimelijk binnengevoerde schijnbroeders, die heimelijk binnenkwamen om onze vrijheid die wij in Messias Jezus bezitten te bespieden, met de bedoeling ons aan slavernij te onderwerpen (Gl 2:4).
 
Wanneer de apostel zijn getrouwe broeders te Rome dan ook vermaant om wijs te zijn ten opzichte van het goede, maar [ook] onschuldig wat het kwade betreft, wil hij daarmee zeggen dat er buiten hun prijzenswaardige geloofsgehoorzaamheid nog meer nodig is, namelijk een praktisch onderscheid maken tussen wat geestelijk goed en kwaad is. In dat spanningsveld is het soms een hele kunst om op de juiste koers te blijven en de vleitaal van de mooipraters te doorzien.
 
Paulus gebruikt daarbij het woord ακεραιος [akeraios] dat letterlijk betekent ongeschonden, niet vermengd, integer, niet schadelijk. In Mt 10:16 gaf Jezus de apostelen die hij uitzond de raad om - als schapen die te midden van wolven zouden verkeren – akeraios te worden zoals de duiven. En in Fp 2:15 zou Paulus naderhand de Filippenzen aanraden om onberispelijk en ongeschonden [akeraios] te worden, onbesproken kinderen van God te midden van een krom en verdraaid geslacht, onder wie jullie schijnen als lichtbronnen in de wereld.
En juist in die Brief is het gebruik van akeraios door de apostel veelbetekenend aangezien hij zich bij het schrijven daarvan werkelijk te Rome bevond maar dan als een gevangene. Welnu, in die situatie kreeg hij ook persoonlijk te maken met degenen in de gemeente voor wie hij de getrouwen in de Romeinenbrief had moeten waarschuwen:
 
Weliswaar prediken ook sommigen de Messias door afgunst en strijdlust, maar sommigen ook door goedwilligheid. Dezen werkelijk uit liefde, daar zij weten dat ik tot verdediging van het Evangelie gesteld ben; maar de eersten verkondigen de Messias uit twistzucht, niet zuiver, met de bedoeling verdrukking bij mijn ketenen op te wekken.
 
Zelfs terwijl hij in gevangenschap verkeerde had Paulus’ verblijf te Rome een vergaande invloed op de plaatselijke gemeente, en dit tot grote ergernis van die vleselijk gezinde personen die zelf een vooraanstaande plaats in de gemeente wilden innemen. Bij hun ambities stond de persoon van Paulus hen voortdurend in de weg. In hun twistzucht en neiging tot strijd probeerden zij het de apostel zelfs in zijn gevangenschap nog zo moeilijk mogelijk te maken.
 
Vanwaar een dergelijke kwaadaardige animositeit? Blijkbaar omdat zij het al totaal niet eens waren geweest met Paulus’ theologie zoals hij die in de Romeinenbrief had ontvouwd. We denken dan als bijna vanzelfsprekend aan Jodenchristenen die nog altijd de opvattingen van het Judaïsme probeerden uit te dragen; precies die personen dus met wie de apostel geregeld te maken had gekregen tijdens zijn rondreizen in het Oosten.
 
In hun onderwijs interpreteerden zij de Messias volgens de oude joodse denkbeelden. In hoofdstuk 3 van de Filippenzenbrief zou hij hen, de Judaïsten, om die reden aanduiden als de honden, de slechte arbeiders, de verminking [door de besnijdenis]. En verder, in de vv 17 tm 19 van dat zelfde hoofdstuk, zou hij eveneens de kwalificatie van de 'buik' op hen toepassen:
 
Wordt medenavolgers van mij, broeders, en houdt hen voor ogen die zó wandelen gelijk jullie ons tot voorbeeld hebben. Want velen wandelen -ik sprak jullie dikwijls over hen, maar nu spreek ik zelfs wenend - als de vijanden van de martelpaal van de Messias; wier einde vernietiging, wier god de buik [is], en van wie de heerlijkheid in hun schande [gelegen is]; degenen die zinnen op de aardse zaken.
 
Zij echter probeerden door het promoten van hun judaïstische leringen Paulus’ gevangenschap te verzwaren, want zij wisten maar al te goed hoezeer hij daartegen gekant was, maar machteloos als hij was wegens zijn ketenen, kon hij er toch niets tegen ondernemen.
 
Conclusie? Daar waar de geest krachtig werkzaam is, mogen we ook de werkzaamheid van de vijand verwachten. Vanaf de vroegste tijden van het Evangelie was dat het geval en is ook steeds weer in de praktijk van het geloofsleven te zien geweest! Maar Satans heerschappij is eindig; al zijn invloed zal hem weldra, bij de start van de Millenniumheerschappij van de Messias, ontnomen worden.
 
God is namelijk de God van de vrede en door de vermelding daarvan in deze context geeft de apostel te kennen dat de valse predikers, naast alle andere kwade zaken, ook de vrede verstoren. Daarom moet er ook eerst en vooral opgetreden worden tegen de bovennatuurlijke macht van wie zij de dienaren zijn. In Op 20:1-3 lezen we dan ook dat de Satan, de Draak, de hele duur van het Millennium gebonden zal worden gehouden in een 'afgrond' van volkomen machteloosheid. Na een korte periode van vrijlating zal hij als vervulling van Gn 3:15 definitief vernietigd worden (Op 20:7-10). In hun hemelse positie en verbondenheid met hun Bruidegom, Messias Jezus, zal de Gemeente daarbij een betrokkenheid hebben.
 
Het valt niet uit te sluiten dat Paulus, gelet op het contextuele verband, met de verplettering onder onze voeten van de Satan, ook gedoeld kan hebben op het behalen van geestelijke overwinningen. Telkens namelijk wanneer we er met de hulp van Gods Woord en geest in slagen Satanische dwaalleringen te ontmaskeren, zodat mensen daarvan bevrijd worden en de vrede van God terugkeert, lijdt Satan een geestelijke nederlaag.
Zie Ef 6:10-20 en de toelichting op dat Schriftdeel in De wapenrusting Gods
 
21  ασπαζεται υμας τιμοθεος ο συνεργος μου και λουκιος και ιασων και σωσιπατρος οι συγγενεις μου
22  ασπαζομαι υμας εγω τερτιος ο γραψας την επιστολην εν κυριω
23  ασπαζεται υμας γαιος ο ξενος μου και ολης της εκκλησιας ασπαζεται υμας εραστος ο οικονομος της πολεως και κουαρτος ο αδελφος.
24     -
 
21 Jullie groet Timotheüs, mijn medearbeider, alsook Loukios en Jason en Sosipatros, mijn verwanten.
22 Ik, Tertios, die de brief schreef, groet jullie in [de] Heer.
23 Gaios, de gastheer van mij en van heel de gemeente, groet jullie. Erastos, de stadsbeheerder, groet jullie, alsook Kouartos, de broeder.
24 ―
 
Na het vermanend intermezzo, waarin hij heeft gewaarschuwd voor de kwalijke prediking van hen die eerder dienaren zijn van de eigen 'buik' dan van de Messias die zij beweren te belijden, grijpt Paulus de gelegenheid nog een keer aan om de groeten over te brengen van hen die op dat ogenblik te Korinthe in zijn naaste omgeving verkeren.
• Dat Timotheüs specifiek door hem mijn medearbeider wordt genoemd, wekt uiteraard geen verbazing. Vanaf het moment dat Paulus tijdens zijn tweede zendingsreis in Lystra aankwam was hij vrijwel voortdurend Paulus’ trouwe metgezel geweest in het Evangelie. Niet vreemd overigens want door de heilige geest waren dienaangaande bepaalde voorzeggingen over Timotheüs geuit (Hn 16:1-3; 1Tm 1:18; 4:14; 2Tm 1:6).
 
Uit Hn 20:1-6 kunnen we afleiden dat hij ook hier, te Korinthe, in Paulus’ gezelschap verkeerde, wat kennelijk ook gold voor Sosipatros. Beide reisden, overigens met nog anderen, met Paulus mee toen deze uit Korinthe vertrok en de reis naar Jeruzalem aanvaardde.
• Loukios zou dezelfde kunnen zijn als de Loukios van Kurènaios [Cyrene] die in Hn 13:1 vermeld wordt en toen werkzaam was in de gemeente van Syrisch Antiochië.
• Jason kan vereenzelvigd worden met de Jason van Hn 17:5, kennelijk de gastheer van Paulus in Thessaloniki. Wellicht waren Jason en Sosipatros betrokken geweest bij het overbrengen van de collectegelden vanuit Macedonië, waarover we lezen in 2Ko 8:18-22 en 2Ko 9:1-5.
 
• Tertios, aan wie Paulus de Brief dicteerde, grijpt de gelegenheid aan om ook zijn groeten over te brengen; wellicht was ook hij voor veel Romeinen geen onbekende.
• Verder is het heel waarschijnlijk dat Gaios, Paulus’ gastheer, dezelfde is als de Gaios die hij in 1Ko 1:14 had genoemd, aangezien hij een der weinigen was die door de apostel zelf waren gedoopt. Blijkbaar kwam in zijn woning een deel van de Korinthische gelovigen bijeen.
 
• Erastos, de stadsbeheerder, is waarschijnlijk dezelfde als die van Hn 19:22 en 2Tm 4:20. Aangezien het echter voor Erastos niet doenlijk moet zijn geweest om Paulus te vergezellen en zich terzelfder tijd van zijn plichten als stadsbeheerder te kwijten, menen sommigen dat Erastos dat ambt op een vroeger tijdstip bekleed had en dat Paulus hem hier dus met zijn titel aanduidt die hij vroeger had.
• Van Kouartos, de broeder, weten we verder niets, maar waarschijnlijk zal ook hij op z’n minst bij sommigen te Rome bekend zijn geweest. Wellicht had hij op een vroeger tijdstip tot de Romeinse gemeente behoord. Dat Paulus hem aanduidt als de broeder, kan er tevens op wijzen dat hij niet tezamen met anderen rondreisde.
 
25   [τω δε δυναμενω υμας στηριξαι κατα το ευαγγελιον μου και το κηρυγμα ιησου χριστου κατα αποκαλυψιν μυστηριου χρονοις αιωνιοις σεσιγημενου
26  φανερωθεντος δε νυν δια τε γραφων προφητικων κατ επιταγην του αιωνιου θεου εις υπακοην πιστεως εις παντα τα εθνη γνωρισθεντος
27  μονω σοφω θεω δια ιησου χριστου ω η δοξα εις τους αιωνας αμην]
 
25 Aan hem nu die in staat is jullie standvastig te maken ― overeenkomstig mijn Evangelie en de prediking van Jezus Messias, overeenkomstig een openbaring van een geheimenis dat eeuwige tijden verzwegen was,
26 maar nu openbaar werd gemaakt en door profetische Schriften naar [het] bevel van de eeuwige God bekend werd gemaakt aan alle Heidenvolken met het oog op geloofsgehoorzaamheid ―
27 aan [de] alleen wijze God, zij door Jezus Messias de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.
 
In de P46, het tot nu toe oudst bekende manuscript dat we hebben van de Romeinenbrief, wordt deze doxologie van drie verzen aan het einde van hoofdstuk 15 aangetroffen, in aansluiting op vers 33 dus. In de Byzantijnse tekst verschijnen ze zelfs aan het einde van hoofdstuk 14. Wellicht dat die varianten aantonen dat er in een vroegere periode kortere versies van de Brief in omloop waren. Het is nu niet meer te achterhalen op welke plaats ze precies  thuis horen. Of een latere redactor de verzen verplaatst heeft, misschien omdat hij het vreemd vond dat een Brief van deze importantie zou eindigen met het overbrengen der groeten van enkele naaste medewerkers, blijft ook niet meer dan een hypothese. Mocht het daarbij zijn doel geweest zijn om de Brief op die manier zinvol te laten eindigen, dan is hij daarin overigens zeker geslaagd!
 
Dat de verzen hier aan het einde van de Brief verschijnen is namelijk niet (geheel) onlogisch, aangezien de lofprijzing enkele elementen bevat waarin wordt teruggegrepen op de beginperikoop van hoofdstuk 1. Vergelijk:
 
* God kan ons standvastig maken. Zie 1:11 >
Ik verlang er naar jullie te zien, om jullie in enige geestelijke genadegave te laten delen, om jullie standvastig te maken.
 
* Overeenkomstig mijn Evangelie. Zie 1:1, 9, 16 >
Paulus, slaaf van Messias Jezus, geroepen apostel, afgezonderd voor Gods Evangelie God, die ik in mijn geest dien in het Evangelie van zijn Zoon Ik schaam mij het Evangelie niet, het is immers een kracht Gods tot redding voor een ieder die gelooft.  Zie ook 2:16.
 
* Het geheimenis van het lang verborgen Evangelie nu bekendgemaakt, tot geloofsgehoorzaamheid onder de Heidenvolken. Zie 1:5 >
Wij ontvingen liefderijke gunst en apostelschap tot geloofsgehoorzaamheid onder alle Heidenvolken. 
 
De doxologie wordt verder gekenmerkt door een uniek aspect, namelijk de vermelding dat het geheimenis [μυστήριον] van het Evangelie - dat overigens tijden lang verborgen (verzwegen) was gebleven -  nu, naar Gods bevel, door profetische Schriften bekend werd gemaakt.
Op welke profetische Schriften kan de apostel gedoeld hebben?
In Ks 1:26-27 zou hij later het volgende schrijven:
 
Het geheimenis dat vanaf de eeuwen en vanaf de geslachten grondig verborgen was, maar nu openbaar gemaakt werd aan zijn heiligen, aan wie God wilde bekendmaken wat de rijkdom der heerlijkheid van dit geheimenis is onder de Heidenen, hetwelk is [de] Messias in jullie, de hoop der heerlijkheid.
 
Het geheimenis omtrent de Gemeente - [de] Messias in jullie - bleef eeuwenlang verborgen. Het behoorde tot het raadsbesluit van God dat niet door menselijk vernuft achterhaald kon worden. Wereldtijdperken en talloze generaties gingen voorbij voordat het God goeddacht het mysterie aan zijn heiligen bekend te maken.
Vergelijkbare dingen dienaangaande schreef Paulus rond die tijd ook aan de Efeziërs.
 
In Ef 3:9 lezen we: Om voor allen aan het licht te brengen wat het beheer [inhoudt] van het geheimenis dat sinds de eeuwen verborgen was in de God die alle dingen heeft geschapen.
 
Op grond daarvan concluderen wij dan ook dat hij met profetische Schriften niet doelt op de profetische OT-boeken, ook al citeerde hij in deze Brief menigmaal daaruit. Pas toen het geheimenis in de Eerste eeuw aan de heiligen - zoals aan Paulus - werd onthuld, vormde dat een historisch gebeuren op zichzelf. Daarna konden diverse passages in de OT-Geschriften in een geheel nieuw licht worden gelezen.
 
Men kon er bijvoorbeeld voor het eerst uit afleiden dat daarin bepaalde schaduwen en/of profetische beelden kunstig verborgen waren, kenmerken die uiteindelijk vooruit bleken te wijzen naar zekere aspecten die binnen het Israël Gods hun eigenlijke gestalten zouden krijgen. Men denke als voorbeeld aan Genesis, hoofdstuk 24, waarop de studies Op weg naar de Bruiloft, deel 1 en deel 2, zijn gebaseerd.
 
Welke Geschriften kunnen dan wel in Rm 16:26 bedoeld zijn? Naar wij menen had Paulus, of een eventuele latere redactor, met profetische Schriften het in geschriften vastgelegde apostolische getuigenis van de Eerste eeuw voor ogen.
En met name in de eigen Brieven van de apostel hebben wij kennis gekregen van het geheimenis dat eeuwen lang verzwegen bleef. In deze Romeinenbrief zijn we in dat opzicht rijk bedeeld geworden! 
     
-.-.-.-.-
 




 
 


 

Geen opmerkingen: