Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

zaterdag 6 januari 2018

De Opname van de Gemeente


Maar wij willen niet dat jullie ontwetend zijn, broeders, betreffende hen die ontslapen, opdat jullie niet bedroefd worden zoals ook de overigen die geen hoop hebben. Want indien wij geloven dat Jezus stierf en [weer] opstond, zo zal ook God hen die ontsliepen door Jezus met hem brengen. Want dit zeggen wij jullie op gezag van [het] woord van [de] Heer: wij, de levenden, die overblijven tot in de paroesie van de Heer, zullen de ontslapenen beslist niet voorgaan. Want de Heer zelf zal met een bevelend roepen, met een stem van [de] aartsengel en met een trompet Gods neerdalen vanaf [de] hemel en de doden in [de] Messias zullen eerst opstaan. Daarop zullen wij, de levenden die overblijven, tezamen met hen in wolken worden weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen we altijd met [de] Heer zijn. Blijft elkaar aldus in deze woorden vertroosten. Wat nu de tijden en de tijdperken betreffen, broeders, hoeft men jullie niet te schrijven, want jullie zelf weten heel precies dat [de] dag van de Heer komt als een dief in de nacht.
Wanneer zij zeggen "Vrede en Veiligheid", dan zal hen onheil plotseling overvallen zoals het wee een zwangere en zij zullen beslist niet ontkomen. Maar jullie, broeders, verkeren niet in duisternis zodat de dag jullie als een dief zou verrassen, want jullie zijn allen zonen des lichts en zonen van de dag; wij behoren niet tot de nacht noch tot de duisternis.

De bekende passage - in Paulus’ Eerste Brief aan de (plaatselijke) gemeente te Thessaloniki – betreffende de toekomstige Opname van de voltallige, wereldomvattende Gemeente, Jezus’ eigen Gemeentelichaam, waarvan hijzelf Hoofd is. Naar die Opname - of Wegrukking, letterlijk volgens het Grieks - hebben zij die zich tot dat Gemeentelichaam geroepen wisten, altijd hoopvol uitgezien. Paulus zelf heeft tijdens zijn actieve leven als apostel der Heidenvolken dat verlangen vurig gekoesterd, getuige deze passages:

Zie! Ik vertel jullie een geheimenis: Wij zullen niet allen ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar moment, in een knippering van [het] oog, bij de laatste trompet. Want de trompet zal klinken en de doden zullen onverderfelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.
Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen en dit sterfelijke [moet] onsterfelijkheid aandoen. Maar zodra ditverderfelijke onverderfelijkheid aandoet, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoet, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood werd verzwolgen tot overwinning.

Want wij weten dat wanneer onze aardse tentwoning ontbonden zou worden, wij een gebouw vanuit God zullen hebben, een niet met handen gemaakte, eeuwige woning in de hemelen. Want in deze [tentwoning] zuchten wij, terwijl wij er vurig naar verlangen ons te overkleden met de woning die uit de hemel is; als wij tenminste maar bekleed, niet naakt bevonden zullen worden. Want ook wij die in de tent zijn zuchten, bezwaard als we zijn. Wij willen immers niet ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke door het leven verzwolgen wordt. Hij nu die ons juist daartoe bereidde [is] God die ons het onderpand van de geest gaf.

Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die in ons geopenbaard zal worden. Immers, het reikhalzend verlangen van de schepping wacht de openbaarmaking van de zonen Gods af. Want de schepping werd aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar daaraan onderwierp, op [basis van] hoop dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij van het verderf tot de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods. Want wij weten dat heel de schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood verkeert, tot nu toe. Niet alleen [zij] echter, maar ook wijzelf, die de eerstelingsgave van de geest hebben, ja, ook wijzelf zuchten in onszelf, [het volledige] zoonschap afwachtend, de loskoop van ons lichaam. Want in de hoop werden wij gered, maar hoop die gezien wordt is geen hoop. Immers, wat iemand ziet, hoopt hij [er dan nog op]? Maar indien wij hopen op wat wij niet zien, wachten wij het standvastig af.
(Rm 8:18-25)

Want ons burgerschap bestaat in de hemelen, van waaruit wij ook vurig een redder verwachten, Heer Jezus Messias, die het lichaam van onze vernedering van gedaante zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, overeenkomstig de werking dat hij in staat is ook alle dingen aan zich te onderwerpen.
(Fp 3:20-21)

Maar toen Paulus aan de Thessalonicenzen over dat onderwerp schreef was dat blijkbaar naar aanleiding van een bericht - waarschijnlijk door Timotheüs aan hem overgebracht - dat aldaar inmiddels enkele sterfgevallen van christenen hadden plaats gevonden. En wellicht vroegen de levenden onder hen zich af of er nog wel toekomst was voor deze geliefde medegelovigen! Hoog tijd voor de apostel om op een vertroostende wijze wat toelichting te verschaffen op de christelijke Eindtijdverwachting. En hoewel hij hier uitvoerig op de kwestie ingaat, had hij eerder in de Brief al enkele bijzonderheden verschaft; t.w. in

1:10 >> Om zijn Zoon uit de hemelen af te wachten die hij uit de doden opwekte: Jezus die ons uit de komende gramschap bevrijdt.
2:19-20 >> Want wie [is] onze hoop, of vreugde, of gloriekroon? Of soms ook niet jullie; voor [het aangezichtvan onze Heer Jezus bij zijn paroesie? Zeker, jullie zijn onze heerlijkheid en vreugde.
3:13 >> Opdat hij jullie harten zou versterken, onberispelijk in heiliging voor het aangezicht van onze God en Vader bij de paroesie van onze Heer Jezus met al zijn heiligen.

Maar hier, in 4:13 tm 5:5, wijst hij allereerst op Jezus’ eigen opstanding die hij hun had gepredikt en waarin zij ook zelf waren gaan geloven. Welnu, wanneer Jezus werd opgewekt zullen ook allen die in gemeenschap met hem zijn ontslapen, worden opgewekt.
Vervolgens neemt Paulus de vrees van sommigen weg die blijkbaar dachten dat ten tijde van Jezus’ paroesie alleen de levenden met hem verenigd zouden worden. Zijn reactie: Uitgesloten!
Weliswaar zal de laatste generatie van Christenen het grote voorrecht hebben om, net als Henoch, de [Adamitische] dood niet bewust te ervaren - aangezien zij in een oogwenk vanuit het huidige [fysieke] leven worden veranderd tot een geestelijke natuur - maar de leden van dat geslacht zullen de doden beslist niet vóórgaan.

Integendeel zelfs! De gestorven christenen zullen eerst opstaan; daarna, wanneer doden en levenden als het ware op één lijn staan, zullen allen tezamen in wolken [van onzichtbaarheid] worden weggerukt en de Heer in de lucht tegemoet gaan. Hieruit blijkt dat (omgekeerd) óók de doden niets vóór hebben op de levenden.
Vergelijk Gn 5:21-24 en 1Ko 15:51-54.

Bij de Opname zullen dus alle leden van Jezus’ Gemeentelichaam hem, de Heer, tegemoet gaan.
De hier gebruikte Griekse term εις απαντησιν wordt nog drie keer elders in het NT aangetroffen, t.w. Mt 25:1 en 6, en Hn 28:15-16. En steeds heeft het de betekenis van tegemoet gaan en met elkaar terugkeren.
Toen bijvoorbeeld de broeders uit Rome Paulus tot aan de marktplaats van Appius en de Drie Taveernen tegemoet waren gegaan, keerden zij vervolgens met hem naar Rome terug.
Precies zo zal bij de Opname de voltallige Christelijke Gemeente de Heer tegemoet gaan in de lucht om zich daarna voor altijd in zijn gezelschap te verheugen. Nooit meer zullen zij van hem gescheiden worden. Maar wel zullen zij - tegen het einde van de 70ste Jaarweek voor Israël - met hem naar de Aarde terugkeren, namelijk wanneer hij aan de wereld openbaar wordt gemaakt in zijn heerlijkheid. Maar zowel in Rm 8:19 als in Ks 3:4 is tevoren aangekondigd dat zij dan samen met hem openbaar gemaakt zullen worden in heerlijkheid.

In deze kwestie van de Opname moeten wij wel aan de man Henoch denken. Want over hem lezen we in Hb 11:5

In geloof werd Henoch overgebracht om [de] dood niet te zien, en hij werd nergens gevonden, omdat God hem overbracht. Want vóór de overbrenging heeft hij getuigenis ontvangen dat hij aan God welgevallig was.

Dus zonder de dood te hoeven smaken werd Henoch overgebracht. Waar naar toe?
In zijn situatie kennelijk naar het moment van zijn opstanding, de opstanding der rechtvaardigen, welke tevens een opstanding des levens is (Hn24:15Jh 5:29).
Wanneer Henoch tot (blijvend) leven op aarde terugkeert, zal hij dat ervaren alsof er geen onderbreking in zijn levensloop had plaatsgevonden.
Maar wat Henoch ervoer vormt in zekere zin tevens een heenwijzing naar wat Jezus’ Gemeentelichaam tijdens zijn paroesie zal ervaren, althans van die leden die tot in zijn paroesie in leven zijn gebleven. Die laatste generatie zal dan plotseling voor de mensen die op aarde achterblijven onvindbaar zijn.

In dat opzicht delen zij zeker de ervaring van Henoch. Toen God hem wegnam (M), of overbracht (LXX), werd hij nergens gevonden. Blijkbaar hebben de mensen in Henochs omgeving enige tijd naar hem gezocht.
Zonder de dood te zien - of die te 'smaken' - zullen ook de laatste leden van Jezus' Gemeentelichaam worden 'overgebracht'. In een ondeelbaar ogenblik. Vergelijkbaar met een knippering van het oog, zullen zij van het ene moment op het andere van natuur veranderd worden (1Ko 15:51-52).

Het kan vrijwel niet anders of die gebeurtenis zal een belangrijk leermoment worden voor de mensheid die dan op aarde achterblijft, in het bijzonder voor Israëls Rest. Waarom?
Tot op die tijd zal Israël – als volk – Jezus (voor hen Yeshua) namelijk als haar Messias versmaad hebben. Maar dan komen zij toch te weten dat de Christelijke gemeente wel degelijk aan God welgevallig was, juist omdat de leden ervan leefden vanuit geloof jegens hun Messias (Masjiach), en op die grondslag in rechtvaardigheid met God wandelden (Ks 1:9-10). 

Maar dat leermoment zal nog veel meer omvatten. Waarschijnlijk is dan die bijzondere 70ste Jaarweek uit de profetie van Daniël 9:24-27 al aangebroken, en mag bijgevolg ook de vervulling verwacht worden van alle onderdelen van Jezus’ Eindtijdprofetie, zoals die in de zogenaamde Olijfbergrede tot ons is gekomen. Alle details van die ‘rede vinden we in de hoofdstukken 24 en 25 van het Mattheüs’ Evangelie, en wel als antwoord op de vraag van zijn leerlingen: 

Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn en wat [is] het teken van je paroesie en van de voleinding der eeuw? (Mt 24:3).

Mt 24:15 kenmerkt het speciale gebeuren op de helft van de 70ste Jaarweek, namelijk wanneer de verwoestende gruwel in de (herbouwde) tempel te Jeruzalem zal verschijnen. Aangezien dan de onmacht van die antichristelijke ‘messias’ aan het licht zal komen - om als ‘verlosser’ op te treden - keert hij zich in al zijn demonische heftigheid tegen het godvruchtige, Joodse Overblijfsel. Hij zal zich dan namelijk heel goed realiseren dat zijn valse ‘spel’ uit zal zijn. Bijgevolg zal hij een ultieme stap doen: Hij installeert zich als de voorzegde verwoestende gruwel in het Allerheiligste van het dan bestaande tempelcomplex, waarschijnlijk de herbouwde Derde tempel.

Zie Dn 9:27 en de Studies:
•  Ruth en de Antichristmet name onder: Ik kan niet lossen
•  De laatste trompet   

De overgang naar Thesshdfst 5 is qua thematiek groot, maar bij nadere beschouwing logisch. Wanneer de Opname van de Gemeente plaats vindt kan men met zekerheid weten dat ook de paroesie van de Heer Jezus Messias een aanvang heeft genomen. Vanzelfsprekend komt dan de vraag op: Wanneer mogen we de paroesie verwachten?
Paulus haakt bij voorbaat in op die vraag, allereerst door ons te laten weten dat hij over die kwestie niet hoeft uit te weiden. Waarom niet? De paroesieperiode loopt namelijk parallel aan de Dag van de Heer en vanuit de Olijfbergrede kon het onder Jezus’ leerlingen bekend zijn dat de komst van die Dag, cq de paroesie, vooral gekenmerkt zou worden door het onverwachte karakter ervan. Dus schreef de apostel, zoals boven al aangegeven:
Wat nu de tijden en de tijdperken betreffen, broeders, hoeft men jullie niet te schrijven, want jullie zelf weten heel precies dat [de]dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Wanneer zij zeggen "Vrede en Veiligheid", dan zal hen onheil plotseling overvallen zoals het wee een zwangere en zij zullen beslist niet ontkomen.

Enerzijds zou dat cruciale tijdperk wereldwijd waarneembaar zijn, maar tegelijkertijd kon de paroesie ook vergeleken worden met:
a de dagen die aan de Vloed voorafgingen en iedereen deed of er niets aan de hand was; men ging gewoon door met de vertrouwde bezigheden, en
b de nachtelijke komst van een dief:

Want evenals de bliksem komt vanaf oostelijke streken en schijnt tot westelijke streken, zó zal de paroesie van de Mensenzoon zijn…  Want zoals de dagen van Noach, zó zal de paroesie van de Mensenzoon zijn. Want zoals zij in die dagen waren - gewoon doorgaan met alle gebruikelijke, dagelijkse bezigheden - totdat Noach binnenging in de ark en zij [het] niet merkten tot de Vloed kwam en allen wegvaagden, zó zal de paroesie van de Mensenzoon zijn
Maar weet dit: Indien de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief zou komen, hij wakker zou zijn gebleven en niet in zijn huis hebben laten inbreken. Daarom, tonen ook jullie je gereed, want op een uur dat jullie het niet zouden denken, komt de Mensenzoon (Mt 24:27, 37-39, 43-44).

Omdat die Dag voor de wereld zal komen als een dief in de nacht zullen de mensen van de wereld geen enkele aanwijzing in die richting onderscheiden. Integendeel, vanwege algemeen ongeloof in een eventueel ingrijpen door een goddelijke macht zullen zij nergens acht op slaan. Omdat zij elke bovenmenselijke actie als irreëel beschouwen, handelen zij zoals voor hen gebruikelijk is, ondanks de stormachtige opeenvolging van gebeurtenissen tijdens de Dag van de Heer cq de paroesie.

Voor hen tot wie Jezus zich destijds - op dinsdagmiddag 11 Nisan van 33 AD - in zijn Eindtijdrede richtte, en wel over de hoofden van zijn toenmalige Joodse leerlingen heen, tot hun tegenhangers van de Eindtijd, het Joodse Overblijfsel, houdt een en ander een gevaar in.
Waarom? En om welk gevaar gaat het precies?
Het volgende is aan de orde: Wanneer het overgrote deel der wereld de paroesie niet zal onderscheiden en de mensen bovendien nergens acht op zullen slaan - zoals ook met de Vloedgeneratie het geval was - welke garantie is er dan dat in de Eindtijd een Joodse minderheid wél wakker geschud zal worden? Naar welk bovennatuurlijk signaal zouden zij dan nog in het bijzonder kunnen uitzien?

Welnu, dat hemelse teken zal er wel degelijk komen. Zij kunnen dienaangaande een duidelijke aanwijzing verwachten, want Jezus was zich van die noodzaak ook volkomen bewust. Er zal namelijk bij de aanvang van zijn paroesie iets zeer spectaculairs geschieden. Daarom vervolgde hij - na gewezen te hebben op de overheersende sfeer van zijn paroesie - aldus, volgens de Griekse tekst:
Tοτε δυο εσονται εν τω αγρω, εις παραλαμβανεται και εις αφιεται∙ δυο αληθουσαι εν τω μυλωμια παραλαμβανεται και μια αφιεται.
Vertaald >>
Dan [bij de paroesie] zullen er twee in het veld zijn, één [man] zal meegenomen worden en één [man] achtergelaten. Twee zullen aan het malen zijn met de molen, één [vrouw] zal meegenomen worden, en één [vrouw] achtergelaten. 

De bewoordingen van deze aanwijzing herinneren ons krachtig aan wat Jezus twee dagen later, op donderdagavond 14 Nisan, tot zijn leerlingen in de bovenzaal zou zeggen betreffende de toekomstige Opname:

Laat jullie hart niet in beroering raken; jullie geloven in God, geloof ook in mij. In het huis van mijn Vader zijn veel verblijfplaatsen – zo niet dan zou ik het jullie gezegd hebben – want ik ga heen om plaats voor jullie te bereiden. En wanneer ik heenga en plaats voor jullie bereid, kom ik wederom en ik zal jullie meenemen naar mijzelfopdat waar ik ben ook jullie mogen zijn. 
 
In beide gevallen gebruikte Jezus voor meenemen het werkwoord παραλαμβανω, zoals ook het geval is in Mt 24 bij zijn Eindtijdrede op de Olijfberg.Bij zijn terugkeer, zijn paroesie, zouden zij bij hem hun intrek nemen, in het Huis van zijn vader. Zie : In het Huis van mijn Vader zijn vele woningen.

We stelden eerder vast dat in het commentaar op Henoch in Hebreeën 11 - het welbekende hoofdstuk over de geloofsgetuigen - de Opname van de Gemeente voor de achterblijvenden een belangrijk leermoment zal zijn. Nogmaals een stukje citaat: 

Dat zal een belangrijk leermoment zijn voor de mensheid die dan op aarde achterblijft, in het bijzonder voor Israëls Overblijfsel. Welke les in het bijzonder zullen de leden daarvan ter harte moeten nemen? Het beginsel dat de auteur onmiddellijk met Henoch verbindt, in het volgende versWant zonder geloof is het onmogelijk welgevallig te zijn, want hij die tot God nadert moet geloven dat hij is en dat hij beloner wordt van wie hem ernstig zoeken.
Israël als volk zal tot op die tijd Jezus als hun Messias versmaad hebben; maar dan komen zij te weten dat de christelijke gemeente wel degelijk aan God welgevallig was, juist omdat de leden ervan leefden vanuit geloof jegens Messias Yeshua (Jezus), en op die grondslag in rechtvaardigheid met God wandelden.

Maar terug naar de Gemeente die de Opname verwacht. Naar welk teken in het bijzonder kan de laatste generatie van 'levenden' die bij de paroesie de Opname verwachten uitzien?
De apostel heeft het hun bij voorbaat laten weten, en met hen uiteraard ook aan alle anderen die voor het goddelijk ingrijpen gevoelig zijn:
Wanneer zij zeggen "Vrede en Veiligheid", dan zal hen onheil plotseling overvallen zoals het wee een zwangere en zij zullen beslist niet ontkomen.

Vlak voor de Opname zal dus een betekenisvol signaal worden gegeven. Er zal zogenaamd sprake zijn van vrede en veiligheid!
Met opzet schrijven we zogenaamd! We kunnen immers gemakkelijk inzien dat er in de huidige wereld onmogelijk sprake kan zijn van werkelijke vrede en veiligheid (peace and security). Maar daarnaast ook dat de mensen in het algemeen zich maar al te graag door een dergelijke gedachte, of bewering, gerust zullen willen laten stellen, in plaats van er acht op te geven als een signaal van Godswege.

Toch zal een signaal van die inhoud gehoord worden.
Kijkend naar de wereldsituatie van thans, winter 2017-2018, zouden we kunnen denken aan een onverwachte kentering in de nucleaire dreiging tussen de Westerse wereld en Noord Korea. Maar de apostel lijkt in het bijzonder te doelen op een ontwikkeling van gebeurtenissen welke zich - eveneens binnenkort - binnen het Joods religieuze stelsel zal voordoen, en wel als een vervulling van Jeremia’s profetie:

De wijzen zijn beschaamd geworden, verschrikt; zij zullen gevangen worden. Ziet! Zij hebben YHWHs Woord verworpen, en wat voor wijsheid hebben zij dan? … Van de geringste tot zelfs de grootste maakt iedereen onrechtvaardige winst; van de profeet tot zelfs de priester handelt ieder bedrieglijk. En zij trachten de breuk van de dochter van mijn volk oppervlakkig te genezen door te zeggen: “Er is vrede! Er is vrede!”, terwijl er geen vrede is.
(Jr 8:9-11)

In plaats van vrede zal ongelovig Israël – kennelijk samen met de hele wereld der mensheid - veeleer door een plotseling onheil worden getroffen, waardoor te kennen wordt gegeven dat vrede en veiligheid een fictie zijn.

1.) Terwijl er voor de tijd van de Opname van de hemelse Gemeente in Eén Thessalonicenzen kennelijk een teken voor die gebeurtenis wordt gegeven in 5:3 (Vrede en Veiligheid), zou de apostel naderhand daaraan nog een tweede teken toevoegen in 1Ko 15:51-53 >> Alles zal namelijk plaats vinden bij de laatste trompet.
         Voor verder commentaar verwijzen we ook naar 2Ko 5:1-3
2.) De frase Wanneer zij zeggen "Vrede en Veiligheid" in vers 3 is vaag. Wie zijn de zij? De enige andere groep van godsdienstige mensen naar wie in deze Brief – buiten de leden van Jezus’ Gemeentelichaam uiteraard – wordt verwezen zijn de halsstarrige Joden van 2:14-16. Zie het commentaar bij die passage.
Wij sluiten echter niet uit dat met zij op een veel breder publiek kan worden gedoeld: Allen in de huidige wereld die vurig uitzien naar vredige en veilige toestanden. Gezien echter de toenemende radicalisering binnen bepaalde religieuze kringen en de agressieve levenshouding van velen in het algemeen, is er weinig reden voor optimisme dienaangaande. Vergelijk 2 Tim 3, waarin profetisch is vastgelegd hoe bij het aanbreken van de Eindtijd – de zogenoemde laatste dagen – dan de overheersende levenshouding onder het grote publiek zal zijn.
Het plotseling onheil zal slechts het begin zijn van onheilspellende ontwikkelingen die dan op gang zullen zijn gebracht. Ontwikkelingen die allerwaarschijnlijkst ook samenhangen met het eveneens al lang geleden aangekondigd verschijnen en optreden van de tirannieke Antichrist.
In hoofdstuk 8 van Jeremia werd ook die gebeurtenis door de Profeet door goddelijke ingeving ‘voorzien’. Daarbij komen tevens de drie belangrijke factoren in beeld die voor de ‘komst’ van die Pseudomessias kenmerkend zijn:
1.) Het onheil komt uit het Noorden
Ik zal van u wegdrijven die uit het Noorden en hem verjagen naar een dor en woest land, zijn voorhoede naar de oostelijke zee en zijn achterhoede naar de westelijke zee, en zijn stank zal opstijgen en zijn vuile lucht zal opstijgen, want hij heeft grote dingen gedaan (Joël 2:20)
2.) De stam Dan is profetisch steeds daarbij in beeld.
Vergelijk Jakobs sterfbedprofetie: Dan zal zijn volk richten als een der stammen Israels. Dan zal een slang op de weg zijn, een hoornslang op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterover valt (Gn 49:16-18).
3.) De antichristelijke macht is (letterlijk) demonisch

Er werd gehoopt op vrede, maar niets goeds; op een tijd van genezing, maar ziet! verschrikkingVanuit Dan is het snuiven van zijn paarden gehoord. Op het geluid van het hinniken van zijn hengsten is het gehele land gaan schudden. En ze komen en verteren het land en dat wat het vult, de stad en haar inwoners. Want ziet, ik zend onder u slangen, giftige slangen, die niet te bezweren zijn, en ze zullen u stellig bijten, spreekt YHWH.
(Jr 8:15-17)

Die Pseudomessias zal, volgens Daniel 9:27, op de helft van de 70ste Jaarweek voor Israël zijn masker afwerpen en de verwoestende gruweloprichten, daarmee het onheil aanzienlijk doen toenemend, zoals profetisch aangegeven in Ez 8:3 >>

Toen hief de geest mij op tussen de aarde en de hemel en in visioenen van God bracht hij mij naar Jeruzalem, naar de ingang van de poort van de binnenste voorhof die naar het noorden gekeerd is, waar zich de zetel van het afgodsbeeld van de na-ijver bevond, dat na-ijver oproept.

Zie ook: De 70ste Week
Dat plotseling onheil zal zich even onverwacht voordoen als gewoonlijk het eerste wee bij een zwangere vrouw. Vergelijk: Js 13:6-8 en Mc 4:9-10.

Met het beeld van weeën over een zwangere wordt in de Bijbel het plotselinge en onafwendbare voorgesteld; dikwijls in de vorm van onheil, c.q. rampspoed

Maar ook bij het gebruik van dat beeld steunt de apostel op Jezus' Eindtijdrede volgens de hoofdstukken 24 en 25 van het Mattheüs’ Evangelie. Toen Jezus' leerlingen namelijk de vraag gesteld hadden

Wat zal het teken zijn van je paroesie en de voleinding der eeuw? 

gaf hij hun - over hun hoofden heen sprekend tot hun tegenhangers van de Eindtijd, de Joden die dan precies zoals zij Jezus als hun Messias zullen belijden - daarop als eerste antwoord dat zij bovenal op hun hoede moesten zijn voor misleiders. Want velen zouden zich uitgeven voor de Messias, in de Eindtijd resulterend in de verschijning van de meest gevaarlijke van allen, de demonische Antichrist, hij die zich zal voordoen als de Messias waarop de Joden – vooral zij die Jezus hardnekkig verwerpen - al eeuwenlang wachten.

Wanneer die Pseudo-Messias eenmaal is opgestaan kan in diens kielzog de ene rampspoedige gebeurtenis na de andere verwacht worden: Natiën en koninkrijken die tegen elkaar zullen opstaan en oorlog zullen voeren; op uitgebreide schaal hongersnood; ook grote aardbevingsactiviteit. Maar al die gebeurtenissen zouden volgens Jezus slechts een begin van weeën der benauwdheid zijn (Mt 24:3-8). Kortom, precies dezelfde reeks van gebeurtenissen zoals Johannes later in beelden zou beschrijven in de Openbaring, hoofdstuk 6ten tijde dat de eerste vier zegels geopend zullen worden:

En ik zag toen het Lam één der zeven zegels opende, en ik hoorde één van de vier Levende wezens zeggen als met een geluid van donder: Kom! En ik zag en zie een wit paard en degene [de Pseudo-messias] die er op zit hebbend een boog, en hem werd een kroon gegeven; en hij trok er op uit, overwinnend en om te overwinnen.

En toen hij het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede Levende wezen zeggen: Kom! En een ander paard, vuurrood, trok uit. En aan degene die er op zit werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, zodat men elkaar zal afslachten; en hem werd een groot zwaard gegeven.

En toen hij het derde zegel opende, hoorde ik het derde Levende wezen zeggen: Kom! En ik zag, en zie een zwart paard en degene die er op zit hebbend een weegschaal in zijn hand. En ik hoorde als een stem te midden van de vier Levende wezens zeggen: een liter tarwe voor een denarius en drie liter gerst voor een denarius, en breng geen schade toe aan de olijfolie en de wijn.

En toen hij het vierde zegel opende, hoorde ik de stem van het vierde Levende wezen zeggen: Kom! En ik zag, en zie een lijkbleek paard, en degene die daarop zit [draagt] als naam Dood. En de Hades kwam achter hem aan. En hun werd macht gegeven op het vierde deel van de aarde, om te doden met zwaard en met honger en met dood en door de beesten der aarde.

Maar, en zeer interessant om in aanmerking te nemen:

• De christelijke Gemeente heeft dan reeds, voorafgaande aan al dat onheil, de Opname ervaren, aangezien de leden daarvan zich onder het zinnebeeld van de 24 Oudsten rondom de troon van God in de hemel bevinden.


• Volgens Openbaring 1:10 bevindt de wereld zich dan in de periode van De Dag van de Heer. Of, naar het Grieks: Ik [Johannes, een balling op het eiland Patmosgeraakte in geest in de Dag die de Heer toebehoort [εν τη κυριακη ημερα].

Het plotseling optredende onheil dat in vers 3 wordt aangekondigd, in samenhang met de roep Vrede en Zekerheid, zou ook heel goed een tegenbeeldige vervulling kunnen zijn van Handelingen 27:41.
Lukas – één van de 276 opvarenden van het schip, afkomstig uit het Egyptische Alexandrië, dat de apostel Paulus, samen met andere gevangenen, moest overbrengen naar Italië, verhaalt aldaar de stranding van dat schip en zijn totale onttakeling op de kust van het eiland Malta. Het hele verhaal daarover in hoofdstuk 27, met zijn vele wetenswaardige details over het verloop van die gedenkwaardige zeereis, wekt sterk het vermoeden dat het schip zelf een zinnebeeld vertegenwoordigt van de werelds georiënteerde Christenheid, de opkomst waarvan de apostel al vanaf Handelingen 20 had aangekondigd.

 Wanneer dat afvallige systeem volledig schipbreuk lijdt, maar tegelijkertijd de ware Christelijke gemeente door de Opname uit het zicht van deze oude, totaal verpauperde wereld verdwijnt, zal er – naar wij mogen aannemen - een enorm spiritueel vacuüm ontstaan. Voor de Antichristelijke macht uiteraard een 'uitstekende' gelegenheid om zich te ‘openbaren’ en dat spirituele vacuüm met zijn verschijning te vullen.
Vergelijk Twee Thess 2.

In het volgende en laatste hoofdstuk van Handelingen (28) vinden we blijkbaar nog meer aanwijzingen voor de hierboven geschetste benadering.
Lukas licht namelijk toe hoe Paulus – kennelijk daarbij de opgenomen Christelijke gemeente vertegenwoordigend - in staat blijkt te zijn om op grote schaal genezingen te verrichten, terwijl hij tegelijkertijd immuun blijkt te zijn voor demonen (de adder):

De bevolking betoonde zich jegens ons buitengewoon vriendelijk. Omdat het begon te regenen en het koud was, legden zij een groot vuur aan en lieten ons allen daaromheen plaatsnemen. Toen Paulus een hoop dor hout had bijeen geraapt en op het vuur wierp, kwam er tengevolge van de hitte een adder uit tevoorschijn, die zich in zijn hand vastbeet. Toen de eilandbewoners het beest aan zijn hand zagen hangen, zeiden ze tot elkaar: “Die man is vast en zeker een moordenaar, want zelfs na zijn redding uit de zee wil de Gerechtigheid hem niet in leven laten.” Maar hij schudde het beest in het vuur en ondervond geen nadelige gevolgen. Zij verwachtten dat hij zou opzwellen of plotseling dood neervallen. Toen ze echter na lang wachten zagen dat hem niets bijzonders overkwam, sloeg hun mening om en zeiden ze dat hij een god was. In de nabijheid van die plaats bezat de Voornaamste van het eiland, Publius geheten, een landgoed, waar hij ons opnam en gedurende drie dagen liefdevol gastvrijheid verleende. De vader van Publius lag juist met koorts en dysenterie te bed. Paulus ging naar hem toe, sprak een gebed, legde hem de handen op en genas hem. Toen dit gebeurd was, kwamen ook de overige zieken van het eiland en werden genezen [wellicht een voorafbeelding van de 'schapen' die profetisch in Mt 25 mensen uit de Heidenvolken aanduiden die tijdens de Grote Verdrukking de leden van het Joodse overblijfsel te hulp zullen schieten]. Zij bewezen ons dan ook veel eer en bij onze afvaart voorzagen ze ons van al het nodige. Na drie maanden voeren wij weer weg op een schip uit Alexandrië, dat op het eiland overwinterd had. Het droeg als schegbeeld “Zonen van Zeus” [nog een aanwijzing voor demonische activiteit temidden der zee van de mensheid, onder leiding van Satan; of Zeus, de ‘oppergod'].   

Aan het einde van het hoofdstuk komt het overblijfsel van de Joodse eindtijd kennelijk ook nog in beeld.
In Rome, het centrum van de wereld, heeft Paulus een ontmoeting met de Joodse gemeenschap. Zijn uiteindelijke bedoeling is om hen te overtuigen van de rechtvaardige aanspraken van Yeshua op het Messiasschap:

Nadat ze een dag met hem hadden afgesproken, kwamen zij in nog groter aantal bij hem in zijn verblijf bijeen. Van de vroege morgen tot de late avond getuigde hij in zijn uiteenzettingen van het Koninkrijk Gods en trachtte hij hen voor Jezus te winnen, uitgaande van de Wet van Mozes en de profeten. Sommigen lieten zich overtuigen, maar anderen bleven ongelovig [de meerderheid van de Joodse Eindtijdgemeenschap]. Zonder dat zij het met elkaar eens konden worden gingen zij uiteen, maar niet dan nadat Paulus nog dat ene woord gezegd had: “Terecht heeft de heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken: Ga tot dit volk en zeg: Met uw oren zult gij luisteren en toch niet verstaan, met uw ogen zult gij kijken en toch niet zien. Want verhard is het hart van dit volk [onveranderlijk afwijzend gedurende het gehele Messiaanse tijdperk]en hun ogen doen zij dicht uit vrees dat zij zouden zien met hun ogen, met hun oren zouden horen, met hun hart zouden begrijpen en terugkeren en ik hen gezond zou maken. Het zij daarom aan u bekend, dat aan de Heidenvolken deze redding van God is gezonden. Zij zullen er stellig naar luisteren”.

Zie ondermeer de Studie: Eutychus – Afval en Herstel
Alsook de twee audiobesprekingen van Handelingen 27 en 28 door W.JOuweneel:
         2.) Hn 27:27 – 28:31

-.-.-.-

Geen opmerkingen: