Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

zondag 12 oktober 2014

Een mogelijk verloop van de Zeventigste Jaarweek


  UpdateEen alternatieve benadering
                 Extra update


Zie allereerst de Studie De 70ste Week cruciaal om een idee te krijgen van de grote waarde die schuilt in de Jaarwekenprofetie die wordt aangetroffen in Daniël 9:24-27.
Hieronder wordt - overigens onder veel voorbehoud - een idee gegeven hoe het verloop van de laatste Week, de 70ste, van die belangwekkende profetie zou kunnen zijn. De complexiteit van de factoren waarmee bij een dergelijke beschouwing rekening moet worden gehouden is namelijk buitengewoon groot. Aangezien zeer waarschijnlijk geen mens zich destijds bewust was van de situering in de tijd van de eerste 7 plus 62 weken, zelfs niet toen zij actueel waren, achten wij het goed mogelijk dat ook het tijdstip van aanvang van de 70ste Week enige tijd niet gesignaleerd zal worden.

Het is dus heel goed mogelijk dat de wijze waarop de 70ste Week zal verlopen, zoals hierna geschetst, foutief zal blijken. Niettemin kan bestudering van de aangevoerde argumenten de welwillende lezer stof tot nadenken verschaffen en hem meer inzicht geven in de Bijbelse zaken die bij een dergelijke studie aan de orde zijn.

We doen ook de aanbeveling om kennis te nemen van de studie
waarin aan de hand van de Bijbelse chronologie wordt beredeneerd dat
1. De eerste mens werd geschapen in het jaar 4007/4006 vóór onze huidige tijdrekening (of voor Chr.).
2. De AM-jaren lopen van herfst tot herfst, aangezien Adam blijkbaar in het (ons) najaar werd geschapen.
3. De val van de stad Jeruzalem met zijn eerste tempel plaats vond in 587/586 v. Chr.; dus in 3420 AM.
4. Het jaar 6023 AM overeenkomt met 2017/2018 AD;
    6026 AM met 2020/2021 AD, en
    6030 AM met 2024/2025 AD.

Dat 2017/2018 AD het eerste jaar van de 70ste Jaarweek moet zijn, dus overeenkomend met 6023 AM, kan ook afgeleid worden uit Genesis 38. In dat hoofdstuk worden namelijk de wederwaardigheden van de stam Juda verhaald - het Joodse volk derhalve – maar dan wel in voorafbeeldingen zoals die zich sinds de dood van hun ware Messias in 33 AD (4038 AM) in tegenbeeldige werkelijkheden hebben ontvouwd. Vers 6 van dat hoofdstuk - En Juda nam voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw, genaamd Tamar. -heeft namelijk de GW (getalswaarde) 1985. Opgeteld bij 32/33 AD (4038 AM) brengt ons dat naar het jaar 2017/2018 AD (6023 AM).
Zoals vaak het geval is met de hoofdstukken waarin het boek Genesis verdeeld is, kan ook hoofdstuk 38 geassocieerd worden met het spaaknummer waartoe boek 38 behoort. In dit geval Spaak 16, die wordt gevormd door Nehemia (16) Zacharia (38) en Eén Petrus (60).
Bovendien kan het zeker geen toeval zijn dat we, aan de hand van Nehemia 2, kunnen vaststellen vanaf welk tijdstip in de geschiedenis de 70 Jaarweken geteld moesten worden.

En dat voorts 2018/2019 AD dus het tweede jaar van de 70ste Jaarweek is, overeenkomend met 6024 AM, krijgen wij eveneens bevestigd in de geschiedenis van Jozef en zijn broers, maar dan vanuit Genesis 45.
In Gn 45:6 vernemen we immers dat Jozef zijn broers erover inlicht dat zij zich al in het tweede jaar van de voorzegde zevenjarige hongersnood bevinden en dat er nog vijf zullen volgen. Maar in dat zelfde hoofdstuk ontdekken we dat vers 27ook zich afspelend in dat tweede jaar, de GW 6024 heeft.
In de tegenbeeldige toepassing vallen de 7 jaren van grote voorspoed namelijk samen met 7 jaren van hongersnood die zich destijds in Egypte voordeden.
Vergelijk Js 65:13-14.
  
Toen Johannes op Patmos in zijn visioenen in de tijd vooruit werd geplaatst geraakte [hij] in geest in de Dag die de Heer toebehoort.
In ons commentaar op Op 1:9-11 suggereren wij dat die Dag allereerst de 70ste Week zal omvatten. Weliswaar wordt dan de draad, wat Gods uitverkoren volk Israël betreft, weer opgepakt, maar Johannes zelf gaf niet te kennen dat hij ‘in geest’ naar het begin van die Week werd verplaatst. Eerder suggereerde hij dat hij ergens in die Week geraakte, in een Week die dus al aan de gang was.

Gesuggereerd Begin2 maart 2018 ≈ 15 Adar 6023 AM, op het Feest van Purim.

Purim (Hebreeuws: פּוּרִים, "loten", van het woord Pur) is een Joodse feestdag waarop men de bevrijding van het Joodse volk herdenkt van een zekere ondergang welke beraamd was door Haman. Het verslag daarvan is vastgelegd in Megillat Esther.
Bij het aanbreken van die Laatste ‘Week’ kan de valse Messias die dan (mogelijk) verschijnt, als een tegenbeeldige Haman, er dus zeker van zijn dat zijn ‘lot’ bijvoorbaat bezegeld is en dat Gods volk zal triomferen.


Opmerking 1
In het Bijbelwiel maakt het Boek Esther deel uit van Spaak 17 >>
פ  (Boek 17) Esther – (Boek 39)  Maleachi – (Boek 61)  2 Petrus
De 17e letter van het Hebreeuwse alfabet (פ, Pee) is in het Boek Esther prominent aanwezig in het woord Pur, meervoud Purim.
Maar zoals we hierboven al aangaven verplaatst de figuur Haman - in zijn tegenbeeld als de demonische Antichrist - ons naar de 70steJaarweek, waarvan het begin (mogelijk) samenvalt met Jezus’ Paroesie (Grieks: παρουσια), zijn tegenwoordigheid, een term die eveneens aanvangt met de letter Pee.
Met betrekking tot de Hebreeuwse Pee is het namelijk opvallend dat die letter bij uitstek linguïstische grenzen gemakkelijk overschrijdt.
Welnu, in Twee Petrus maakt de apostel met nadruk melding van Jezus’ paroesie wanneer hij zijn (Joodse) lezers attendeert op de bijzondere ervaring die hijzelf, tezamen met de twee andere prominente apostelen, Johannes en diens broer Jakobus, had tijdens het Transfiguratievisioen

Want niet door vernuftig verzonnen fabels na te volgen maakten wij jullie de kracht en paroesie van onze Heer Jezus Messias bekend, maar doordat wij ooggetuigen van diens grootsheid werden. Want hij ontving van God [de] Vader eer en heerlijkheid, toen van de Verheven Heerlijkheid een zodanig stemgeluid tot hem werd overgebracht: ‘Deze is mijn Zoon, de Geliefde, in wie ik welbehagen vond’; en wij hebben dit stemgeluid uit de hemel overgebracht horen worden, toen wij met hem op de heilige berg waren.  

Zoals gewoonlijk zijn er met elke ‘spaak’ in het Bijbelwiel betekenisvolle hoofdstukken verbonden in andere Bijbelboeken die hetzelfde nummer hebben; in dit geval dus 17.
Onder het kopje Inner Cycles van Spaak 17 wordt de lezer dan ook onder meer geattendeerd op Mattheüs 17, het hoofdstuk waarin de Evangelist het Transfiguratievisioen optekende. Volgens Petrus werd daarmee dus een impressie gegeven van de Paroesie. Zie Mt 17:1-9.

In het Transfiguratievisoen zoals het werd verhaald door de Evangelist Lukas lezen we in Lk 9:29-31 het volgende:

En terwijl hij bad, werd het uiterlijk van zijn gelaat anders en zijn kleding wit uitstralend. En zie, twee mannen waren met hem in gesprek; het waren Mozes en Elia, die, verschenen zijnde in heerlijkheid, zijn heengaan [in de dood] bespraken welke hij op het punt stond in Jeruzalem te vervullen.  

Mozes’ en ‘Elia’ verschenen in het visioen dus in heerlijkheid, precies zoals Jezus zelf. Zij waren bijgevolg niet werkelijk in persoon aanwezig, wat uiteraard ook niet mogelijk was, aangezien beide mannen nog altijd rusten in de dood, in Sjeool, het graf.
Kennelijk vertegenwoordigen zij in het visioen datgene wat tevoren zowel in de Geschriften van Mozes, in het bijzonder de Pentateuch, als in de Boeken van de Profeten, over Jezus’ rol als de Lijdende Knecht van Jahweh wordt onthuld.
In Bijbelboek 39, Maleachi, het tweede Boek van Spaak 17 in het Bijbelwiel zijn beide figuren opvallend aanwezig in het slotgedeelte, hoofdstuk 4, de vv 4 tm 6 (nbg) >>

Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor heel Israël, inzettingen en verordeningen. Ziet! Ik zend jullie de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag van Jahweh komt. Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot dat der zonen, en het hart der zonen tot dat van hun vaders, opdat Ik niet kom en het land met de ban sla.

Dat verklaart hun optreden als de Twee Getuigen in de vervulling van het tafereel in de 70ste Week, wanneer ook de paroesie van de Messias aanbreekt. In Op 11:3-6 wordt het volgende over hun optreden in de Eindtijd aangekondigd: 

En ik zal aan mijn Twee Getuigen [opdracht] geven en zij zullen, gehuld in zakkleding, 1260 dagen profeteren. Dezen zijn de twee Olijfbomen en de twee Kandelaars die staan vóór de Heer van de gehele aarde. En indien iemand hen kwaad wil berokkenen, komt er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden; ja, indien iemand hen kwaad wil berokkenen, moet hij aldus gedood worden. Dezen hebben de bevoegdheid de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt in de dagen van hun profetie; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen.

Opmerking 2
Dat de 70ste Jaarweek vooral gezien moet worden in het licht van de gebeurtenissen die in het Boek Esther worden verhaald, blijkt eveneens uit Es 10:2, waar we volgens de nbg lezen:

Al zijn geweldige en machtige daden [van Xerxes, in het verslag Ahasveros genoemd] en een nauwkeurig bericht over de grootheid, waartoe de koning Mordekai verheven had, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Medië en Perzië?

De GW (getalswaarde) van dit vers bedraagt 5872, dezelfde waarde als die van Dn 9:27, waarin de 70ste Week beschreven wordt.

Met betrekking tot Jezus’ paroesie komt ook het 17e hoofdstuk van Lukas in beeld, aangezien in Lk 17:22-37 belangrijke uitspraken van Jezus worden aangetroffen met betrekking tot zijn paroesie, gedeelten die nagenoeg parallel zijn aan het bekende hoofdstuk Mattheüs 24 dat geheel in het teken staat van Jezus’ paroesie, namelijk zijn uitgebreid antwoord op de vraag van zijn leerlingen: Wat zal het teken zijn van je paroesie en de voleinding der eeuw (Mt 24:3). Alleen is bij Lukas de term paroesie vervangen door de zinsnede de dagen van de Mensenzoon.


Zie eventueel ook:  Wanneer werd Adam geschapen en begon de Anno Mundi tijdrekening?  teneinde vertrouwd te raken met die AM-tijdrekeningen waarom de laatste Jaarweek moet vallen in de periode 6023 – 6030 AM.
In die studie, onder Jakob bij de Jabbok, wordt de lezer geattendeerd op de consequenties van het jaar 2266 AM als een nieuw vertrekpunt voor het tellen der jaren van Israëls geschiedenis.

Opmerking 3
Hierboven is rekening gehouden met de mogelijkheid dat bij het aanbreken van de 70ste Jaarweek ook Jezus’ paroesie begint. Voor christenen is dat aanleiding om aan de Opname te denken, vooral aan de profetische beschrijving ervan in 1Th 4:13-18. In dat Schriftdeel lijkt immers gesuggereerd te worden dat die Opname (vrijwel) onmiddellijk zal plaats vinden bij de aanvang van Jezus’ Tegenwoordigheid (Grieks: parousia):

Want dit zeggen wij jullie op gezag van een woord van de Heer: Wij, de levenden die overblijven tot in de paroesie van de Heer, zullen de ontslapenen beslist niet voorgaan.
Want de Heer zelf zal met een bevelend roepen, met een stem van [de] aartsengel en met een trompet Gods neerdalen vanaf [de] hemel en de doden in Messias zullen eerst opstaan. Daarop zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht. En zo zullen we altijd met [de] Heer zijn.

Uiteraard moet ook in deze zaak afgewacht worden wat de toekomst ons brengen zal, maar het is zeker belangwekkend om te ontdekken dat het Boek Esther ons ook in deze kwestie een hint verschaft.
We verwijzen naar het gedeelte in het Esterverhaal dat wordt aangegeven met het onderkopje: Aandeel christelijke Gemeente. De vermelding van Hegai en Hathach, dienaren die Esther ten dienste stonden in haar verhouding tot de koning is in ieder geval heel bijzonder te noemen.
Wat wij in ieder geval wél met zekerheid weten is het feit dat de voorlaatste Week, de 69ste dus, eindigde op Zondag 9 Nisan van het jaar 33 AD (4038 AM) en dat Jezus op de volgende dag, dus Maandag 10 Nisan, de tempel reinigde. In de studie De laatste trompet wordt onder het kopje 10 Nisantoegelicht dat om die reden de tiende Nisan wel heel speciaal is gebleken. Citaat:

Bij de Opname van de Gemeente zal iets plaats vinden wat van de zelfde orde is. Wanneer immers de laatste generatie van christenen in wolken is weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht - overigens samen met alle vroegere, opgewekte leden van Jezus’ Lichaam - zal de Heer op die wijze eveneens een grondige scheiding veroorzaakt hebben: Al wat op aarde aan ‘Christendom’ achterblijft blijkt dan van het onwaarachtige soort te zijn, en zij die het aanhingen worden ontmaskerd als zijnde ‘namaakchristenen’. 

Of wij hieraan de conclusie mogen verbinden dat de Opname op 10 Nisan zal plaats vinden, zullen wij uiteraard moeten afwachten.

=================================================

Gesuggereerde Helft13 augustus 2021 ≈ Elul 6026 AM.

Rond die datum mag wellicht verwacht worden dat het voortdurend offer in de – te herbouwen - Derde tempel zal worden weggenomen en dat in de plaats daarvan de verwoestende gruwel zich in dat ‘heiligdom’ als ‘god’ zal manifesteren, zodat men ‘god’ rechtstreeks kan vereren (Mt 24:15Op 13:11-13).

In Ez 8:1 lijkt die verwachting bevestigd te worden, want op de vijfde van de zesde maand [5 Elul] werd Ezechiël door de geest, in gezichten Gods, overgebracht naar Jeruzalem, waarin hij de verontreiniging van Gods Heiligdom te zien kreeg, te beginnen met het afschuwelijke afgodsbeeld bij de ingang van de binnenste Noordelijke poort.

Vanaf die gesuggereerde helft beginnen de 1335 dagen te tellen, maar komt er ook een einde aan de Zeven Tijden van (7 x 600) 4200 jaar die in 1826 AM - bij de Spraakverwarring - waren begonnen. 

En eventueel de meer uitvoerige Engelse studie:

Het Messiaanse Koninkrijk wordt opgericht, wat aanleiding is:

voor de prediking van dit opgerichte koninkrijk, zoals door Jezus zelf aangegeven in zijn eindtijdrede (Mt 24:14)

* voor oorlogvoering in de hemel, als resultaat waarvan Satan en zijn engelen worden neergeslingerd op de aarde. 

Het aardse deel van de ‘Vrouw’ vlucht naar de wildernis waar zij, buiten het gezicht van de Slang, 1260 dagen wordt gevoed, de volle tweede helft van de Week (Op 12:5-14 en 13:5-7).

Op de Helft van de Week wordt echter niet alleen het Koninkrijk opgericht maar wordt met Israël ook het Huwelijksverbond vernieuwd. In Hl 6:3wordt die vernieuwing schitterend verwoord:

Ik ben van mijn beminde, en mijn beminde is van mij. Hij weidt tussen de lelies.

Maar het opmerkelijke in dit vers is tevens dat daarin wordt bevestigd dat de vernieuwing van dat Verbond inderdaad in de maand Elul zal plaats vinden. Elul verschijnt in dat vers namelijk in de vorm van een acrostichon. In die tekst verschijnen de vier letters op de Hebreeuwse wijze van rechts naar links, t.w. אלול  in het zinsdeel Ik ben van mijn beminde, en mijn beminde is van mij.  

Elul zouden we om die reden kunnen aanduiden als de referentiemaand van de Bruid, een tijd van intimiteit die in Hl 6:3 wordt ingezet door de Bruid, in tegenstelling tot Hl 2:16, waar de intimiteit eerder een initiatief is van de Bruidegom, blijkens de context Hl 2:10-14.
De maand Elul is om die reden een tijd van een speciale band tussen de goddelijke Bruidegom en Zijn bruid Israël.

YHWH Elohim hernieuwt zijn verhouding tot het volk op grond van de superieure condities van het Nieuwe Verbond. Hun dwaling en zonde laat hij achter zich; die gedenkt hij niet langer. Integendeel, hij begunstigt hen met ongekende nieuwe gelegenheden (Jr 31:31-34).

en
=================================================

Gesuggereerd Einde24 januari 2025 ≈ 24 Tebeth 6030 AM.

De 3½-jarige Grote Verdrukking komt ten einde (Dn 7:2512:7Op 12:1413:5-7).
De Grote Schare van Op 7:9-17 welke uit die Grote Verdrukking komt, wordt gezien, dienend in Gods tempelheiligdom (de vv 13 tm 15).
Maar die dienst kan ongetwijfeld pas realiteit worden wanneer eerst de 75 dagen zijn verstreken van Dn 12:11-12 en dus de 1335 dagen worden bereikt op 10 Nisan van 6030 AM (April 2025), 4 dagen voordat op 14 Nisan Pesach wordt gevierd. 

Zoals de datum van
het Begin (Purim – 15 Adar), en van
de Weekhelft (corresponderend met Ez 8:1 – 5 Elul), is ook
het Einde van de 70ste Week verbonden met een specifieke datum, t.w. 24 Tebeth.
In Zc 1:7 was die datum al vermeld en werd ook aldaar verbonden met het Oordeel dat na afloop van de Week moet volgen:

Op de vierentwintigste dag van de elfde maand – dat is de maand Sjebat – in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van JHWH tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet.

Opmerking: Bepaald moeilijk te duiden is de passage in het Boek Daniël, hoofdstuk 8, de vv 9 tm 14, in het bijzonder de vraag hoe precies in de tijd de periode van de 2300 avonden en morgens moet worden afgebakend. 
De Kleine Horen met een Hellenistische achtergrond – in vers 23 beschreven als de koning hard van aangezicht en bedreven in listen – ontneemt voor genoemde periode aan de Allerhoogste God de thamid, het gedurig [brandoffer]. Dat zal geschieden in het laatst van hun koningschap, als de boosdoeners de maat hebben volgemaakt.
De nbg-versie van bedoelde vv luidt:

En uit een daarvan kwam weer een horen voort, die klein begon, maar die zeer groot werd tegen het zuiden, tegen het oosten en tegen het Sieraad, Ja, zijn grootheid reikte tot aan het heer des hemels, en hij deed er van het heer, namelijk van de sterren, ter aarde vallen, en vertrapte ze. Zelfs tegen de vorst van het heer maakte hij zich
groot, en Hem werd het dagelijks offer ontnomen en zijn heilige woning werd neergeworpen. En een eredienst werd in overtreding ingesteld
tegenover het dagelijks offer; en hij wierp de waarheid ter aarde, en wat hij ook deed, gelukte hem. Toen hoorde ik een heilige spreken, en een andere heilige zeide tot degene die gesproken had: Hoelang zal dit gezicht gelden; het dagelijks offer en de ontzettende overtreding, het prijsgeven van het heiligdom en het vertrappen van het heer? En hij zei tot mij: Tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden.

De letterlijke weergave van vers 14 luidt volgens Young
And he saith unto me, Till evening — morning two thousand and three hundred, then is the holy place declared right.

Hierboven, onder Gesuggereerd Einde, hebben we aangegeven dat de dienst in Gods (ware) heiligdom pas volledig hervat kan worden wanneer eerst de 75 dagen verstreken zullen zijn van Dn 12:11-12 Het slot van de daar genoemde 1335 dagen moet eerst worden bereikt, en het lijkt ons niet onaannemelijk dat op die datum ook de cyclus van de 2300 avond — morgen periode tot een einde moet komen, waarmee waarschijnlijk 1150 etmalen worden bedoeld.

Of die aanname juist is, cq verantwoord, zal de toekomst moeten uitwijzen. Een belangrijke vraag is immers aan wat voor soort thamid(gedurig offer) dan gedacht moet worden. Wordt bijvoorbeeld elke wijze van tot Jahweh God gerichte lofprijzing verboden, met name bij de joodse eindtijdgemeenschap? Van een dergelijk ‘gedurig offer’ maakt de Psalmist melding in Ps 34:1(2)  >  Ik wil YHWH te allen tijde prijzen, bestendig zij zijn lof in mijn mond.

HaThamid, met het lidwoord zoals het in Dn 8 voorkomt, heeft GW 459.
Ps 119:171 – (GW 2-459) – luidt: Mogen mijn lippen overvloeien van lof, want gij leert mij uw inzettingen.

Gods Woord laat ons zien dat tijdens de 75 dagen die moeten volgen op het einde van de Week - vanaf 24 Tebeth tot op 10 Nisan 6030 AM - nog een aantal zeer gewichtige gebeurtenissen plaats zullen vinden. Allereerst denken we dan aan datgene wat er – in de vorm van oordeel - volgens Jezus zou volgen, onmiddellijk ná het einde van de 3½-jarige Grote Verdrukking:

Onmiddellijk na de verdrukking van die dagen zal de zon worden verduisterd, en de maan zal haar licht niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen worden geschokt. En dan zal het teken van de Mensenzoon in de hemel verschijnen en dan zullen alle stammen der aarde zich [in weeklacht op de borst] slaan en zij zullen de Mensenzoon zien, komende op de wolken des hemels, met kracht en veel heerlijkheid.
(Mt 24:29-30) 

In Openbaring 6 - waarin Mattheüs 24 wordt gevolgd wat betreft de opsomming door Jezus van de tekenen die kenmerkend zouden zijn voor de paroesie - worden bij het openen van het Zesde Zegel die zelfde gebeurtenissen, maar dan vooral steunend op bekende Oudtestamentische voorstellingen, bij voorbaat aan ons getoond:

En ik zag toen hij het zesde zegel opende, en een grote aardbeving geschiedde, en de zon werd zwart als een haren rouwzak, en de gehele maan werd als bloed, en de sterren des hemels vielen naar de aarde, zoals een vijgenboom, geschud door een krachtige wind, haar onrijpe vijgen afwerpt; en de hemel week terug als een boekrol die wordt opgerold; en elke berg en [elk] eiland werden van hun plaatsen verwijderd.
En de koningen der aarde en de hoogwaardigheidsbekleders en de oversten over duizend en de rijken en de sterken en elke slaaf en vrije verborgen zich in de spelonken en rotsen der bergen. En zij zeggen tot de bergen en de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van hem die op de troon zit en voor de gramschap van het Lam; want de Grote Dag van hun gramschap kwam en wie kan standhouden? 

De taferelen – die het onheilspellende gebeuren van de Grote Dag van Gods gramschap (alsook die van het Lam) tekenen – blijken Gods reactie te zijn op de verdrukkingen die door de vijanden van Israëls Overblijfsel over dat herstelde volk van God zullen worden gebracht.  Ezechiël, met name de hoofdstukken 38 en 39, is daarin heel duidelijk. Want daar vernemen we profetisch de ondergang van Gog – ook afgebeeld door Haman in het Estherverhaal – de sinistere, antichristelijke figuur die Satans bendes zal aanvoeren in de aanval op het herstelde Israël van de Eindtijd.
Het kan bijgevolg niet toevallig zijn dat de getalswaarde van Esther 9:15, waarin de overwinning op de toenmalige vijanden der Joden te Susan beschreven wordt, 6030 bedraagt: 

En de Joden die in Susan waren verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en zij doodden in Susan driehonderd man; maar aan het roofgoed sloegen zij de hand niet.

Zie:  De commentaren op Op 6:12-17 en Ezechiël 38 en 39 .

De Profetie die Zacharia op 24 Tebeth ontving (1:7) werd hem gegeven in de vorm van een visioen des nachts. Vers 8 luidt:

En zie, een man die op een rood paard reed en hij stond tussen de mirten in de diepte, en achter hem waren rode-, voskleurige- en witte paarden. 

De man die het rode paard berijdt, die zich tussen de mirten in de diepte bevond, blijkt volgens vers 11 de engel van YHWH te zijn, de Heer Jezus zelf derhalve. De rode kleur van zijn paard herinnert ons aan oordeel en bloedvergieten.
In Op 6:3-4 zien we de antichristelijke macht van de Eindtijd uitrijden op een vuurrood paard. Het gevolg? De vrede werd van de aarde weggenomen zodat men elkaar zal afslachten; en hem werd een groot zwaard gegeven.
Vergelijk ook Js 63:2-4.

De mirten in de diepte is zinnebeeldig voor Israël in haar staat van vernedering. Dat hij stond en de wereldsituatie grondig observeerde alvorens tot de voltrekking van het oordeel over te gaan, herinnert aan Hk 3:6 > Hij stond stil en mat de aarde; hij zag rond en deed de volken vervolgens opspringen.

De rode paarden achter hem spreken eveneens van oordeel en het vergieten van bloed, maar aangezien er ook voskleurige paarden gezien worden, zal het oordeel wel getemperd worden door het betonen van barmhartigheid jegens degenen die daarvoor in aanmerking komen. De overwinning is echter verzekerd (de witte paarden).
In Hk 3:2 smeekt de profeet of YHWH te midden van de beroering er aan mag denken om van barmhartigheid blijk te geven:

YHWH, ik heb het bericht omtrent u gehoord, ik ben ontzet , o YHWH. 
Roep uw werk in het midden der jaren tot leven, en laat het bekend worden in het midden der jaren. Gedenk in de gramschap barmhartigheid.  

De tweemaal herhaalde frase in het midden der jaren kan betrekking hebben op 6030 AM, wanneer de overgang naar de Millenniumsabbat aanstaande is.
De GW 5-153 van dit vers verwijst naar de [hemelse] zonen Gods [benee ha-elohim]. In Op 19:11-16 ziet Johannes hen als de hemelse legers, gezeten op witte paarden, Gods Zoon vergezellen om Gods gramschap te doen neerdalen op de Heidenvolken:

De legers in de hemel volgden hem op witte paarden, gekleed zijnde in wit, rein fijn linnen. En uit zijn mond komt een scherp zwaard te voorschijn, opdat hij daarmee de Heidenvolken zou slaan, en hijzelf zal hen weiden met een ijzeren staf. Oók treedt hijzelf de wijnpers van de toorn der gramschap van God de Almachtige.

In Hk 3:8 wordt een soortgelijk beeld opgeroepen wanneer de profeet zich tot God richt met de vraag:

Is tegen de rivieren, o YHWH, is tegen de rivieren uw toorn ontbrand, of is uw gramschap tegen de zee, dat gij rijdt op uw paarden, op uw wagens van redding?

Wanneer men zich verdiept in zulke profetische verslagen zal men niet vlug verbaasd zijn te vernemen dat de Grote Dag van de goddelijke gramschap de afsluitende periode van 75 dagen zal omvatten. 
Zie bijvoorbeeld ook Op 19:11-21

Maar ná het verstrijken van die extra 75 dagen waarin Gods gramschap wordt uitgestort, waaronder ook de ondergang van Gog van Magog volgens Ezechiël 38-39, worden wij in Ez 40-48 ook bij voorbaat meegenomen naar 6030 AM. In zijn visioenen kreeg de profeet het nieuwe Tempelheiligdom te zien, gereed om te gaan functioneren in Gods plan van redding. 
Wat een geluk voor het Overblijfsel om - verkerend in gezelschap van de rechtvaardige ‘schapen’ van Mattheus 25 – die Dag te mogen ervaren en alle glorierijke dingen die aansluitend daarop zullen volgen! Zie: Dn 12:12 en Js 27:13

Opmerking:  Op 10 Nisan 6030 AM eindigen uiteraard de 2595 dagen die verlopen vanaf het begin van de 70ste Jaarweek. Bijgevolg zou men kunnen verwachten dat dit getal eveneens ergens in de hoofdstukken 40 tm 48 van Ezechiël verschijnt. En dat blijkt inderdaad het geval te zijn; Ez 44:20 heeft namelijk als GW 2595. 

Bovendien komt dat vers - Ook zullen zij hun hoofdhaar niet scheren noch het hoofdhaar vrij laten groeien, maar zij zullen hun hoofdhaar knippen – voor in de passage waarin de toewijzingen van de hemelse priesterschap worden beschreven, t.w. het gedeelte vanaf vers 15, waar sprake is van de Levitische priesters, de zonen van Zadok, een klasse evenwel die in de Openbaring verschijnt als de 24 Oudsten rondom Gods troon (Op 4:4).

De GW 2595 treffen we overigens ook aan in Lv 9:5, waar de installatie van de Levitische priesterschap onder Mozes’ leiding wordt verhaald. Zoals hierboven al werd besproken zal er na afloop van de 2595 dagen verheuging zijn, onder meer doordat de tegenbeeldige koninklijke priesterschap dan gereed zal zijn voor het verrichten van haar Millenniumtoewijzing.

In de maand Nisan van het jaar 2554 AM stak Israël de rivier Jordaan over, waarna het volk het Beloofde land kon binnen gaan: Het volk kwam op uit de Jordaan op de tiende der eerste maand en legerde zich te Gilgal, aan de Oostgrens van Jericho (Jz 4:19).
Precies 3476 jaar verder, dus in 6030 AM, verwachten we de gelukkige blijdschap van hen die volhardend de 1335 dagen volmaken (Dn 12:12). 
Het kan dus weer geen toeval zijn dat Jozua 7:1, waarin een voorval wordt verhaald dat zich in dat zelfde jaar (2554 AM) voordeed, de GW 3476 heeft!


Hierboven verwezen we naar Daniël 12 en naar het geluk van de Joodse eindtijdgelovigen die getrouw volharden tot en met de 1335 dagen.
We recapituleren de laatste drie verzen van Daniël 12 >>

En vanaf de tijd dat het voortdurende [offer] verwijderd is en de verwoestende gruwel is opgericht, zullen er 1290 dagen zijn. Gelukkig hij die blijft verwachten en die de 1335 dagen bereikt! Maar jij moet doorgaan tot het einde. Je zult rusten en opstaan tot je bestemming aan het einde der dagen.

Twee zaken komen hier onder onze aandacht: Allereerst de hoopvolle perspectieven voor Daniël persoonlijk. Hij zou zijn loopbaan als Gods profeet geheel voltooien in getrouwheid. Vervolgens zou hij rusten in de dood tot de tijd dat voor hem de opstanding zou aanbreken. Maar ook daarna zou YHWH Elohim hem opnieuw gebruiken, en wel in een voor hem al bij voorbaat gereserveerde bestemming!
Uiteraard geldt die goddelijke belofte niet slechts voor Daniël, maar natuurlijk ook voor de vele andere getrouwe mannen en vrouwen uit vroegere tijden, precies zoals ons ook in Hb 11:390-40 wordt verzekerd:
En deze allen, hoewel zij door het geloof getuigenis ontvingen, verkregen de belofte niet, daar God voor ons iets beters voorzag, opdat zij niet zonder ons tot volmaaktheid zouden worden gebracht.
En in de tweede plaats wordt ons, de huidige lezers van deze slotverzen in het Boek Daniël, onthuld dat het einde van de vermelde profetische 2595 dagen precies ook dán bereikt worden. Dus ten tijde van de opstanding van die vroegere getrouwen! Maar die verwachting kan men logischerwijs slechts in verband brengen met de perspectieven die de Bijbel oproept in samenhang met het herstelde Davidische koninkrijk van duizend jaar!
Vergelijk Openbaring 20:11-15.

Anders gezegd: De 2595 dagen bereiken blijkbaar hun einde bij de overgang naar het Millennium. Logischerwijs dus op de kalenderdatum 1 Tisjri 6031 AM. Vervolgens moeten we dan ook vanaf precies die datum 2595 dagen terugtellen om de begindatum van de 70ste Jaarweek vast te stellen.
Het resultaat is verrassend: Men komt dan uit op 16 augustus 2018, wat volgens de Joodse kalender dan juist de datum Elul 6023 AM is.

Hierboven, bij de gesuggereerde Weekhelft, weidden we al uit over de betekenis van die datum - Elul – en wel aan de hand van Ezechiël 8. Daaruit begrepen we dat die datum van grote betekenis is. Waarom? Omdat het profetisch aangeeft door welke afschuwelijke situaties de 70ste Week gekenmerkt zal worden, zoals onder meer duidelijk wordt uit de vv 3 en 5 >>

Toen hief de geest mij op tussen de aarde en de hemel en in visioenen van God bracht hij mij naar Jeruzalem, naar de ingang van de poort van de binnenste voorhof die naar het noorden gekeerd is, waar zich de zetel van het afgodsbeeld van de na-ijver bevond, dat na-ijver oproept… Hij zei tot mij: Mensenzoon, richt je blik naar het noorden! Toen richtte ik mijn blik naar het noorden, en zie, ten noorden van de poort bij het altaar stond aan de ingang dat afgodsbeeld, het voorwerp van na-ijver.

Wat Ezechiël in dit visioen te zien kreeg komt grotendeels overeen met Daniëls profetie over de verschijning in de 70ste Week van een Pseudomessias. Volgens Daniël 9:27 zal die Bedrieger op de helft van die Week zijn masker afwerpen en de verwoestende gruwel oprichten, door Ezechiël aangeduid als het afgodsbeeld van de na-ijver. Door die actie zullen de voor de 70ste Week aangekondigde onheilen aanzienlijk toenemen.
Mocht die bijzondere datum, 5 Elul, inderdaad samenvallen met het begin van de laatste Jaarweek, dan zou die omstandigheid al bij voorbaat aangeven hoe onheilspellend die Week gekarakteriseerd dient te worden.

Overigens is de consequentie van het bovenstaande uiteraard dat de datum voor het verwachte Einde van de Week, zoals eerder werd verbonden met Zacharia 1:7, eveneens ‘naar voren gehaald dient te worden’ en ‘verhuist’ van het einde naar het midden van de Week, t.w. 24 Sjebat 6027 AMovereenkomend met 26 januari 2022 AD.

Hieronder vermelden we wat Zacharia, op die kalenderdatum en vanaf Zc 1:8, in een ‘nachtgezicht” te zien kreeg >>
En zie, een man die op een rood paard reed en hij stond tussen de mirten in de diepte, en achter hem waren rode-, voskleurige- en witte paarden. 
Zacharia’s nieuwsgierigheid naar de betekenis van dit ongewone tafereel was daarmee gewekt (vers 9). Vanaf vers 10 lezen we dan het volgende:
Toen zei de man die stilstond tussen de mirtenbomen: “Het zijn degenen die YHWH eropuit heeft gestuurd om de aarde te doorkruisen”. En ze zeiden tegen de engel van YHWH die tussen de mirtenbomen stond: “We hebben de aarde doorkruist, en de hele aarde is rustig en stil”. 
De ‘man’ die, rijdend op een rood paard, stilstond tussen de mirtenbomen in de diepte, wordt hier geïdentificeerd als de engel van YHWH, d.i. niemand anders dan Gods voornaamste Zoon, Masjiach Yeshua. Vanaf Gn 16:7 zien we hem namens YHWH Elohim geregeld optreden ten behoeve van de aartsvaders en hun nakomelingschap, Abrahams ‘zaad’, het volk Israël. In die functie vertegenwoordigt hij zijn Vader zo rechtstreeks dat hij soms zelf als YHWH wordt aangeduid. Vergelijk Genesis 18.

Mirtenbomen drukken in de Bijbel hoop en verwachting uit. Wat Israël betreft verwijzen ze naar herstel en een glorierijke toekomst. Zie Js 55:13 >> Voor een distel zal een mirt opschieten.
Maar hier, bij Zacharia, staan ze in de diepte, wat wijst op Israëls toenmalige lage situatie in de wereld, vazallen van het machtige Perzische wereldrijk. Maar dat YHWH’s engel hier stilstond in de diepte tussen die mirten, duidt er visionair op dat hij zich bij entussen zijn eigen Volk bevindt. Bovendien zijn er andere engelenmachten bij hem, afgebeeld door de rode-, voskleurige- en witte paarden. 
En dat zij hier tot YHWH’s engel zeggen: We hebben de aarde doorkruist, en de hele aarde is rustig en stil moet blijkbaar opgevat worden in de zin dat zij rapport uitbrengen. Waarover? Over de toestand die buiten Israël in de wereld heerst. Welnu, in vergelijking met de roerige toestanden rond Zionistisch Israël, verkeren de Heidenvolken buiten Israël kennelijk in een toestand van betrekkelijkerust. Ja, zelfs in een zodanige ‘rust en zekerheid’ dat zij menen Israël geregeld verwijten te moeten maken in verband met het steeds maar voortdurende Israëlisch-Palestijnse conflict!

Toen zei de engel van YHWH: “O YHWH van de legermachten, hoe lang zult u uw barmhartigheid nog onthouden aan Jeruzalem en de steden van Juda, die u deze 70 jaar openlijk hebt veroordeeld?”
Deze 70 jaar!
Hoe treffend voor de Eindtijd en de 70ste (de laatste) Jaarweek voor Israël! In mei van dit jaar (2018) zal het immers 70 jaar geleden zijn dat de Zionistische staat Israël werd opgericht. Maar uit alles blijkt dat YHWH Elohim zich niettemin genoodzaakt zag om al die jaren zijn barmhartigheden aan ‘Jeruzalem’ te onthouden. En hoe kon dat ook anders, gezien de algemene houding die binnen religieus Israël al die tijd – al die vele jaren – is blijven heersen ten aanzien van hun ware Masjiach, Yeshua! Kenners weten maar al te goed in welke boosaardige stemming Israëls religieuze bovenlaag nog steeds ten aanzien van Yeshua verkeert!
Maar er is een kentering op komst!

YHWH antwoordde de engel die met mij sprak met vriendelijke, vertroostende woorden. Toen zei de engel die met mij sprak tegen mij: Roep uit. Dit zegt YHWH van de legermachten: “Met grote ijver zet ik me in voor Jeruzalem en voor Sion. Met grote woede ben ik kwaad op de zorgeloze volken, want mijn woede was niet zo groot, maar zij hebben de ellende veel erger gemaakt”.
Die uitspraak voorspelt zeker weinig goeds voor de huidige naties der wereld die maar voortdurend menen dat Israël terecht gewezen moet worden; die binnen de VN steeds maar weer moties van afkeuring jegens Israël indienen!
Maar die Heidenvolken [de Goyim] ontgaat het wat de Psalmist al lang geleden profetisch voorzag voor de huidige Middenoosten situatie:
Mijn voeten waren bijna afgeweken, mijn schreden waren haast uitgegleden! Want ik was afgunstig op de hoogmoedigen, toen ik maar steeds de voorspoed der goddelozen zag... Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen, totdat ik Gods heiligdom binnenging omdat ik hun toekomst wilde onderscheiden.
Waarlijk, op een glibberige bodem plaatst gij hen. U doet hen instorten tot puin. Hoe worden zij in een oogwenk tot een voorwerp van ontzetting, bereiken zij hun einde, vergaan door plotselinge verschrikkingen (Psalm 73).

Daarom zegt YHWH: “Ik zal met barmhartigheden naar Jeruzalem terugkeren. Mijn eigen Huis zal er gebouwd worden”, verklaart YHWH van de legermachten, “en er zal een meetlint over Jeruzalem worden gespannen”. Roep nog eens uit en zeg: Dit zegt YHWH van de legermachten: “Mijn steden zullen weer overvloeien van goedheid. YHWH zal Sion opnieuw troosten en Jeruzalem opnieuw uitkiezen”. 

Herstel is in aantocht voor Israël! Vanaf de Weekhelft keert YHWH Elohim met barmhartigheden terug naar Jeruzalem, en zal naast vele andere profetieën van herstel ook Jesaja 40 vervuld worden: Troost, troost mijn volk, zegt uw God. Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, haar dwaling afbetaald. Dat het uit de hand van YHWH dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.

Maar terug naar Dn 12:11-13.
Hierboven zijn we dieper ingegaan op de betekenis van de belofte Gelukkig hij die blijft verwachten en die de 1335 dagen bereikt!
Voor ons was die verzekering aanleiding om vanaf 1 Tisjri 6031 AM terug te tellen naar het (mogelijke) begin van de 70ste Jaarweek, t.w. 5 Elul 6023 AM.
Maar er werd nog een ander kenmerkend detail vermeld: Vanaf de oprichting van de verwoestende gruwel, op de helft van de Jaarweek, zouden er allereerst 1290 dagen verlopen. Uiteraard kunnen we ook aan die specifieke vermelding niet voorbijgaan. Die 1290 dagen brengen ons naar 15 Ab6030 AM, overeenkomend met 9 augustus 2025 AD.

De vraag rijst dan of die datum, de vijftiende van de vijfde maand, terug te vinden is in de specifiek profetische Geschriften. In aanmerking lijkt dan te komen de tekst in Ez 32:17-18, hoewel daar geen melding wordt gemaakt van de precieze maand waarin het volgende moet gaan gebeuren:

In het twaalfde jaar, op de vijftiende dag van de maand, kwam het woord van YHWH tot mij: “Mensenzoon, jammer over het leger van Egypte en laat het met de dochters van machtige volken afdalen naar het land beneden, met degenen die afdalen in de kuil”.

Onder het kopje de 75 dagen daarna hebben we al eerder aangegeven wat er van de zijde van YHWH Elohim verwacht mag worden qua vergelding aan de natiën der wereld – het tegenbeeldige Egypte met haar dochters - voor de verdrukking die zij, tijdens de Tweede Weekhelft, brachten over het getrouwe Joodse Overblijfsel.

Attentie
In deze update komen we dus tot de gevolgtrekking dat de aanvang van de 70ste Jaarweek op z’n laatst op 16 augustus 2018 (5 Elul 6023 AM) gesteld moet worden.
Om diverse redenen ligt het voor de hand om aan te nemen dat de Opname van Yeshua’s Gemeentelichaam zelfs nog vóór die datum zal plaats vinden.
Hebben wij echter voor die aanname betrouwbare Bijbelse indicaties? Zelf menen wij dat dit inderdaad het geval is. We denken namelijk aan de verstrekkende betekenis van het verslag – in Numeri 33:38-39 - over de dood van Israëls eerste hogepriester Aäron:

Later braken zij op uit Kades en legerden zich bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom. Op bevel dan van YHWH besteeg de priester Aäron de berg Hor en stierf daar in het veertigste jaar van de Uittocht van de zonen van Israël uit het land Egypte, in de vijfde maand, op de eerste van de maand. 
En Aäron was honderd drieëntwintig jaar oud toen hij op de berg Hor stierf.

Opvallend in het verslag is uiteraard dat de exacte datum van Aärons dood wordt vermeld, t.w. 1 Ab. In aanmerking nemend dat
¹ onder de Wet en tevens in verbondenheid met hem geheel Israëls priesterschap lag opgesloten, en
² dat door die priesterschap de volledige Christelijke gemeente van priesters – in de Openbaring voorgesteld als de 24 Oudsten rondom Gods troon – werd afgebeeld, mogen we wellicht tot de conclusie komen dat ook op 1 Ab de Opname zal plaats vinden!
In 2018 valt 1 Ab op vrijdag/zaterdag 13/14 juli.

Maar er is op grond van Nm 33 nóg een extra reden om in die richting te denken! Vers 39, waar Aärons leeftijd bij zijn overlijden wordt vermeld (123 jaar oud), heeft namelijk de GW 3237, en die GW wordt ook (zeer betekenisvol) aangetroffen in Ez 13:10, waar over de leugenprofeten in het Israël van de Eindtijd wordt aangekondigd dat ze over een valse vrede en zekerheid zullen profeteren >>
Omdat zij mijn volk op een dwaalspoor gebracht hebben, door te zeggen: „Er is vrede!”, terwijl er geen vrede is.
Precies de zelfde gedachte die in 1Thess 5:3 door Paulus werd verbonden met het tijdstip van de Opname: Wanneer zij zeggen "Vrede en Veiligheid", dan zal hen onheil plotseling overvallen zoals het wee een zwangere en zij zullen beslist niet ontkomen.

Nog een interessant detail: Aäron stierf op de berg Hor.
Berg Hor heeft als GW 410, en dat is ook de waarde van het Heiligdom, de Tabernakel (Hebreeuws משכן mishkan). Yeshua’s Gemeentelichaam bevindt zich tijdens zijn bestaan op aarde zowel in de tegenbeeldige Voorhof (rechtvaardig verklaard op grond van geloof) als in de voorste afdeling, het Heilige (verwekt tot geestelijke zonen, op weg naar de hemelse bestemming) van dat Heiligdom. Bij hun dood – wat voor de laatste generatie tevens de Opname inhoudt – passeren zij, precies als Degene Die hen is voorgegaan, het Gordijn om de hemel zelf binnen te gaan.
Vergelijk Hb 10:19-22 in God naderen in standvastigheid.

-.-.-.-