Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

vrijdag 29 november 2019

Masjiach Yeshua voorafgebeeld door Jozef

Genesis - Hoofdstuk 37

1. En Jakob bleef wonen in het land van zijn vaders vreemdelingschap, in het land Kanaän.

Rekening houdend met het voorafgaande hoofdstuk 36, begint dit hoofdstuk (37) met het vermelden van een tegenstelling tussen Ezau, Jakobs tweelingbroer die op de berg Seïr woonde, en Jakob zelf die in het land Kanaän bleef wonen, zoals ook Abraham en Isaäk hadden gedaan.  De ware genealogie van de geloofslijn concentreert zich op de persoon van de Masjiach van Israël, de Heer Yeshua, van wie Jozef een type of voorafbeelding is.

2. Dit is de lijn van afstamming van Jakob: Jozef, zeventien jaar oud, was de kudde met zijn broers aan het weiden. En de jongeman was met de zonen van Bilha en de zonen van Zilpa, vrouwen van zijn vader. En Jozef bracht een slecht verslag over hen uit aan zijn vader.

Samenwerkend met zijn halfbroers, Dan, Naftali, Gad en Aser, de zonen van Bilha en Zilpa, bracht Jozef over het weiden van de kuddes van zijn vader verslag uit van hun slechte praktijken. Van welke aard het kwaad was, weten we niet; maar de volwassen zonen van Jakob waren nu ver verwijderd van het vaderlijk oog en waren, naar het schijnt, gezwicht voor verleiding. Binnen de door God uitverkoren familie was sprake van schandalige gedragingen.

Rekening houdend met het feit dat de demonenwereld intussen ongetwijfeld bekend was geraakt met Gods voornemen dat de geslachtslijn die naar de ware Messias van Israël moest leiden, via deze familietak zou lopen, hoeft het niemand te verbazen dat die gezworen vijanden van YHWH Elohim van meet af hebben getracht die ‘tak’ grondig te verderven.
En toen het zover was dat Gods Zoon, in de periode 29 – 33 AD, publiekelijk optrad temidden van Jakobs nakomelingen, aarzelde hij niet om de slechte overwegingen die zij heimelijk in hun harten koesterden bloot te leggen:

En zie! sommigen van de schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze man lastert. Daar Yeshua hun gedachten kende, zei hij: Waarom denken jullie boze dingen in jullie hart?
(Mt 9:3-4)

3. En Israël had Jozef meer lief dan al zijn kinderen, omdat hij de zoon van [zijn] ouderdom was. En hij maakte voor hem een veelkleurig gewaad.

Zoals Jakob Jozef lief had boven al zijn andere kinderen, is evenzo Gods liefde voor zijn Zoon uniek. Toen die zoon van Elohim mens op aarde werd [de incarnatie] en op het punt stond met zijn openbare bediening te beginnen, werd de hemel geopend en werd de stem van de Vader gehoord die zei: Deze is mijn Zoon, de Geliefde, in wie ik behagen schepte (Mt 3:17).
In Ks 1:13 noemde de apostel Yeshua υιος της αγαπης αυτουZoon van zijn liefde.

Het veelkleurig gewaad dat Jakob voor Jozef ontwierp, is een voorafbeelding van de vele kenmerken waarin Yeshua’s heerlijkheid tot uitdrukking komt.
Uit een vergelijking met 2 Sm 13:18 leren we dat het een teken van eer was, waardoor de drager werd onderscheiden als zijnde van adellijke geboorte: Zij [Tamar] nu had een lang, gestreept gewaad aan; want zo gingen de dochters van de koning, de maagden, gewoonlijk gekleed, met schoudermantels.

Daarom benadrukte het veelkleurig gewaad heel passend de adellijke achtergrond van Masjiach Yeshua!
Ook hij was onderscheiden van al zijn Joodse broers: door ‘adellijke’ afkomst; alsook oor uiterlijke tekenen van distinctie en eer.
Het bevreemdt ons dan ook niet dat hij - vlak voor zijn koninklijke intocht in Jeruzalem op ‘Palmzondag’ – in een van zijn parabels de menigte aldus begon toe te spreken: Een zeker mens van adellijke afkomst reisde naar een ver land om voor zich een koninkrijk in ontvangst te nemen en terug te keren (Lk 19:12).

Voor degenen die geïnteresseerd zijn in de leer van Gematria:
De GW (getalswaarde) van kethoneth passim, het veelkleurig gewaad, is 1060.
Het is dan ook zeker niet toevallig dat Jozua 16:4 precies die GW heeft:

En Jozefs zonen, Manasse en Efraïm, gingen hun erfenis in bezit nemen.

Die tekst, met zijn waarde 1060, herinnert ons krachtig aan het eerstgeboorterecht van Jozef. Hij was de eerste zoon van de eigenlijke vrouw van Jakob, Rachel. Bijgevolg wordt juist om die reden Jozefs Antitype, Yeshua, in Ks 1:15 aangeduid als: Eerstgeborene van alle schepping.
In Israël werd Jozefs eerstgeboorterecht weerspiegeld in het ontvangen van een dubbele erfenis in de vorm van de twee stammen Manasse en Efraïm.

Jozef had die twee zonen verkregen bij Asnath, zijn heidense vrouw.
Uiteraard denken we dan meteen aan Yeshua's huwelijkscontract met zijn (christelijke) Vrouwgemeente, die eveneens overwegend van heidense afkomst is.
In die context herinneren de twee zonen van Jozef ons krachtig aan het dubbele deel dat het Israël van YHWH Elohim – haar Echtgenoot - op aarde zal ontvangen.
Zoals profetisch wordt getoond in Zc 9:12 >> Keert terug naar de burcht, gij gevangenen van de hoop. Ook deel ik heden mee: Ik zal jou [Vrouw] dubbel vergelden. 

Maar er valt nog meer op te merken over dat kethoneth passim.
Omdat Jozef de zevende zoon van de twee vrouwen was, Lea en Rachel samen, mogen we kennelijk verwijzen naar de zevende dag van Elohims 'scheppingsweek', de wereld zoals die toen aan de mens werd gegeven en die naderhand veelkleurig in verschijning bleek te zijn >>

De hof van Eden met de Adamitische val;
de Vloed; de Spraakverwarring;
de tijdperken van de patriarchen, de Wet;  het aeon van Yeshua’s eigen Gemeentelichaam;
en ten slotte zijn parousia (Eindtijd tegenwoordigheid) tijdens de 70ste Jaarweek voor Israël;
gevolgd door zijn Messiaanse Millenniumheerschappij.

Bij het verloop van al die tijdperken was Yeshua actief betrokken. Maar ook reeds vóórdat de Zevende Dag [Elohims Rustdag van 7000 jaar] aanbrak, werd Yeshua, blijkens Ks 1:15-17, door zijn Vader God gebruikt:

Hij is evenbeeld van de onzichtbare God, eerstgeborene van alle schepping, omdat in hem alle dingen werden geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare dingen; hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen. En zelf is hij vóór alle dingen en alle dingen bestaan tezamen in hem.

Nadere toelichting met betrekking tot die veel vroegere activiteiten van Elohims voornaamste Zoon, vinden we terug in Hb 1:1-3 >>

God, die in de oudheid veelvuldig en op veel manieren tot de vaders sprak in de profeten, sprak op het laatst van deze dagen tot ons in [een] Zoon die hij tot erfgenaam van alle dingen stelde; door wie hij ook de aeonen maakte. Hij die afstraling der heerlijkheid is en afdruk van zijn wezen, die ook alle dingen draagt door zijn krachtig woord, heeft, nadat hij reiniging der zonden bewerkte, plaatsgenomen aan de rechterhand der majesteit in verheven plaatsen.

Uit Spreuken 8, waar de Zoon aan ons wordt voorgesteld als de gepersonifieerde Wijsheid, vernemen we dat YHWH Elohim hem – het begin van de schepping Gods (Op 3:14) – inderdaad gebruikte bij het creëren van alle andere dingen. In de verzen 22-23 en 30-31 horen we hemzelf, als de gepersonifieerde Wijsheid, daarover het volgende zeggen:

YHWH zelf heeft mij voortgebracht als het begin van zijn weg, als het vroegste van zijn werken van oudsher, vanaf de eeuwigheid; vanaf tijden vroeger dan de aarde ... Toen kwam ik naast hem als een meesterwerker. Ik was degene op wie hij dag aan dag bijzonder gesteld was; terwijl ik te allen tijde vrolijk was voor zijn aangezicht, vrolijk over de bewoonde aarde. En de dingen waarop ik ten zeerste gesteld was, waren bij de mensenkinderen.

In Gn 37:3 geeft de LXX [Septuagint] kethoneth passim weer met χιτωνα ποικιλον.
In Ef 3:10-11 lezen we enkele dingen over de Zoon die ons aan die tekst doen denken >> Opdat thans aan de overheden en gezagsdragers in de hemelsferen door de Gemeente de rijkgeschakeerde wijsheid Gods η πολυποικιλος σοφια του θεου ] bekendgemaakt zou worden, naar [het] voornemen der eeuwen dat hij opvatte in de Masjiach Yeshua onze Heer.

4Maar toen zijn broers zagen dat hun vader hem meer liefhad dan al zijn broers, haatten zij hem en konden zij niet vreedzaam tot hem spreken.

De liefde van Jakob voor Jozef wekte de bittere vijandigheid van zijn broers. Uiteraard had Jozef daarvoor geen schuld; het was Jakobs liefde die de vijandschap in de harten van die mannen deed ontvlammen.
En precies die geestesgesteldheid bracht Masjiach Yeshua aan het licht bij het volbrengen van zijn aardse bediening >>

Ik weet dat jullie Abrahams zaad zijn. Maar jullie zijn eropuit mij te doden, omdat mijn woord geen vooruitgang onder jullie maakt. Ik spreek de dingen die ik bij de Vader heb gezien; jullie echter doen de dingen die jullie van jullie vader hoorden.
Als antwoord zeiden ze tegen hem: Onze vader is Abraham.
Yeshua zei tegen hen: Indien jullie Abrahams kinderen zijn, zouden jullie de werken van Abraham doen. Maar nu proberen jullie mij te doden, een mens die de waarheid tot jullie sprak die ik bij God hoorde. Abraham deed dit niet. Jullie doen de werken van jullie vader.

Zij zeiden tegen hem: Wij zijn niet uit hoererij geboren; wij hebben één Vader, God.
Yeshua zei tot hen: Indien God jullie Vader was, zouden jullie mij zeker liefhebben, want ik kwam van God vandaan en ben hier. Ook ben ik niet uit mijzelf gekomen, maar Die zond mij uit.
Waarom onderkennen jullie mijn spraak niet? Omdat jullie niet in staat zijn naar mijn woord te luisteren.

Jullie zijn uit jullie vader de Duivel en jullie willen de verlangens van jullie vader volbrengen. Die was een mensenmoordenaar vanaf het begin, en hij stond niet vast in de waarheid, omdat in hem geen waarheid is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij volgens eigen aard, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan. Als ik daarentegen de waarheid vertel, geloven jullie mij niet.
(Johannes 8:37-45)

Dus enerzijds de liefde van zijn hemelse Vader, maar tegelijkertijd de vijandschap van de zijde der Joodse broeders van hem. Overigens was de manier waarop hij hen over hun gezindheid aansprak voor ons zeer verhelderend. We weten nu met zekerheid uit welke bron al die ‘hatespeech’ ontsproot!

5. En Jozef had een droom en vertelde die aan zijn broers. Bijgevolg haatten zij hem nog meer.
6. En hij zei tegen hen: Luister toch naar deze droom die ik heb gehad:
7. Welnu, ziet, wij waren aan het schoven binden midden op het veld, toen ziet, mijn schoof zich oprichtte en ook overeind bleef staan, en ziet, jullie schoven kwamen eromheen staan en bogen zich voor mijn schoof neer.
8. Toen zeiden zijn broers tot hem: Zal jij werkelijk koning over ons worden? Of, zal jij werkelijk over ons heersen? En zij haatten hem nog meer wegens zijn dromen en wegens zijn woorden.
9. En hij droomde nog een andere droom, en hij verhaalde die aan zijn broers en zei: Ziet, ik heb weer een droom gehad, en ziet, de zon en de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.
10. Toen hij dit zowel aan zijn vader als aan zijn broers vertelde, bestrafte zijn vader hem en zei tot hem: Wat is dat voor een droom die jij hebt gedroomd? Zullen ik en ook je moeder en je broers ons echt voor jou ter aarde komen neerbuigen?
11. En zijn broers werden jaloers op hem, maar zijn vader bewaarde het gezegde.

YHWH Elohim zond niet alleen de dromen naar Jozef, maar in zijn soevereine wijsheid veroorzaakte hij blijkbaar ook dat Jozef ze aan zijn broers vertelde, waardoor hun haat jegens hem alleen maar toenam. Evenzo zei de Heer Yeshua ronduit tegen de Farizeeën: Maar ik zeg jullie, hierna zullen jullie de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand der kracht en komende op de wolken van de hemel (Mt 26:64).

De betekenis van de eerste droom is duidelijk: de broers zouden zich alsnog buigen voor het gezag van Jozef, wat zij naderhand ook werkelijk deden; zoals Gn 42:6 ons laat weten: En Jozef was de machthebber over het land. Hij was degene die aan al het volk van de aarde verkocht. Bijgevolg kwamen Jozefs broers en bogen zich diep voor hem met hun aangezicht ter aarde.

Uiteraard is de meest vitale les hier dat heel Israël zich alsnog zal neerbuigen voor de Heer Yeshua, die zij hebben veracht en gehaat. Toentertijd hebben Jozefs broers het waarschijnlijk belachelijk, ja, ondenkbaar geacht dat hij ooit over hen zou heersen. En zonder twijfel houden ook nu de meeste Joden het voor totaal onmogelijk dat ze ooit voor Yeshua zullen buigen en hem zullen erkennen als hun ware Masjiach. Niettemin is het precies dát waarmee zij geconfronteerd zullen worden, als de vervulling van de welbekende profetie in Jesaja 9 >>

Want ons is een kind geboren, ons is een zoon gegeven; en de vorstelijke heerschappij zal op zijn schouder komen. En zijn naam zal worden genoemd: Wonderbaar raadgever, Sterke god, Eeuwige vader, Vredevorst.
Aan de overvloed van de vorstelijke heerschappij en aan vrede zal geen einde zijn, op de troon van David en over zijn koninkrijk, om het stevig te bevestigen en om het te schragen door gerechtigheid en rechtvaardigheid, van nu aan en voor altijd. Ja, de ijver van YHWH der legerscharen zal dit doen.

Israël, en met name de Joden die alleen al bij het horen van de naam Yeshua furieus reageren, zal te zijner tijd moeten erkennen dat alles precies zó is gegaan als Gabriël aan Mariam aankondigde:

In de zesde maand nu werd de engel Gabriël van God vandaan gezonden naar een stad van Galilea, genaamd Nazareth, tot een maagd die ten huwelijk beloofd was aan een man, genaamd Jozef, uit Davids Huis; en de naam van de maagd: Mariam.
En nadat hij bij haar was binnengetreden, zei hij: Verheug je, hooglijk begunstigde, de Heer is met je.

Zij echter werd diep verontrust over het woord en zij vroeg zich af wat voor een begroeting dit wel mocht zijn. En de engel zei tot haar: Wees niet bevreesd, Mariam, want je hebt gunst gevonden bij God, en zie, je zult in [je] schoot ontvangen en een zoon baren, en zijn naam moet je noemen: Yeshua. Deze zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en de Heer God zal hem de troon van zijn vader David geven, en hij zal als koning over het Huis van Jakob regeren tot in eeuwigheid, en aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn.

Mariam echter zei tot de engel: Hoe zal dit zijn, daar ik geen gemeenschap heb met een man? En ten antwoord zei de engel tot haar: Heilige geest zal op je komen en kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen; daarom ook zal het heilige dat verwekt wordt, Gods Zoon worden genoemd.
(Lukas 1:26-35)

De tweede droom lijkt in de geest van zijn broers vragen te hebben gewekt. Toen hij hun en ook zijn vader vertelde dat hij had gedroomd dat de zon, de maan en elf sterren zich voor hem neerbogen, berispte zijn vader hem, kennelijk in de veronderstelling dat door trots de droom bij Jozef was opgekomen. Want hij realiseerde zich terdege de implicatie: Zowel hijzelf als Rachel en zijn elf zonen zouden zich te eniger tijd voor Jozef neerbuigen!

Maar wat Jozef droomde en voorspelde was in werkelijkheid niets minder dan de toekomstige tweevoudige soevereiniteit van zijn grote Tegenbeeld, de ware Masjiach:
De eerste droom betrof het veld, wat duidde op Yeshua's aardse heerschappij; maar de tweede droom verwees naar de zon, de maan en de sterren. Daarmee werd – in voorafbeelding - gezinspeeld op de toekomstige hemelse heerschappij van de Masjiach. Of samengevat, zoals Yeshua zelf na zijn opstanding aan zijn discipelen vertelde: Alle macht in de hemel en op aarde werd mij gegeven (Mt 28:18).

In dat opzicht is Efeziërs 1:9-10 eveneens zeer onthullend. Want aldaar lezen we over het voornemen dat Yeshua’s hemelse Vader al heel lang geleden in zijn Zoon opvatte:

Hij heeft ons namelijk het geheimenis van zijn wil bekend gemaakt, naar zijn welbehagen, dat hij zich had voorgenomen in hem, voor een huishoudelijk bestuur van de volheid der tijden, om alle dingen onder één hoofd samen te brengen in de Masjiach; de dingen met betrekking tot de hemelen en de dingen op de aarde.

Masjiach Yeshua is er door zijn Vader toe voorbestemd het opperste Hoofd van allen te zijn. Thans evenwel verkeren de hemelen (of hemelse gewesten) nog steeds in opstand tegen YHWH Elohim. Binnen die sfeer zijn de demonen zeer actief in hun oppositie jegens de leden van Yeshua’s Gemeentelichaam. Zoals in Ef 6:12 wordt vermeld hebben zij een strijd tegen de wereldheersers van deze duisternis, tegen de goddeloze geestenkrachten in de hemelsferen (Ef 6:12). Gelukkig zullen deze wezens echter allemaal volledig worden onderworpen aan de dierbare Zoon van Elohim, zoals ook werd voorspeld in de tweede droom van Jozef.

De profetische waarde van de twee dromen van Jozef wordt ook krachtig tot uitdrukking gebracht in de brief aan de Filippenzen, waarin Elohims geest Paulus ertoe bracht de grootse verheffing te schilderen van Yeshua nadat deze zich eerst diep had vernederd om zijn menselijke broeders hier op aarde te dienen:

Laat die denkwijze in jullie zijn welke ook in Masjiach Yeshua [was], die, bestaande in gestalte Gods, geen roof heeft overwogen om aan God gelijk te zijn, maar zichzelf ontledigde, gestalte van een slaaf aangenomen hebbend, geworden in gelijkheid der mensen. En in uiterlijk als mens bevonden, zichzelf vernederde, gehoorzaam geworden tot de dood, ja, de dood der martelpaal.

Daarom ook verhief God hem hoog en gaf hem goedgunstig de naam die boven elke naam is, opdat in de naam van Yeshua elke knie zich zou buigen van hen die in de hemel en van hen die op de aarde en van hen die onderaards zijn, en elke tong openlijk zou belijden dat Yeshua Masjiach Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader.
(Fp 2:5-11)

Maar we lazen dat de broers jaloers waren op Jozef.
Gaven zij daarmee niet te kennen dat ze bang waren dat Jozef inderdaad zo'n autoriteit zou hebben zoals uit zijn dromen kon worden afgeleid?
We weten immers ook dat het niet alleen ongeloof van de kant van de Joodse leiders was, welke hen bewoog Yeshua volledig als hun Masjiach af te wijzen; maar ook afgunst: Want Pilatus was zich ervan bewust dat ze hem uit afgunst hadden overgeleverd (Mt 27:18).


12 En zijn broers gingen heen om het kleinvee van hun vader dicht bij Sichem te weiden. 
13 Een poos daarna zei Israël tot Jozef: Zijn je broers niet dicht bij Sichem aan het hoeden? Kom, en laat mij jou naar hen toe zenden. Waarop hij tot hem zei: Hier ben ik! 
14 Hij dan zei tot hem: Ga alsjeblieft kijken of je broers gezond en wel zijn en of het kleinvee gezond en wel is, en breng mij dan verslag uit.
Zo zond hij hem weg uit de laagvlakte van Hebron, en hij trok voort in de richting van Sichem. 
15 Later trof hem een man aan en zie, hij doolde rond in een veld. De man dan informeerde bij hem en zei: Wat zoekt gij
16 Hierop zei hij: Mijn broers zoek ik. Vertel mij alstublieft waar zij het kleinvee hoeden. 
17 En de man zei: Ze zijn van hier opgebroken, want ik hoorde hen zeggen: Laten wij naar Dothan gaan. Jozef ging zijn broers dus [verder] achterna en vond hen te Dothan.

Gelet op wat verder volgt constateren we nu al dat de haat die bij de broers leefde de gelegenheid kreeg zich te uiten in de liefde die hen zocht. Jozef zocht hen immers eerst in Sichem en daarna ging hij - uit eigen beweging - zelfs nog verder, naar Dothan.
In die actie volgde hij zijn vader Jakob na, want die stond immers ook niet onverschillig tegenover het welzijn van zijn zonen die nu buiten het vaderhuis verkeerden! In tegendeel, Jakob maakte zich zorgen om het welzijn van deze broeders van Jozef. En - bij voorbaat denkend aan de tegenbeeldige vervulling - constateren we dat hij daarom voorstelt zijn zeer geliefde zoon te sturen op een missie van barmhartigheid!
En nogmaals: Is het niet hartverwarmend om de promptheid van Jozefs reactie vast te stellen! Er was geen aarzeling, geen onwil, geen excuses, maar een gezegende bereidheid om de wil van zijn vader te doen: Hier ben ik ...

In dit opzicht biedt het verslag ons een gelegenheid om een ‘inkijkje’ te ontvangen van wat er in het verre verleden tussen de Vader en de Zoon moet hebben plaats gevonden. Terwijl YHWH Elohim met goddelijke alwetendheid de val van de mens en diens vervreemding van Hemzelf voorzag, stelde hij in de goedgunstigheid van zijn ‘hart’ niettemin voor dat zijn geliefde Zoon zou uitgaan op een missie van barmhartigheid, op zoek naar degenen die ver weg van het Vaderhuis waren geraakt.
Vandaar dat we zo vaak over de Zoon lezen als niet slechts door de Vader gezonden, maar dat ook deed uit eigen liefdevolle gewilligheid:

Hierin is de liefde, niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden [tot] verzoening voor onze zonden (1Jh 4:10).

Net als Jozef antwoordde ook hij snel: Hier ben ik .
Zoals we ook over hem lezen in Hb 10:7 >>

Toen zei ik: Zie, ik ben gekomen - in de rol des boeks staat over mij geschreven - om uw wil te doen, o God!

Zoals we lazen in vers 15 werd Jozef vanuit de laagvlakte van Hebron op weg gestuurd.
De betekenis van Hebron is gemeenschap, wat ons er verder aan herinnert dat de Vader zijn Zoon stuurde vanuit de plaats van intieme gemeenschap, wat ons doet terugdenken aan Spreuken 8, zoals hierboven al eerder geciteerd: YHWH zelf heeft mij voortgebracht als het begin van zijn weg, het vroegste van zijn werken van lang geleden. Van oudsher werd ik geïnstalleerd, vanaf het begin, vroeger dan de aarde.

Jozef ging dus op weg naar Sichem. De betekenis daarvan is schouder, wat zinspeelt op iemands bereidheid om verantwoordelijkheid op zich te nemen.
Toen Israël als natie bij de Sinaï de Thora ontving gaf ze blijk van die bereidheid.
In Ex 19 lezen we hoe het volk reageerde op YHWH Elohims mededeling aan Mozes:

Jullie hebben zelf gezien wat ik de Egyptenaren gedaan heb, teneinde jullie op arendsvleugels te kunnen dragen en tot mij te brengen. Nu dan, indien jullie mijn stem strikt zullen  gehoorzamen en mijn Verbond inderdaad zullen onderhouden, dan zullen jullie beslist uit alle volken mijn speciale bezit worden; want de gehele aarde behoort mij toe. En jullie zullen voor mij een koninkrijk van priesters en een heilige natie worden.

Volmondig reageerde Israël toen met de verzekering: Alles wat YHWH heeft gesproken, zijn wij bereid te doen.

Maar wat betekent een en ander in ons ‘verhaal’?
Welnu, toen Yeshua door zijn vader Elohim werd gezonden, kwam hij naar de plaats waar de Israëlieten onder de Thora verbleven. Bovendien werd Yeshua zelf onder precies die omstandigheden geboren. Zoals we lezen: Toen de volheid der tijd kwam, zond Elohim zijn Zoon uit, geworden uit een vrouw, geworden onder Thorah (Gl 4:4).

Jozef vond zijn broers echter niet in Sichem, en ook Yeshua vond Israël – toen hij vanaf het jaar 29 AD actief onder hen verbleef - niet in de plaats van gehoorzaamheid aan Elohims Thorah. Dus moest hij hen bestraffen met de woorden van Jesaja:

Huichelaars, Jesaja profeteerde treffend over jullie toen hij zei: Dit volk eert mij met lippen, maar hun harten zijn ver van mij verwijderd. Het is tevergeefs dat ze me blijven aanbidden, want ze onderwijzen mensengeboden als leerstellingen (Mt 15:7-9).

In de buurt van Sichem zag een zekere man Jozef in het veld ronddwalen en hij informeerde naar wat hij eigenlijk zocht. De man bleek in staat Jozef te vertellen dat hij zijn broers had horen overleggen om naar Dothan te gaan.

Dothan betekent hun decreet, of mogelijk ook twee bronnen.
Precies dus zoals Jozef zijn broers vond in Dothan, ‘vond’ Masjiach Yeshua Israël in een plaats van hun eigen decreten en tradities. En zeker niet in de plaats van onderwerping aan de Thorah. Dus horen we hem tegen de Farizeeën en Schriftgeleerden zeggen: Jullie hebben het gebod van Elohim teniet gedaan op grond van jullie overleveringen.

Als Dothan twee bronnen of, misschien beter reservoirs zou kunnen betekenen, worden we eraan herinnerd hoe Elohim Israël schuldig verklaarde: Zij hebben mij, de Bron van levende wateren, verlaten om voor zichzelf reservoirs uit te houwen, gebroken reservoirs, die het water niet kunnen houden.
Dát was precies de toestand van Israël toen Degene die de bron van het leven was/is in hun midden verkeerde.

18. Zij kregen hem van verre reeds in het oog, en voordat hij dicht bij hen kon komen, gingen zij arglistig tegen hem samenspannen om hem ter dood te brengen.
19. Zij zeiden derhalve tot elkaar: Ziet! Daar komt die dromer aan.
 20. Nu dan, komt en laten wij hem doden en hem in een van de waterputten gooien; en wij moeten zeggen dat een kwaadaardig wild beest hem heeft verslonden. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen terecht zal komen.
21. Toen Ruben dit hoorde, wilde hij hem uit hun hand bevrijden. Daarom zei hij: Laten wij zijn ziel niet doodslaan.
22. Verder zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed. Gooit hem in deze waterput, die in de wildernis is, en slaat niet gewelddadig de hand aan hem. Zijn bedoeling was hem uit hun hand te bevrijden, om hem naar zijn vader terug te brengen.

Treffend om vast te stellen hoe er al een samenzwering tegen Jozef werd gevormd, zelfs vóórdat hij tot hen naderde.
Dat herinnert ons echter aan wat er gebeurde in de dagen van hem die veel groter bleek te zijn dan Jozef! Zodra zijn Messiaanse carrière in Israël een aanvang nam - toen hij zich tijdens zijn openbare bediening publiekelijk aan zijn Joodse broeders presenteerde - gingen de Farizeeën naar buiten [uit de synagoge, waar Yeshua op sabbat ‘een mens met een verdorde hand’ had genezen] en zij beraadslaagden tegen hem hoe zij hem konden ombrengen (Mt 12:14).

Zie ook het verslag in Markus 3:1-6.

Jozefs profetische aankondigingen op grond van zijn dromen beschouwden zijn broers als louter “verhaaltjes”. Niettemin haatten zij hem daarom, kennelijk omdat zij wel ‘aanvoelden’ dat zijn dromen voor hen negatief uitvielen.
Hun scepsis komt duidelijk naar voren in het slechte voorstel >> Laten we hem doden…, dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen terecht komt.

Zoals al eerder gesignaleerd, was het niet anders gesteld met Yeshua’s gezworen vijanden, de Joodse religieuze elite van de Eerste eeuw. Merk maar op hoe zij, volgens Mattheüs 27, zelfs de aan een martelpaal genagelde Yeshua bejegenden:

De toeschouwers dan gingen schimpend over hem spreken, terwijl zij hun hoofd schudden en zeiden: Jij daar, die de tempel zou afbreken en in drie dagen zou opbouwen, red jezelf! Als jij een zoon van God zou zijn, kom dan van de martelpaal af!

Evenzo gingen ook de overpriesters met de schriftgeleerden en oudsten de spot met hem drijven en zeiden: Anderen heeft hij gered, zichzelf kan hij niet redden! Hij is koning van Israël; laat hem nu van de martelpaal afkomen, dan zullen wij in hem geloven.

Aldus erkende die elite dat ze inderdaad vol ongeloof was. Yeshua’s leer was voor hen niets anders dan leeg gedroom. Een en ander bleek zelfs na zijn dood en begrafenis het geval te zijn, hoewel bij het moment van zijn overlijden het gordijn van het heiligdom van boven tot onder in tweeën was gescheurd, terwijl de aarde beefde en de rotsen vaneen spleten:

De volgende dag, dit was na de voorbereiding, kwamen de overpriesters en de Farizeeën gezamenlijk bij Pilatus en zeiden: Heer, het kwam ons in herinnering dat die bedrieger, toen hij nog leefde, heeft gezegd: Na drie dagen zal ik worden opgewekt. Gebied daarom dat het graf tot de derde dag wordt verzekerd, opdat niet soms zijn leerlingen komen en hem stelen en tot het volk zeggen: Hij is uit de doden opgewekt! Dan zal dat laatste bedrog erger zijn dan het eerste. Pilatus zei tot hen: Jullie hebben een wacht. Gaat en verzekert het naar jullie beste weten.
(Mattheüs 27)

Toen de steen werd verzegeld en de wacht geplaatst, zeiden de sceptische Farizeeën eigenlijk: We zullen zien wat er van zijn dromen zal worden.

23. Het geschiedde dan dat zodra Jozef bij zijn broers kwam, zij Jozef zijn lange kleed gingen uittrekken, ja, het lange veelkleurige gewaad dat hij droeg,  
24. waarna zij hem namen en hem in de waterput gooiden. De put was toen leeg; er stond geen water in.

Hoe brengt een en ander de goddeloze haat van deze mannen aan het licht, en dat nota bene jegens hém die alleen maar hun welzijn was komen zoeken! Als roofdieren wierpen zij zich onmiddellijk op hem. Het was niet genoeg om hem te bezeren; ze moesten hem vooral ook beledigen.
Ze zetten hem openlijk te schande door hem van zijn veelkleurig gewaad te ontdoen, en dat geheel in overeenstemming met wat hun tegenhangers vele eeuwen later met zijn Antitype zouden doen. Ook hij werd beledigd en te schande gemaakt:

Toen namen de soldaten van de stadhouder Yeshua mee in het paleis van de stadhouder en verzamelden de hele troepenafdeling om hem heen. En na hem zijn kleren uitgetrokken te hebben, hingen zij hem een scharlaken mantel om (Mt 27:27-28).

Dezelfde vreselijke schande wordt opnieuw gezien op de martelpaal:

Toen dan de soldaten Yeshua aan de paal genageld hadden, namen zij zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat een deel; en zijn onderkleed. Dit kleed nu was zonder naad, aan één stuk geweven (Jh 19:23).

De put waarin geen water is

- die ook wordt genoemd in de profetie van Zacharia 9:11 >> Ook gij, [o vrouw,] door het bloed van uw Verbond wil ik uw gevangenen heenzenden uit de put waarin geen water is -

lijkt een andere naam te zijn voor Hades (Grieks; Sjeool Hebreeuws),
t.w. het gemeenschappelijke graf van de doden in afwachting van hun opstanding in het Millenniumrijk van de Masjiach: Want er is geen werk, noch overleg, noch kennis, noch wijsheid, in Sjeool, de plaats waarheen gij gaat (Pr 9:10).

We worden ook herinnerd aan Jona die drie dagen in Sjeool [zo goed als dood in de buik van de reusachtige vis] was:

Uit mijn benauwdheid riep ik tot YHWH, en hij antwoordde mij toen. Uit de buik van Sjeool schreeuwde ik om hulp. Gij hoorde mijn stem.

Toen zeiden sommige Schriftgeleerden en Farizeeën tegen hem: Leraar, we willen een teken van u zien.

Hij gaf hun ten antwoord: Een goddeloos en overspelig geslacht blijft een teken zoeken, maar het zal geen teken worden gegeven dan het teken van Jona, de profeet. Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de reusachtige vis was, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn. 

De mannen van Ninevé zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en zullen het verwijten maken, want zij hadden berouw op hetgeen Jona predikte, maar ziet! Méér dan Jona is hier.
(Mt 12:38-41).

Volgens Jona zelf verbleef hij drie dagen in Sjeool, zoals ook het geval was met Masjiach Yeshua. Gedurende drie dagen had hij geen bewust bestaan voordat hij door zijn Vader Elohim uit die toestand [Sjeool] werd opgewekt:

Toen bad Jona tot YHWH, zijn Elohim, vanuit de buik van de vis, en hij zei: Uit mijn nood riep ik tot YHWH en hij antwoordde mij. Uit de buik van sjeool schreeuwde ik om hulp. Gij hoorde mijn stem.
(Jona 2:1-2).

Maar er valt nog meer op te merken over dat veelkleurige gewaad waarvan Jozef door zijn broers bruut werd ontdaan. Zoals we hierboven al opmerkten, is dat kethoneth passim typerend voor de vele glorierijke kenmerken van Yeshua. Door hem ontwierp YHWH Elohim de verschillende aeonen, de wereldtijdperken, inclusief de Zevende dag van Elohims "scheppingsweek". De wereld zoals die toen aan de mens werd gegeven, scheen op dezelfde manier veelkleurig toe, maar in alle opeenvolgende fasen ervan had Elohims Zoon de geestelijke leiding.

Dus, door hem van dat 'gewaad' te ontdoen, trachtte de elitaire Joodse geestelijkheid van de Eerste Eeuw met die actie te voorkomen dat Yeshua zijn goddelijk beoogd doel zou afronden, in het bijzonder om tijdens het Millennium Koninkrijk de belofte die aan Abraham was gedaan compleet te vervullen.

Welke belofte? Die waarover we lezen in Genesis 22, nadat Abraham in gehoorzaamheid aan YHWHs aanwijzing had getracht zijn zoon Yitsjak ten offer op te dragen:

En YHWHs engel riep Abraham vervolgens voor de tweede maal uit de hemel toe en zei: Waarlijk, ik zweer bij mijzelf - luidt de uitspraak van YHWH - dat wegens het feit dat gij deze zaak hebt gedaan en gij [mij] uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden, ik u voorzeker zal zegenen en uw zaad voorzeker zal vermenigvuldigen als de sterren aan de hemel en als de zandkorrels die aan de zeeoever zijn; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden in bezit nemen. En door bemiddeling van uw zaad zullen alle Heidenvolken der aarde zich stellig zegenen, ten gevolge van het feit dat gij naar mijn stem hebt geluisterd.

Die laatste, grote zegen voor de mensheid – voor alle Goyim der aarde - en wel op basis van Yeshua’s eigen offerdood, werd bij die gelegenheid voorschaduwd door de ‘geofferde’ Yitsjak (Gn 22:18).

Zie de studie Abrahams bestemming.

25. Daarna zetten zij zich neer om brood te eten. Toen zij hun ogen opsloegen en keken, zie, daar kwam een karavaan Ismaëlieten aan uit Gilead, en hun kamelen droegen ladanum en balsem en harsrijke schors, op weg om dit naar Egypte te brengen. 
26. Hierop zei Juda tot zijn broers: Wat voor voordeel zou het hebben als wij onze broer zouden doden en zijn bloed werkelijk zouden bedekken?
27. Komt, en laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen en onze hand niet aan hem slaan. Hij is per slot onze broer, ons vlees. Zij dan luisterden naar hun broer.
28. Nu kwamen er mannen, Midianitische kooplieden, voorbij. Derhalve trokken en hieven zij Jozef op uit de waterput en verkochten Jozef toen voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten. Ten slotte brachten dezen Jozef naar Egypte.


Net zoals de broers van Jozef koel gingen zitten om te eten, zo wordt ons over degenen die de Heer Yeshua aan de paal hadden gespietst gezegd: Zij verdeelden zijn bovenklederen door het lot te werpen, en daar neergezeten, hielden zij de wacht bij hem (Mt 27:35-36).

Terugblikkend op die gebeurtenis constateren we dat er voor de broers een onverwachte gelegenheid ontstond waarvan zij egoïstisch voordeel trokken. Wanneer de karavaan van Ismaëlietische handelaren verschijnt die naar Egypte reizen, is Juda niet traag om daarin een ​​ideale gelegenheid te herkennen om zich van Jozef te ontdoen en tegelijkertijd wat geldwinst te behalen. En blijkbaar verkopen ze hem in Rubens afwezigheid. Let echter op hun hypocrisie: Komt, en laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen en onze hand niet aan hem slaan. Hij is per slot onze broer, ons vlees.

Zoals de Joden deden met Yeshua, leverden de 'broers' Jozef over aan de Heidenen. Twintig stuks zilver is de prijs die ze voor hem kregen, slechts tweederde van de prijs van een gemiddelde volwassen slaaf. Judas vroeg de overpriesters wat zij voor Yeshua zouden geven. Dertig zilverstukken is hun aanbod; de prijs van een slaaf is hun schatting van Degene die ooit Elohims dagelijkse verrukking was (Mt 26:14-16; Sp 8:30 )

En bovendien, hoe konden zij ooit bevroeden dat de daad van het opheffen van Jozef uit de put - die zijn dood en graf had kunnen worden - achteraf bezien een toespeling op de opstanding van Yeshua bleek te zijn.

29. Later keerde Ruben naar de waterput terug en zie, Jozef was niet in de waterput. Dientengevolge scheurde hij zijn kleren.
30. Toen hij bij zijn andere broers terugkeerde, riep hij uit: Het kind is weg! En ik — waar moet ik toch heen?

Vermoedelijk, lezer, merkte u al in de verzen 21 en 22 op dat Ruben op een nogal timide, halfhartige manier had geprobeerd het leven van Jozef te redden. Klaarblijkelijk - zonder zelf enig risico te willen lopen - was hij te laf geweest om moedig op te treden. In zijn geval worden we herinnerd aan Yeshua's eigen waarschuwing in zaken als deze:

Wie mij voor de mensen zal belijden, de Mensenzoon zal hem ook voor de engelen van God belijden; maar hij die mij vóór de mensen heeft ontkend, zal worden ontkend vóór de engelen van God (Lk 12:8-9).

We kunnen echter ook denken aan een passage in hoofdstuk 2 van Paulus’ Romeinenbrief teneinde te onderscheiden aan welke categorie Joden we moeten denken, wanneer de apostel zich - in de vv 17 tm 24, binnen een denkbeeldige conversatie [diatribè] – richt tot een mede-Jood met striemende vragen:

Indien dan jij je Jood noemt en steunt op [de] Wet en je beroemt in God, en je kent de wil en onderscheidt de dingen waarop het aankomt, omdat je mondeling uit [de] Wet werd onderricht, en van jezelf overtuigd bent een gids van blinden te zijn, een licht van hen in duisternis, opvoeder van onverstandigen, leermeester van onmondigen, omdat je in de Wet de belichaming der kennis en van de waarheid hebt ― Jij dan die een ander onderwijst, onderwijs jij jezelf niet? Jij die predikt niet te stelen, steel jij? Jij die zegt geen overspel te plegen, pleeg jij overspel? Jij die afgoden verfoeit, plunder jij tempels? Die zich in [de] Wet beroemt, onteer jij God door de overtreding van de Wet? Want de naam van God wordt wegens jullie onder de Heidenen gelasterd, zoals geschreven staat.

Uit Gn 35:22 weten we dat Ruben, Jakobs eerstgeborene, zich eens door seksueel wangedrag - nota bene door zich te vergrijpen aan Bilha, één der twee van Jakobs bijvrouwen – feitelijk ongeschikt had gemaakt voor het leiderschap onder zijn broers. Zoals Jakob zelf in zijn sterfbedprofetie memoreerde:

Ruben, jij bent mijn eerstgeborene, mijn kracht en het begin van mijn voortplantingsvermogen, de uitnemendheid van waardigheid en de uitnemendheid van sterkte.  Munt met roekeloze losbandigheid als wateren niet uit, want jij hebt het bed van je vader beklommen. Destijds heb jij mijn legerstede ontwijd. Hij heeft die beklommen!
(Gn 49:3-4)

31. Zij namen echter Jozefs lange kleed en slachtten een geitenbok en doopten het lange kleed herhaalde malen in het bloed.
32. Daarna lieten zij het lange gestreepte kleed naar hun vader brengen en zeiden: Dit hebben wij gevonden. Onderzoek alsjeblieft of dit het lange kleed van je zoon is of niet.
33. Vervolgens onderzocht hij het en riep uit: Het is het lange kleed van mijn zoon! Een kwaadaardig wild beest moet hem verslonden hebben!
Jozef is vast en zeker in stukken gescheurd!
34. Toen scheurde Jakob zijn mantels en deed een zak om zijn heupen en droeg vele dagen rouw over zijn zoon.
35. En al zijn zonen en al zijn dochters maakten zich voortdurend op om hem te troosten, maar steeds weigerde hij zich te laten troosten en zei: Want rouwend zal ik naar mijn zoon in Sjeool afdalen! En zijn vader bleef om hem wenen.
36. De Midianieten evenwel verkochten hem naar Egypte, aan Potifar, een hofbeambte van Farao, de overste van de lijfwacht.

De broers stuurden dus het lange veelkleurige gewaad naar hun vader met het schijnheilige verzoek het te onderzoeken of het wellicht de mantel betrof welke Jozef had toebehoord!
Hoe herkenbaar is in die gang van zaken de tegenbeeldige betekenis. We kunnen dan immers meteen denken aan wat er, volgens Leviticus 16, op de jaarlijkse Verzoendag moest gebeuren. Het bloed van Yeshua Masjiach als het bloed van een zondebok, een zondoffer, werd – in typologische zin - aan de Vader aangeboden:

En Aäron zal zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der zonen van Israël en al hun overtredingen in al hun zonden belijden; hij zal die op de kop van de bok leggen en die door iemand, die daarvoor gereed staat, naar de wildernis laten brengen. Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een onvruchtbaar land, en hij zal die bok in de wildernis vrijlaten. 

De echte, ware vervulling van die typologie geschiedde uiteraard in 33 AD, toen Yeshua, veertig dagen na zijn [geestelijke] opstanding uit zijn offerdood, ten hemel opsteeg, het ware Allerheiligste binnenging en de waarde van zijn offer eens en voor altijd aan zijn Vader aanbood:

Want de Masjiach ging niet binnen in een met handen gemaakte meest heilige plaats, kopie van de ware, maar in de hemel zelf, om nu ten behoeve van ons voor Gods aangezicht te verschijnen. Ook niet opdat hij zichzelf dikwijls [ten offer] zou opdragen, zoals de hogepriester jaarlijks binnengaat in de meest heilige plaats met vreemd bloed.
Anders moest hij dikwijls lijden sinds [de] grondlegging der wereld. Maar nu is hij eens voor altijd, bij de voleinding der eeuwen, openbaar gemaakt voor terzijdestelling van de zonde door zijn slachtoffer.
(Hb 9:24-26)

Jakob meende nu met zekerheid te weten dat Jozef ten prooi aan een roofdier was gevallen; en hoewel al zijn zonen en zijn dochters hem wilden troosten, reageerde hij daarop niet. Hoe kon hij ook? De troost van zijn zonen was tenslotte slechts een uitdrukking van grove schijnheiligheid. Hij vertelt hen dat de pijn van zijn rouw niet zal worden verlicht totdat hij, door de dood, in Sjeool zal moeten afdalen.

Uit al deze typologische feiten kunnen we niet anders dan concluderen dat Israël als natie sinds 33 AD in de sfeer van een flagrante leugen heeft geleefd, en uiteraard haar religieuze elite in het bijzonder.

Hoofdstuk 38 


1. Nu geschiedde het in die tussentijd dat Juda van zijn broers wegtrok naar lagere streken, waar hij zich vestigde nabij een man, een Adullamiet, genaamd Hira.   

Het verhaal over Jozef wordt hier onderbroken, en dat uiteraard met een goddelijke bedoeling. Welke? Blijkbaar om de schaamte van een belangrijk deel van Israëls geschiedenis bloot te leggen in samenhang met de stam Juda.
Juda wordt hier immers getoond als degene die zijn broers verlaat, terwijl niettemin juist zijn wederwaardigheden gedetailleerd worden verhaald, in tegenstelling tot die van de overige tien broers.
En inderdaad is Israëls lange geschiedenis - met als kernpunt hun verwerping van hun ware Masjiach - vrijwel uitsluitend die van de stam Juda gebleken.
In zijn sterfbedprofetie liet ook Jakob zelf dat punt krachtig uitkomen:

Juda, jou zullen je broeders loven. Jouw hand zal op de nek van je vijanden zijn. De zonen van je vader zullen zich voor je neerwerpen.
Een leeuwenwelp is Juda. Van de prooi, mijn zoon, zal je omhoog komen. Hij kromde zich, hij strekte zich uit als een leeuw en, als een leeuw, wie durft hem opjagen?
De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt; en hem zullen de volken gehoorzamen.
(Gn 49:8-10)

Genesis 37 sloot af met het verslag over Jakobs zonen die hun broer Jozef aan de Midianieten verkochten, die hem - op hun beurt – naar Egypte verkochten.
In voorafbeelding spreekt dat van een Masjiach die door zijn eigen volk Israël wordt verworpen en aan de Heidenen overgeleverd. Vanaf dát moment - toen de Joodse leiders hun Masjiach overgaven in de handen van Pilatus - hadden ze als natie geen verdere betrekkingen met hem. Op zijn beurt keerde YHWH Elohim zich van hen af, zich juist wendend tot de Heidenen (Goyim).
Vergelijk maar het verslag in het Boek Handelingen, hoofdstuk 13; in het bijzonder vanaf vers 44.

Bijgevolg vindt er in dit stadium een ​​belangrijke wending in ons type plaats. Jozef wordt nu gezien in de handen van de Heidenen.
Maar voordat ons wordt verteld wat er met hem in Egypte ging gebeuren, volgt Elohims heilige geest voor ons, op typerende wijze, de geschiedenis van de Joden, terwijl de tegenbeeldige ‘Jozef’ afwezig is in het land.

2. En Juda zag daar een dochter van een zekere Kanaäniet, genaamd Sua. Hij dan nam haar en had betrekkingen met haar. 

Zoals we al in het vorige hoofdstuk zagen, nam Juda het voortouw om Jozef als slaaf te verkopen. In feite is in elke relatie van Juda zijn schaamte en schande duidelijk. Hij verkocht zijn broer, hij bedroog zijn vader en huwde vervolgens een Kanaänitische vrouw. Hoe treffend is dat alles!
Juda werd de vertegenwoordiger van al zijn broers. En in die hoedanigheid zien we hem ronddwalen en zich mengen met de Goyim [Heidenen], precies zoals met Israël in de huidige tijd het geval is.

Kanaäniet betekent de koopman en Sua betekent rijkdom.
Hoe duidelijk geeft de betekenis van die namen ons inzicht in de voornaamste kenmerken van de Joden gedurende de eeuwen die volgden op hun afwijzing van de antitypische Jozef!
We onderscheiden dat Israël haar spirituele waarden die ze eens had, voornamelijk heeft ingeruild voor winstgevende activiteiten op de wereldmarkten. Ze zijn niet langer de gevestigde landlieden en de rustige herders als vanouds; maar in plaats daarvan reizende kooplieden. En rijkdom is voor velen van hen het grote streven geweest. Er is opgemerkt dat Joden opmerkelijk succesvol blijken te zijn in de ophoping van rijkdom; dat zij erin slagen geld te verdienen waar een Heiden zou verhongeren of snel failliet zou gaan!

Wat dat betreft herinneren we ons echter de boodschap die de verheerlijkte Masjiach tegen het einde van de Eerste eeuw bij voorbaat tot de Joodse Eindtijdgemeenschap richtte, vertegenwoordigd door de ‘gemeenschap van Laodicea’ :

Dit zegt de Amen, de Getuige die getrouw en waarachtig is, het begin van de schepping Gods. Ik ben bekend met je werken dat je noch koud noch heet bent; was je maar koud of heet! Zo dan, omdat je lauw bent en noch heet noch koud, ga ik je uit mijn mond spuwen. Omdat je zegt Ik ben rijk en ik heb me verrijkt en aan niets heb ik gebrek, terwijl het je ontgaat dat jij de ellendige en deerniswekkende en arme en blinde en naakte bent, raad ik je aan bij mij goud te kopen dat in vuur gelouterd is, opdat je rijk moogt worden; ook witte bovenklederen opdat je je moogt kleden en de schande van je naaktheid niet openbaar wordt, en oogzalf om je ogen te bestrijken opdat je moogt zien. Allen voor wie ik genegenheid koester wijs ik terecht en tuchtig ik; wees daarom ijverig en kom tot inkeer.
(Op 3:14-19)

In die nu snel naderende Laatste dagen zal het krachtige werk van de heilige geest van YHWH Elohim, in combinatie met de manifestatie van de Heer Yeshua in heerlijkheid, veroorzaken dat de trotse arrogantie van Juda tenietgedaan zal worden (Zc 12:7-14), dus precies zó als we zullen zien in Gn 44:18-44 >> Juda, geconfronteerd met de machthebber van Egypte – de voor hem niet herkenbare Jozef – verslagen; ‘kapot’ om zo te zeggen.

3. En zij werd zwanger. Later baarde zij een zoon en hij gaf hem de naam Er.
4. Daarna werd zij opnieuw zwanger, baarde een zoon en gaf hem de naam Onan
5. Vervolgens baarde zij nogmaals een zoon en noemde hem Selah. Nu bevond hij zich in Kezib toen zij hem baarde.
6. Mettertijd nam Juda een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Tamar.
7. Maar Er, Juda’s eerstgeborene, bleek slecht te zijn in de ogen van YHWH; daarom bracht YHWH hem ter dood.
8. Toen zei Juda tot Onan: Heb betrekkingen met de vrouw van je broer en sluit een zwagerhuwelijk met haar en verwek zaad voor je broer.
9. Maar Onan wist dat het zaad niet voor hem zou worden; daarom gebeurde het telkens, als hij betrekkingen had met de vrouw van zijn broer, dat hij [zijn zaad] op de grond verspilde, om geen zaad aan zijn broer te geven. 
10. Wat hij deed nu, was slecht in de ogen van YHWH; daarom bracht hij ook hem ter dood.
11. Toen zei Juda tot zijn schoondochter Tamar: Woon als weduwe in het huis van je vader totdat mijn zoon Selah opgegroeid is. Want hij zei bij zichzelf: Wellicht sterft ook hij, net als zijn broers. Bijgevolg ging Tamar heen en bleef in het huis van haar eigen vader wonen.

Drie zonen werden aan Juda geboren door Sua, en als de betekenis van hun namen wordt gesuggereerd:
Er — ontwaken; Onan — dynamische energie; Selah — smeekbede.
Die namen markeren in zekere zin de Joden door de eeuwen van het huidige tijdperk heen.

Er bleek slecht te zijn in de ogen van YHWH Elohim, vandaar dat hij Er ter dood bracht. In antitype zou Er waarschijnlijk de meerderheid van de Joden kunnen vertegenwoordigen die hun religieuze energie gebruiken om haat en vijandschap op te wekken tegen allen die Yeshua accepteren als de Gezalfde van YHWH Elohim. De ouderwetse vijandschap derhalve die vandaag net zo levend lijkt als het was op de dag toen ze uit de diepe haat van hun hart riepen: Aan de paal met hem! Aan de paal met hem!
De loutere vermelding van de naam Yeshua van Nazareth is voor velen van hen voldoende om ervoor te zorgen dat ze vreselijke veroordelingen uiten.

Dynamische energie [Onan, de tweede zoon] past zeker ook bij deze mensen. Hij stemde ermee in om de weduwe van Er als zijn vrouw te nemen en een ​​kind te krijgen dat officieel zijn broer zou toebehoren. Maar hij voltooide zijn contract niet eervol, en Elohim vond dit ernstig genoeg om ook hem te doden. De reden was zijn absolute egoïsme, want het kind zou officieel niet de zijne zijn.

Onans egoïsme herinnert ons aan de figuur Peloni Almoni uit het verhaal van Ruth. Als de voorspelde pseudo-masjiach vervult hij het beeld van Peloni Almoni die in de poort van Bethlehem voor de oudsten moest toegeven: Ik kan niet lossen, hoewel hij aanvankelijk de bereidheid had getoond om het veld van Elimelech uit de hand van Naomi te kopen. Hij veronderstelde dat het alleen om dat bezit ging, en gezien de leeftijd van Naomi hield hij geen rekening met de mogelijkheid van een zwagerhuwelijk om de naam van de overleden man op zijn erfgoed in stand te houden, namelijk door een zoon in zijn plaats te verwekken.

Boaz had echter iets totaal onverwachts voor Peloni Almoni in petto: Op de dag dat je het veld koopt uit de hand van Naomi, koop je Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, erbij om de naam van de gestorvene in stand te houden op zijn erfdeel.
(Ruth; hoofdstuk 4 >> Ik kan niet lossen)

Deze twee gevallen illustreren treffend de vernederende geschiedenis van de stam Juda. Aan de andere kant beschrijft Smeekbede [Selah] goed het zwakke leven van deze natie, zo bovennatuurlijk bewaard gebleven – op z’n minst een Overblijfsel - door YHWH Elohim tijdens ontelbare beproevingen en vervolgingen. Want het is de belofte van een zeker te verschijnen Overblijfsel in de Eindtijd waardoor een wonderbaarlijke opwekking voor de natie Israël goddelijk gegarandeerd is.
Selah was immers, hoewel als laatste geboren, de enige van de drie broers die in leven bleef.
Vergelijk Mattheüs 24:32-35 en Hooglied 2:11-13 .

De geïnspireerde kroniekschrijver Mozes vermeldt zorgvuldig details met betrekking tot Selahs geboorteplaats: Vervolgens baarde zij nogmaals een zoon en noemde hem Selah. Nu bevond hij [Juda] zich in Kezib toen zij hem baarde.

Kezib betekent leugen/bedrog; bijgevolg kunnen we verwachten dat de herleving van de natie zal plaatsvinden in een tijdsgewricht waarin valse profeten en valse messiassen zich overvloedig zullen manifesteren, met als climax de valse masjiach bij uitstek, de Antichrist. De natie zal dan met een mate van valsheid en bedrog geconfronteerd worden zoals nooit eerder het geval was.

Want toen Yeshua de vraag van zijn leerlingen ging beantwoorden Wat zal het teken zijn van je paroesie en van de voleinding der eeuw, vermeldde hij als eerste verschijnsel >> Velen zullen komen op basis van mijn naam en zeggen: Ik ben de masjiach en zij zullen velen misleiden. 

12. Zo werden de dagen vele en de dochter van SuaJuda’s vrouw, stierf; en Juda hield de rouwtijd. Daarna ging hij op naar de scheerders van zijn schapen, hij en zijn metgezel Hira, de Adullamiet, naar Timna.
13. Toen werd er aan Tamar meegedeeld: Zie, je schoonvader trekt op naar Timna om zijn schapen te scheren.
14. Daarop ontdeed zij zich van haar weduwkleed, bedekte zich met een sluier en omwond zich en ging aan de ingang van Enaïm zitten, dat aan de weg naar Timna ligt. Want zij zag dat Selah opgegroeid was en toch was zij hem niet tot vrouw gegeven.
15. Toen Juda haar in het oog kreeg, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar aangezicht bedekt had.
16. Hij wendde zich dan tot haar aan de kant van de weg en zei: Laat mij toch betrekkingen met je hebben. Want hij wist niet dat zij zijn schoondochter was. Zij zei echter: Wat zul je mij geven om betrekkingen met mij te hebben?
17. Hierop zei hij: Ik zal je een geitenbokje uit de kudde sturen. Maar zij zei: Als je mij dan maar een onderpand geeft totdat je het gestuurd hebt. 
18. Toen zei hij: Wat is het onderpand dat ik je geven zal? Waarop zij zei: Je zegelring, je snoer en je staf, die jij in je hand hebt. Toen gaf hij ze haar en had betrekkingen met haar, zodat zij zwanger werd van hem. 


19. Daarna stond zij op en ging heen, legde haar sluier af en trok haar weduwkleed weer aan.
20. Juda dan zond het geitenbokje door tussenkomst van zijn metgezel, de Adullamiet, om het onderpand uit de hand van de vrouw terug te krijgen, maar hij vond haar nergens. 
21. En hij ging bij de mannen van die plaats informeren en zei: Waar is die prostituee, [die] in Enaïm aan de weg [zat]? Maar zij bleven zeggen: Er is nog nooit een prostituee in deze plaats geweest.
22. Tenslotte keerde hij naar Juda terug en zei: Ik heb haar nergens gevonden, en bovendien zeiden de mannen van de plaats: Er is hier geen prostituee geweest.
23Juda dan zei: Laat zij ze voor zichzelf nemen, opdat wij niet tot verachting worden. In ieder geval heb ik dit bokje gestuurd, maar jij — jij hebt haar nergens gevonden.
24. Ongeveer drie maanden later echter gebeurde het dat er aan Juda werd meegedeeld: Je schoondochter Tamar heeft de hoer gespeeld, en zie, zij is ook zwanger van haar hoererij. Daarop zei Juda: Brengt haar naar buiten en laat zij verbrand worden.
25. Terwijl zij naar buiten werd gebracht, liet zijzelf aan haar schoonvader zeggen: Van de man aan wie deze [dingen] toebehoren, ben ik zwanger. En zij voegde eraan toe: Kijk eens goed aan wie deze [dingen] toebehoren, de zegelring en het snoer en de staf.
26. Toen herkende Juda ze en zei: Zij is rechtvaardiger dan ik, omdat ik haar niet aan mijn zoon Selah heb gegeven. En daarna had hij geen gemeenschap meer met haar.
27. Toen het nu de tijd was dat zij moest baren, bleek dat er, zie, een tweeling in haar buik was. 
28. Voorts gebeurde het toen zij baarde, dat één zijn hand uitstak, en de vroedvrouw nam terstond een scharlaken [draadje] en bond het om zijn hand en zei: Deze is het eerst te voorschijn gekomen.
29. Maar het gebeurde dat, zodra hij zijn hand terugtrok, zie, daar verscheen zijn broer, zodat zij uitriep: Wat bedoel je daarmee, dat je voor jezelf een doorbraak hebt veroorzaakt? Daarom gaf men hem de naam Perez.
30. En daarna kwam zijn broer, die het scharlaken [draadje] om zijn hand had, te voorschijn, en hem gaf men toen de naam Zera.

Het hoofdstuk eindigt met het nogal vulgaire verhaal over Tamar, waarvan de laatste delen duidelijk de Eindtijdomstandigheden der Joden voorafschaduwden.
Maar eerst lezen we dat Juda's vrouw Sua tenslotte stierf, want rijkdom (de betekenis van haar naam) neemt vleugels; ze vliegt weg >>

Tob je niet af om rijkdom te verwerven. Ga niet af op je eigen verstand. Heb jij je ogen erover laten gaan, terwijl het niets is?
Want zonder mankeren maakt hij zich vleugels als van een arend en vliegt weg naar de hemel.

(Sp 23:4-5. En we herinneren nogmaals aan Op 3:14-22).

Sua’s dood leidde er niet toe dat Juda zich daardoor voor hulp tot YHWH, zijn Elohim, richtte. Integendeel zelfs, hij wendde zich tot het gezelschap van iemand van wie hij veronderstelde dat ze een prostituee was.
Hij had beloofd zijn jongste zoon Selah aan Tamar te geven, maar hij had zijn belofte niet gehouden.
Tamar nam daarom het heft in eigen hand en poseerde bedrieglijk als een prostituee om Juda te verleiden. Toen hij haar beloofde een geitenbokje als betaling voor zijn ontucht te sturen, eiste ze enige zekerheid en hij gaf haar drie dingen die onmiskenbaar zijn eigendom waren. Welnu, Tamars missie mocht ‘geslaagd’ genoemd worden. Zij werd zelfs zwanger van een tweeling..

Bijgevolg – wat betreft de vervulling van de typologie van dit toch wel bizarre verhaal - zullen er tijdens de periode van de weergaloos Grote Verdrukking twee gezelschappen op Israëls religieuze toneel verschijnen, zoals trouwens steeds weer is gebleken in de geschiedenis van de natie.

De eerste, toepasselijk genaamd Perez, wat breuk betekent, geeft bij voorbaat te kennen dat de meerderheid van de natie volledig zal breken met YHWH, hun Elohim. In plaats daarvan zal ze haar eigen ‘masjiach’, de Antichrist, de Pseudo masjiach, inhalen en adoreren. De natie zal dan een mate van leugen en bedrog ervaren zoals nooit eerder het geval was.

Tamars tweede zoon echter, Zerah, die van het scharlakenrode draadje om zijn hand, verwijst naar het goddelijk Overblijfsel dat dan juist zal worden gered; vergelijkbaar met Rachab en haar familie die redding ervoeren op grond van het scharlaken koord.

In Jesaja 10:20-23 ontvangen we dienaangaande heldere, profetische bevestiging:

En het zal geschieden op die dag dat zij die van Israël overblijven en zij die ontkomen zijn van het Huis van Jakob, nooit meer zullen steunen op degene die hen sloeg, maar zij zullen steunen op YHWH, de Heilige Israëls, in waarachtigheid. Slechts een overblijfsel zal terugkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de Sterke God.

Want al zou uw volk, o Israël, als de zandkorrels der zee blijken te zijn, slechts een overblijfsel onder hen zal terugkeren. Een verdelging waartoe besloten is, zal als een vloed doorstromen in rechtvaardigheid. Want een verdelging en een strenge beslissing zal de Heer, YHWH der legerscharen, voltrekken in het midden van het gehele land. 


1. Nu geschiedde het in die tussentijd dat Juda van zijn broers wegtrok naar lagere streken, waar hij zich vestigde nabij een man, een Adullamiet, genaamd Hira.   

Het verhaal over Jozef wordt hier onderbroken, en dat uiteraard met een goddelijke bedoeling. Welke? Blijkbaar om de schaamte van een belangrijk deel van Israëls geschiedenis bloot te leggen in samenhang met de stam Juda.
Juda wordt hier immers getoond als degene die zijn broers verlaat, terwijl niettemin juist zijn wederwaardigheden gedetailleerd worden verhaald, in tegenstelling tot die van de overige tien broers.
En inderdaad is Israëls lange geschiedenis - met als kernpunt hun verwerping van hun ware Masjiach - vrijwel uitsluitend die van de stam Juda gebleken.
In zijn sterfbedprofetie liet ook Jakob zelf dat punt krachtig uitkomen:

Juda, jou zullen je broeders loven. Jouw hand zal op de nek van je vijanden zijn. De zonen van je vader zullen zich voor je neerwerpen.
Een leeuwenwelp is Juda. Van de prooi, mijn zoon, zal je omhoog komen. Hij kromde zich, hij strekte zich uit als een leeuw en, als een leeuw, wie durft hem opjagen?
De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt; en hem zullen de volken gehoorzamen.
(Gn 49:8-10)

Genesis 37 sloot af met het verslag over Jakobs zonen die hun broer Jozef aan de Midianieten verkochten, die hem - op hun beurt – naar Egypte verkochten.
In voorafbeelding spreekt dat van een Masjiach die door zijn eigen volk Israël wordt verworpen en aan de Heidenen overgeleverd. Vanaf dát moment - toen de Joodse leiders hun Masjiach overgaven in de handen van Pilatus - hadden ze als natie geen verdere betrekkingen met hem. Op zijn beurt keerde YHWH Elohim zich van hen af, zich juist wendend tot de Heidenen (Goyim).
Vergelijk maar het verslag in het Boek Handelingen, hoofdstuk 13; in het bijzonder vanaf vers 44.

Bijgevolg vindt er in dit stadium een ​​belangrijke wending in ons type plaats. Jozef wordt nu gezien in de handen van de Heidenen.
Maar voordat ons wordt verteld wat er met hem in Egypte ging gebeuren, volgt Elohims heilige geest voor ons, op typerende wijze, de geschiedenis van de Joden, terwijl de tegenbeeldige ‘Jozef’ afwezig is in het land.

2. En Juda zag daar een dochter van een zekere Kanaäniet, genaamd Sua. Hij dan nam haar en had betrekkingen met haar. 

Zoals we al in het vorige hoofdstuk zagen, nam Juda het voortouw om Jozef als slaaf te verkopen. In feite is in elke relatie van Juda zijn schaamte en schande duidelijk. Hij verkocht zijn broer, hij bedroog zijn vader en huwde vervolgens een Kanaänitische vrouw. Hoe treffend is dat alles!
Juda werd de vertegenwoordiger van al zijn broers. En in die hoedanigheid zien we hem ronddwalen en zich mengen met de Goyim [Heidenen], precies zoals met Israël in de huidige tijd het geval is.

Kanaäniet betekent de koopman en Sua betekent rijkdom.
Hoe duidelijk geeft de betekenis van die namen ons inzicht in de voornaamste kenmerken van de Joden gedurende de eeuwen die volgden op hun afwijzing van de antitypische Jozef!
We onderscheiden dat Israël haar spirituele waarden die ze eens had, voornamelijk heeft ingeruild voor winstgevende activiteiten op de wereldmarkten. Ze zijn niet langer de gevestigde landlieden en de rustige herders als vanouds; maar in plaats daarvan reizende kooplieden. En rijkdom is voor velen van hen het grote streven geweest. Er is opgemerkt dat Joden opmerkelijk succesvol blijken te zijn in de ophoping van rijkdom; dat zij erin slagen geld te verdienen waar een Heiden zou verhongeren of snel failliet zou gaan!

Wat dat betreft herinneren we ons echter de boodschap die de verheerlijkte Masjiach tegen het einde van de Eerste eeuw bij voorbaat tot de Joodse Eindtijdgemeenschap richtte, vertegenwoordigd door de ‘gemeenschap van Laodicea’ :

Dit zegt de Amen, de Getuige die getrouw en waarachtig is, het begin van de schepping Gods. Ik ben bekend met je werken dat je noch koud noch heet bent; was je maar koud of heet! Zo dan, omdat je lauw bent en noch heet noch koud, ga ik je uit mijn mond spuwen. Omdat je zegt Ik ben rijk en ik heb me verrijkt en aan niets heb ik gebrek, terwijl het je ontgaat dat jij de ellendige en deerniswekkende en arme en blinde en naakte bent, raad ik je aan bij mij goud te kopen dat in vuur gelouterd is, opdat je rijk moogt worden; ook witte bovenklederen opdat je je moogt kleden en de schande van je naaktheid niet openbaar wordt, en oogzalf om je ogen te bestrijken opdat je moogt zien. Allen voor wie ik genegenheid koester wijs ik terecht en tuchtig ik; wees daarom ijverig en kom tot inkeer.
(Op 3:14-19)

In die nu snel naderende Laatste dagen zal het krachtige werk van de heilige geest van YHWH Elohim, in combinatie met de manifestatie van de Heer Yeshua in heerlijkheid, veroorzaken dat de trotse arrogantie van Juda tenietgedaan zal worden (Zc 12:7-14), dus precies zó als we zullen zien in Gn 44:18-44 >> Juda, geconfronteerd met de machthebber van Egypte – de voor hem niet herkenbare Jozef – verslagen; ‘kapot’ om zo te zeggen.

3. En zij werd zwanger. Later baarde zij een zoon en hij gaf hem de naam Er.
4. Daarna werd zij opnieuw zwanger, baarde een zoon en gaf hem de naam Onan
5. Vervolgens baarde zij nogmaals een zoon en noemde hem Selah. Nu bevond hij zich in Kezib toen zij hem baarde.
6. Mettertijd nam Juda een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Tamar.
7. Maar Er, Juda’s eerstgeborene, bleek slecht te zijn in de ogen van YHWH; daarom bracht YHWH hem ter dood.
8. Toen zei Juda tot Onan: Heb betrekkingen met de vrouw van je broer en sluit een zwagerhuwelijk met haar en verwek zaad voor je broer.
9. Maar Onan wist dat het zaad niet voor hem zou worden; daarom gebeurde het telkens, als hij betrekkingen had met de vrouw van zijn broer, dat hij [zijn zaad] op de grond verspilde, om geen zaad aan zijn broer te geven. 
10. Wat hij deed nu, was slecht in de ogen van YHWH; daarom bracht hij ook hem ter dood.
11. Toen zei Juda tot zijn schoondochter Tamar: Woon als weduwe in het huis van je vader totdat mijn zoon Selah opgegroeid is. Want hij zei bij zichzelf: Wellicht sterft ook hij, net als zijn broers. Bijgevolg ging Tamar heen en bleef in het huis van haar eigen vader wonen.

Drie zonen werden aan Juda geboren door Sua, en als de betekenis van hun namen wordt gesuggereerd:
Er — ontwaken; Onan — dynamische energie; Selah — smeekbede.
Die namen markeren in zekere zin de Joden door de eeuwen van het huidige tijdperk heen.

Er bleek slecht te zijn in de ogen van YHWH Elohim, vandaar dat hij Er ter dood bracht. In antitype zou Er waarschijnlijk de meerderheid van de Joden kunnen vertegenwoordigen die hun religieuze energie gebruiken om haat en vijandschap op te wekken tegen allen die Yeshua accepteren als de Gezalfde van YHWH Elohim. De ouderwetse vijandschap derhalve die vandaag net zo levend lijkt als het was op de dag toen ze uit de diepe haat van hun hart riepen: Aan de paal met hem! Aan de paal met hem!
De loutere vermelding van de naam Yeshua van Nazareth is voor velen van hen voldoende om ervoor te zorgen dat ze vreselijke veroordelingen uiten.

Dynamische energie [Onan, de tweede zoon] past zeker ook bij deze mensen. Hij stemde ermee in om de weduwe van Er als zijn vrouw te nemen en een ​​kind te krijgen dat officieel zijn broer zou toebehoren. Maar hij voltooide zijn contract niet eervol, en Elohim vond dit ernstig genoeg om ook hem te doden. De reden was zijn absolute egoïsme, want het kind zou officieel niet de zijne zijn.

Onans egoïsme herinnert ons aan de figuur Peloni Almoni uit het verhaal van Ruth. Als de voorspelde pseudo-masjiach vervult hij het beeld van Peloni Almoni die in de poort van Bethlehem voor de oudsten moest toegeven: Ik kan niet lossen, hoewel hij aanvankelijk de bereidheid had getoond om het veld van Elimelech uit de hand van Naomi te kopen. Hij veronderstelde dat het alleen om dat bezit ging, en gezien de leeftijd van Naomi hield hij geen rekening met de mogelijkheid van een zwagerhuwelijk om de naam van de overleden man op zijn erfgoed in stand te houden, namelijk door een zoon in zijn plaats te verwekken.

Boaz had echter iets totaal onverwachts voor Peloni Almoni in petto: Op de dag dat je het veld koopt uit de hand van Naomi, koop je Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, erbij om de naam van de gestorvene in stand te houden op zijn erfdeel.
(Ruth; hoofdstuk 4 >> Ik kan niet lossen)

Deze twee gevallen illustreren treffend de vernederende geschiedenis van de stam Juda. Aan de andere kant beschrijft Smeekbede [Selah] goed het zwakke leven van deze natie, zo bovennatuurlijk bewaard gebleven – op z’n minst een Overblijfsel - door YHWH Elohim tijdens ontelbare beproevingen en vervolgingen. Want het is de belofte van een zeker te verschijnen Overblijfsel in de Eindtijd waardoor een wonderbaarlijke opwekking voor de natie Israël goddelijk gegarandeerd is.
Selah was immers, hoewel als laatste geboren, de enige van de drie broers die in leven bleef.
Vergelijk Mattheüs 24:32-35 en Hooglied 2:11-13 .

De geïnspireerde kroniekschrijver Mozes vermeldt zorgvuldig details met betrekking tot Selahs geboorteplaats: Vervolgens baarde zij nogmaals een zoon en noemde hem Selah. Nu bevond hij [Juda] zich in Kezib toen zij hem baarde.

Kezib betekent leugen/bedrog; bijgevolg kunnen we verwachten dat de herleving van de natie zal plaatsvinden in een tijdsgewricht waarin valse profeten en valse messiassen zich overvloedig zullen manifesteren, met als climax de valse masjiach bij uitstek, de Antichrist. De natie zal dan met een mate van valsheid en bedrog geconfronteerd worden zoals nooit eerder het geval was.

Want toen Yeshua de vraag van zijn leerlingen ging beantwoorden Wat zal het teken zijn van je paroesie en van de voleinding der eeuw, vermeldde hij als eerste verschijnsel >> Velen zullen komen op basis van mijn naam en zeggen: Ik ben de masjiach en zij zullen velen misleiden. 

12. Zo werden de dagen vele en de dochter van SuaJuda’s vrouw, stierf; en Juda hield de rouwtijd. Daarna ging hij op naar de scheerders van zijn schapen, hij en zijn metgezel Hira, de Adullamiet, naar Timna.
13. Toen werd er aan Tamar meegedeeld: Zie, je schoonvader trekt op naar Timna om zijn schapen te scheren.
14. Daarop ontdeed zij zich van haar weduwkleed, bedekte zich met een sluier en omwond zich en ging aan de ingang van Enaïm zitten, dat aan de weg naar Timna ligt. Want zij zag dat Selah opgegroeid was en toch was zij hem niet tot vrouw gegeven.
15. Toen Juda haar in het oog kreeg, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar aangezicht bedekt had.
16. Hij wendde zich dan tot haar aan de kant van de weg en zei: Laat mij toch betrekkingen met je hebben. Want hij wist niet dat zij zijn schoondochter was. Zij zei echter: Wat zul je mij geven om betrekkingen met mij te hebben?
17. Hierop zei hij: Ik zal je een geitenbokje uit de kudde sturen. Maar zij zei: Als je mij dan maar een onderpand geeft totdat je het gestuurd hebt. 
18. Toen zei hij: Wat is het onderpand dat ik je geven zal? Waarop zij zei: Je zegelring, je snoer en je staf, die jij in je hand hebt. Toen gaf hij ze haar en had betrekkingen met haar, zodat zij zwanger werd van hem. 


19. Daarna stond zij op en ging heen, legde haar sluier af en trok haar weduwkleed weer aan.
20. Juda dan zond het geitenbokje door tussenkomst van zijn metgezel, de Adullamiet, om het onderpand uit de hand van de vrouw terug te krijgen, maar hij vond haar nergens. 
21. En hij ging bij de mannen van die plaats informeren en zei: Waar is die prostituee, [die] in Enaïm aan de weg [zat]? Maar zij bleven zeggen: Er is nog nooit een prostituee in deze plaats geweest.
22. Tenslotte keerde hij naar Juda terug en zei: Ik heb haar nergens gevonden, en bovendien zeiden de mannen van de plaats: Er is hier geen prostituee geweest.
23Juda dan zei: Laat zij ze voor zichzelf nemen, opdat wij niet tot verachting worden. In ieder geval heb ik dit bokje gestuurd, maar jij — jij hebt haar nergens gevonden.
24. Ongeveer drie maanden later echter gebeurde het dat er aan Juda werd meegedeeld: Je schoondochter Tamar heeft de hoer gespeeld, en zie, zij is ook zwanger van haar hoererij. Daarop zei Juda: Brengt haar naar buiten en laat zij verbrand worden.
25. Terwijl zij naar buiten werd gebracht, liet zijzelf aan haar schoonvader zeggen: Van de man aan wie deze [dingen] toebehoren, ben ik zwanger. En zij voegde eraan toe: Kijk eens goed aan wie deze [dingen] toebehoren, de zegelring en het snoer en de staf.
26. Toen herkende Juda ze en zei: Zij is rechtvaardiger dan ik, omdat ik haar niet aan mijn zoon Selah heb gegeven. En daarna had hij geen gemeenschap meer met haar.
27. Toen het nu de tijd was dat zij moest baren, bleek dat er, zie, een tweeling in haar buik was. 
28. Voorts gebeurde het toen zij baarde, dat één zijn hand uitstak, en de vroedvrouw nam terstond een scharlaken [draadje] en bond het om zijn hand en zei: Deze is het eerst te voorschijn gekomen.
29. Maar het gebeurde dat, zodra hij zijn hand terugtrok, zie, daar verscheen zijn broer, zodat zij uitriep: Wat bedoel je daarmee, dat je voor jezelf een doorbraak hebt veroorzaakt? Daarom gaf men hem de naam Perez.
30. En daarna kwam zijn broer, die het scharlaken [draadje] om zijn hand had, te voorschijn, en hem gaf men toen de naam Zera.

Het hoofdstuk eindigt met het nogal vulgaire verhaal over Tamar, waarvan de laatste delen duidelijk de Eindtijdomstandigheden der Joden voorafschaduwen.
Maar eerst lezen we dat Juda's vrouw Sua tenslotte stierf, want rijkdom (de betekenis van haar naam) neemt vleugels; ze vliegt weg >>

Tob je niet af om rijkdom te verwerven. Ga niet af op je eigen verstand. Heb jij je ogen erover laten gaan, terwijl het niets is?
Want zonder mankeren maakt hij zich vleugels als van een arend en vliegt weg naar de hemel.

(Sp 23:4-5. En we herinneren nogmaals aan Op 3:14-22).

Sua’s dood leidde er niet toe dat Juda zich daardoor voor hulp tot YHWH, zijn Elohim, richtte. Integendeel zelfs, hij wendde zich tot het gezelschap van iemand van wie hij veronderstelde dat ze een prostituee was.
Hij had beloofd zijn jongste zoon Selah aan Tamar te geven, maar hij had zijn belofte niet gehouden.
Tamar nam daarom het heft in eigen hand en poseerde bedrieglijk als een prostituee om Juda te verleiden. Toen hij haar beloofde een geitenbokje als betaling voor zijn ontucht te sturen, eiste ze enige zekerheid en hij gaf haar drie dingen die onmiskenbaar zijn eigendom waren. Welnu, Tamars missie mocht ‘geslaagd’ genoemd worden. Zij werd zelfs zwanger van een tweeling..

Bijgevolg – wat betreft de vervulling van de typologie van dit toch wel bizarre verhaal - zullen er tijdens de periode van de weergaloos Grote Verdrukking twee gezelschappen op Israëls religieuze toneel verschijnen, zoals trouwens steeds weer is gebleken in de geschiedenis van de natie.

De eerste, toepasselijk genaamd Perez, wat breuk betekent, geeft bij voorbaat te kennen dat de meerderheid van de natie volledig zal breken met YHWH, hun Elohim. In plaats daarvan zal ze haar eigen ‘masjiach’, de Antichrist, de Pseudo masjiach, inhalen en adoreren. De natie zal dan een mate van leugen en bedrog ervaren zoals nooit eerder het geval was.

Tamars tweede zoon echter, Zerah, die van het scharlakenrode draadje om zijn hand, verwijst naar het goddelijk Overblijfsel dat dan juist zal worden gered; vergelijkbaar met Rachab en haar familie die redding ervoeren op grond van het scharlaken koord.

In Jesaja 10:20-23 ontvangen we dienaangaande heldere, profetische bevestiging:

En het zal geschieden op die dag dat zij die van Israël overblijven en zij die ontkomen zijn van het Huis van Jakob, nooit meer zullen steunen op degene die hen sloeg, maar zij zullen steunen op YHWH, de Heilige Israëls, in waarachtigheid. Slechts een overblijfsel zal terugkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de Sterke God.

Want al zou uw volk, o Israël, als de zandkorrels der zee blijken te zijn, slechts een overblijfsel onder hen zal terugkeren. Een verdelging waartoe besloten is, zal als een vloed doorstromen in rechtvaardigheid. Want een verdelging en een strenge beslissing zal de Heer, YHWH der legerscharen, voltrekken in het midden van het gehele land. 


1. Wat Jozef betreft, hij werd naar Egypte gebracht, en Potifar, een hofbeambte van Farao, de overste van de lijfwacht, een Egyptenaar, kocht hem ten slotte uit de hand van de Ismaëlieten die hem daarheen hadden gebracht. 
2. Maar YHWH bleek met Jozef te zijn, zodat hij een succesvol man werd en over het huis van zijn meester, de Egyptenaar, kwam te staan. 
3. Zijn meester dan zag dat YHWH met hem was en dat YHWH alles wat hij deed, in zijn hand liet gelukken.
4. En Jozef bleef gunst in zijn ogen vinden en bediende hem voortdurend, zodat hij hem over zijn huis aanstelde, en alles wat hij had, gaf hij in zijn hand. 
5. En het gevolg was dat vanaf de tijd dat hij hem aangesteld had over zijn huis en over alles wat hij had, YHWH het huis van de Egyptenaar dankzij Jozef bleef zegenen, en YHWHs zegen kwam te rusten op alles wat hij had, in het huis en op het veld. 
6. Tenslotte liet hij alles wat hij had, in Jozefs hand; en hij wist volstrekt niet wat er bij hem was, uitgezonderd het brood dat hij at. Bovendien werd Jozef schoon van gestalte en schoon van uiterlijk.

1.) Er lijkt een verband gesuggereerd te worden ​​tussen het schandelijke gedrag van Juda in hoofdstuk 38 enerzijds, en het kuise gedrag van Jozef in dit hoofdstuk anderzijds.
Het zal echter blijken dat Genesis 39 in zekere zin ook een nieuw begin inhoudt.

2.) Omdat we in dit hoofdstuk geconfronteerd worden met de persoon Jozef in de periode van zijn vermeende dood, zoals door zijn vader Jakob werd geloofd, en trouwens ook door de 11 broers was gesuggereerd, moeten we bij onze interpretatie consequent zijn. Hoe?

Door de tegenbeelden van Jozefs ervaringen te zoeken in die van zijn prototype Yeshua, maar dan in de werkelijke situatie van diens dood, opstanding en terugkeer naar de hemel, aan de rechterhand van zijn vader YHWH Elohim.

In hoofdstuk 38 hebben we ons trouwens ook aan die consequente lijn van interpretatie gehouden, door de wederwaardigheden van Juda en Tamar in het licht te zien van Israëls situatie tijdens de afgelopen 19 eeuwen, te beginnen ná hun verwerping van Yeshua als hun Masjiach.

Bij het interpreteren van Jozefs nieuwe situatie, vanaf dit hoofdstuk (39), komen we dan vooral uit bij de wederwaardigheden van Yeshua’s Gemeentelichaam vanaf Pinksteren 33 AD.
Zie voor de waarschijnlijke juistheid van die benadering de gematria resultaten van hoofdstuk 39; in de studie >> Gematria Genesis 39.

In dit stadium doet zich een belangrijke wending in type voor: Jozef nauw in contact met mensen die tot het Heidendom behoren; binnen de Goyim derhalve, en buiten het land Israël. Een nogal gewijzigde invalshoek qua voorafbeeldingen, zeker als we Jozefs geheel nieuwe situatie in aanmerking nemen: de gestalte van een slaaf, maar dan aanvankelijk wel die van een welvarende slaaf in het huis van Potifar, omdat YHWH met Jozef was en bijgevolg ook Jesaja 53:10 vervuld werd: In zijn hand zal hetgeen het welbehagen van YHWH is, gelukken.

Vandaar dat we lezen dat YHWH het huis van de Egyptenaar dankzij Jozef bleef zegenen, en YHWHs zegen kwam te rusten op alles wat hij had, in het huis en op het veld. 
Hoe zou het anders kunnen, omdat Jozef een type van Yeshua is, Degene die totaal anders was dan elke andere dienaar die Elohim ooit had. De vrees voor YHWH was op hem (Js 11:2). Inderdaad, zo getrouw diende hij het doel van Elohim dat hij kon zeggen: Ik doe altijd de dingen die hem behagen (Jh 8:29).

Niettemin ervoer hij, de dierbaarste Zoon van Elohim, pogingen tot verleiding, evenals Jozef die ondervond.
Het goddelijk geïnspireerde bericht onthult ons daarover getrouw en in detail:

7. Na deze dingen nu gebeurde het dat de vrouw van zijn meester haar ogen naar Jozef ging opslaan en zei: Kom bij mij liggen.  
8. Maar steeds weigerde hij en zei dan tot de vrouw van zijn meester: Zie, mijn meester weet niet wat er bij mij in het huis is, en alles wat hij bezit, heeft hij in mijn hand gegeven. 
9. Niemand in dit huis is groter dan ik, en volstrekt niets heeft hij mij onthouden behalve u, omdat gij zijn vrouw zijt. Hoe zou ik dan deze grote slechtheid kunnen begaan en in werkelijkheid zondigen tegen God?
10. Het gevolg dan was dat, terwijl zij dag aan dag tot Jozef sprak, hij nooit naar haar luisterde om naast haar te komen liggen, om bij haar te blijven. 
11. Maar op zekere dag gebeurde het dat hij, zoals op andere dagen, het huis binnenging om zijn zaken te behartigen en er niemand van de mannen van het huis daar in huis was.  
12. Toen greep zij hem bij zijn kleed vast en zei: Kom bij mij liggen! Maar hij liet zijn kleed in haar hand en nam de vlucht en ging naar buiten. 

13. Het geschiedde dan dat, zodra zij zag dat hij zijn kleed in haar hand had gelaten om naar buiten te kunnen vluchten,
14. zij tot de mannen van haar huis ging roepen en tot hen zei: Ziet! Hij heeft ons een man gebracht, een Hebreeër, om ons tot een voorwerp van bespotting te maken. Hij is tot mij gekomen om bij mij te liggen, maar ik ben luidkeels gaan roepen.  
15. En het gevolg was dat zodra hij hoorde dat ik mijn stem verhief en ging roepen, hij voorts zijn kleed naast mij liet en de vlucht nam en naar buiten ging.  
16. Daarna liet zij zijn kleed naast zich liggen totdat zijn meester naar zijn huis kwam.
17. Toen sprak zij tot hem naar deze woorden en zei: De Hebreeuwse knecht die gij ons hebt gebracht, is tot mij gekomen om mij tot een voorwerp van bespotting te maken.
18. Maar ten slotte gebeurde het dat zodra ik mijn stem verhief en ging roepen, hij voorts zijn kleed naast mij liet en naar buiten vluchtte.  

Wat bijzonder!
Potifar, zijn meester, had alle dingen die hij had in de hand van Jozef overgegeven, behalve het ‘brood’ dat hij at. En nu verleidt precies dát symbolische 'brood' hem! Althans ze doet daartoe niet aflatende pogingen. En het is dus hier dat we constateren hoe de heilige geest van Elohim het relaas over de kuisheid van Jozef plaatst tegenover Juda’s onfatsoen, waarover we lazen in Genesis 38.

Omdat hij standvastig de verleiding bleef weerstaan, wordt Jozef door zijn verleidster valselijk beschuldigd, met als resultaat dat hij in de gevangenis terecht komt.

19. Het gevolg was dat zodra zijn meester de woorden van zijn vrouw hoorde, die zij tot hem sprak, toen zij zei: Zo en zo heeft je knecht mij gedaan, zijn toorn ontbrandde.  
20. Derhalve nam Jozefs meester hem en leverde hem over aan het gevangenhuis, de plaats waar de gevangenen van de koning in arrest werden gehouden, en hij bleef daar in het gevangenhuis.
21. YHWH was echter voortdurend met Jozef en bleef liefderijke goedheid aan hem bewijzen en geven dat hij gunst vond in de ogen van de overste van het gevangenhuis.  
22. Daarom gaf de overste van het gevangenhuis alle gevangenen die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en in alles wat zij daar deden, bleek hij degene te zijn die het liet doen.
23. De overste van het gevangenhuis keek naar absoluut niets om van wat in zijn hand was, omdat YHWH met [hem] was, en wat hij deed, liet YHWH gelukken.

Met Jozef in de gevangenis zien we de lijdende Masjiach. En in het volgende  hoofdstuk (4) zullen we twee anderen met hem zien lijden, twee hofbeambten van Farao, zijn schenker en zijn bakker. Zij lijden echter niet zoals Jozef; hij leed onschuldig, maar zij ontvingen naar alle waarschijnlijkheid de juiste vergelding voor hun daden, zoals de twee criminelen die tegelijk met Yeshua aan palen werden gehangen.
Eén van hen begon beledigend te spreken:

Eén van de gehangen misdadigers nu hoonde hem: Ben jij niet de Masjiach? Red jezelf en ons. Ten antwoord zei de andere echter bestraffend tot hem: Vrees zelfs jij God niet, daar je in hetzelfde oordeel bent? En wij zeker terecht, want wij ontvangen terug wat onze daden verdienen. Maar deze heeft niets verkeerds gedaan.(lukas 23)

Jozef was heerser in de kerker, en het oordeel van het geweten van zijn medegevangenen moet zijn geweest: Deze man heeft niets verkeerd gedaan.
Blijkbaar geloofde Potifar de leugen van zijn vrouw ook niet echt. Het was misschien alleen om de schijn te redden dat hij Jozef liet straffen. Als hij haar verhaal echt had geloofd, is het ondenkbaar waarom hij deze Hebreeuwse slaaf niet onmiddellijk ter dood had laten brengen. Hij kende haar karakter waarschijnlijk behoorlijk goed, en dat is dan blijkbaar tevens de verklaring voor zijn bepaald grote mildheid tegenover Jozef.

In dat opzicht kunnen we wellicht ook verklaren waarom Pilatus zo traag was in het geven van zijn toestemming om Yeshua te laten geselen en terechtstellen. Uiteraard kende hij, de landvoogd, de aard van zijn beschuldigers heel goed, en dus ook dat hij geen schuldige voor zich had die de dood verdiende. Alleen vanuit (kwalijke) politieke motieven sprak hij tenslotte het doodvonnis uit.

Niettemin stellen we vast dat Jozef een vorm van lijden ervoer door toedoen van de Heidenen. Jozef werd niet alleen benijd en gehaat door zijn eigen broers en door hén aan de Heidenen verkocht, maar hij werd ook door de Heidenen oneerlijk behandeld en onterecht in de gevangenis geworpen. Zijn Antitype had eerder soortgelijke dingen ten onrechte ervaren:

Waarom zijn natiën in tumult geraakt en hebben volken op ijdele dingen gezonnen? De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de regeerders hebben zich als één aaneengesloten tegen de Heer
[YHWH uiteraard in Psalm 2] en tegen zijn Gezalfde. Zo ook waren in deze stad zowel Herodes als Pontius Pilatustezamen met [mensen der] natiën en met volken van Israël, in werkelijkheid vergaderd tegen uw heilige knecht Yeshua, die gij hebt gezalfd, om alles te doen wat uw hand en raad van tevoren had bepaald dat zou geschieden.
(Hn 4:25-29, en gedeeltelijk ontleend aan Psalm 2 die uiteraard zijn eigenlijke vervulling nog moet krijgen in de Eindtijd).


Maar…, zoals hierboven al gesuggereerd, moeten we vanaf hoofdstuk 39, voor wat betreft de tegenbeelden van Jozefs wederwaardigheden, vooral aan Yeshua’s vertegenwoordigers op aarde denken, de leden van zijn Gemeentelichaam.
Welnu, is het niet opvallend dat de voornaamste onder de apostelen, Paulus – in Romeinen 11 door zichzelf in vers 13 aangeduid als de apostel der Heidenvolken – vanaf ongeveer het jaar 57 AD eveneens in gevangenschap raakte! En dat bovendien vrijwel van meet af binnen een Heidense omgeving, En precies zoals Jozef feitelijk zonder enige vorm van rechtspraak gevangen werd gezet, geschiedde met Paulus vrijwel hetzelfde.

Zie >>
  1. De verslagen in het Boek Handelingen vanaf Hn 21:33.
  2. Het gematriaresultaat van de vv 4, 5 en 6 van dit hoofdstuk 39 >>


En Jozef bleef gunst in zijn ogen vinden en bediende hem voortdurend, zodat hij hem over zijn huis aanstelde, en alles wat hij had, gaf hij in zijn hand.  
En het gevolg was dat vanaf de tijd dat hij hem aangesteld had over zijn huis en over alles wat hij had, YHWH het huis van de Egyptenaar dankzij Jozef bleef zegenen, en YHWHs zegen kwam te rusten op alles wat hij had, in het huis en op het veld.  
Tenslotte liet hij alles wat hij had, in Jozefs hand; en hij wist volstrekt niet wat er bij hem was, uitgezonderd het brood dat hij at. Bovendien werd Jozef schoon van gestalte en schoon van uiterlijk. 

GW 12973 ≈≈ Hn 27:41; Paulus bereikt Malta >> Toen zij op een zandbank terechtkwamen die aan beide zijden door de zee werd omspoeld, lieten zij het schip daarop vastlopen, en de voorsteven raakte vast en bleef onbeweeglijk zitten, maar de achtersteven werd door het geweld [van de golven] stukgeslagen.

Het kan niet anders of Yeshua – vanuit de hemelse regionen – leidde al deze evangelisatieactiviteit.
Hier, op het tijdstip dat Rome al bijna was bereikt. En juist vanuit die locatie zou het hoerachtige Babel haar vanouds valse, giftige, religieuze indoctrinatie, met een energie als nooit tevoren, ter hand nemen.
En het kan nauwelijks anders of we zijn in het vals religieuze stadium gekomen van Potifars (niet bij name genoemde) vrouw! Alles met de bedoeling om de jonge Christelijke gemeente compleet te verderven. 



In bewerking !

Geen opmerkingen: