Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

donderdag 9 januari 2014

Kolossenzen - Hoofdstuk 2

Kolossenzen - Hoofdstuk 2 

Θελω γαρ υμας ειδεναι ηλικον αγωνα εχω υπερ υμων και των εν Λαοδικεια και οσοι 
ουχ εορακαν το προσωπονμου εν σαρκιινα παρακληθωσιν αι καρδιαι αυτων
συμβιβασθεντες εν αγαπη και εις παν πλουτος τηςπληροφοριας της συνεσεωςεις 
επιγνωσιν του μυστηριου του θεουΧριστουεν ω εισιν παντες οι θησαυροι τηςσοφιας και γνωσεως αποκρυφοι.

1-3
 Want ik wil dat jullie weten welk een grote strijd ik heb terwille van jullie en van hen in Laodicea, en voor allen die mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien; opdat hun harten vertroost mogen worden, samengevoegd in liefde en tot alle rijkdom van de volle zekerheid van het inzicht, tot verdiepte kennis van het geheimenis Gods, van [de] Messias, in wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen [aanwezig] zijn.

Paulus heeft een zware strijd te voeren.
Met 
αγωνα vervolgt hij de metafoor van het vorige vers (1:29): αγωνιζομενος.
De apostel doelt op een innerlijke strijd die hij voert ten behoeve van alle gemeenten, zoals hij eerder ook schreef aan de Korinthiërs: 
Afgezien van de dingen van buitenaf - wat dagelijks op mij afkomt - de zorg voor al de gemeenten(2Ko 11:28).

Maar hier spreekt hij met name over de christenen met wie hij nooit persoonlijk in contact is geweest, zij die tot de drie gemeenten in het Lycusdal behoren: Laodicea, Kolosse en Hiërapolis. Het opkomend Gnosticisme blijkt een substantieel gevaar voor hen in te houden.
Met het oog dáárop zegt hij dan ook: ik wil dat jullie weten welk een grote strijd ik heb terwille van jullie; zij moeten weten wat de apostel Paulus bezig houdt; hij maakt zich zorgen over de geestelijke gevaren die hen bedreigen maar die zijzelf kennelijk niet onderscheiden, althans niet in voldoende mate. Gelet op wat hij eerder schreef in vers 9 van het eerste hoofdstuk 

Daarom houden ook wij, van de dag af dat wij ervan hoorden, niet op voor jullie te bidden en te vragen dat jullie vervuld mogen worden met de verdiepte kennis van zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht

lijkt Paulus met zijn strijd te doelen op zijn geregelde gebeden voor hen.
Van Epafras had hij vernomen hoe het er met de christenen in de Lycusvallei voorstond; bijgevolg wist hij wat hem in zijn gebeden te doen stond.
Wat Paulus’ opponenten leren is niet geestelijk verkwikkend; hun leringen hebben een verzwakkend effect op alles wat de Kolossenzen eerder door Epafras in geloof en met vreugde aanvaard hebben.

Daarom is de apostel er op uit hen te bemoedigen en hun kennis te verdiepen, vooral in het Messias' geheim. Zij moeten weer ten volle overtuigd raken van de juistheid van hun inzicht. Hoe beter een christen Gods geopenbaarde waarheid begrijpt, des te beter ook hij in staat zal zijn valse en tegenstrijdige leringen te onderscheiden én te verwerpen.
Een solide onderlinge band van liefde binnen een groepje van christenen zal hen daarin tot steun zijn; in die sfeer zal men namelijk graag op positieve wijze de geloofswaarheden met elkaar willen uitwisselen cq verdiepen. Verderop in de Brief zal Paulus zijn lezers daarom vermanen zich vooral met de goddelijke liefde [
αγαπη; agapè] te 'bekleden'.
In wie [de Messias] al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen [aanwezig] zijn… Opnieuw onderstreept Paulus Jezus' superioriteit. Hoe armzalig worden in vergelijking daarmee de troebele bronnen van de dwaalleraren.
Alles op het gebied van wijsheid en kennis is in de Messias voorhanden.
Verborgen moeten we daarom vooral begrijpen in de zin van 
verborgen aanwezig zijnZeker, voor hen die er geen behagen in scheppen blijven die schatten verborgen, maar ze zijn toegankelijk voor hen die Gods liefderijke gunst waarderen.
Vergelijk Ps 37:30-31Sp 4:1-13.

Τουτο λεγω ινα μηδεις υμας παραλογιζηται εν πιθανολογια. ει γαρ και τη σαρκι απειμιαλλα τω πνευματι συν υμινειμιχαιρων και βλεπων υμων την ταξιν και το στερεωμα της εις Χριστον πιστεως υμωνΩς ουν παρελαβετε τονΧριστον Ιησουν τον κυριονεν αυτω περιπατειτεερριζωμενοι και εποικοδομουμενοι εν αυτω και βεβαιουμενοι τηπιστει καθως εδιδαχθητεπερισσευοντες εν ευχαριστια.
4-7 Dit zeg ik, opdat niemand jullie met spitsvondige taal bedriegt. Want al ben ik ook naar het vlees afwezig, in de geest ben ik toch bij jullie, mij verheugend bij het zien van jullie orde en de vastheid van jullie geloof in [de]Messias. Zoals jullie dan Messias Jezus, de Heer, ontvingen, wandelt in hem; geworteld zijnde en opgebouwd wordend in hem, en bevestigd wordend in het geloof, zoals jullie geleerd werd, daarin overvloedig zijnde in dankzegging.
De apostel gaat er nu toe over om zijn lezers ondubbelzinnig te waarschuwen voor de invloed die de dwaalleraars in hun midden proberen uit te oefenen.
Allereerst maakt hij hen attent op hun listige aanpak. Hun leringen lijken echte vondsten, verleidelijk om aan te nemen; 
πιθανολογια duidt op overtuigende redenatie, de aangevoerde argumenten lijken goed gefundeerd. 
Niettemin zijn ze van begin tot eind bedrieglijk, volledig in strijd met al de schatten van de wijsheid en kennis die in de Messias voorhanden zijn. Het werkwoord παραλογιζομαι wijst op bewust verkeerd berekenen; men is er op uit te bedriegen.

Paulus is in de geest op zo’n realistische wijze bij de Kolossenzen aanwezig, dat hij met zijn geestesoog de godsdienstige orde bij hen ziet; het gemeenteleven is goed geregeld en zij staan vast in het geloof dat in hun Messias zijn wortels heeft; in hem hebben zij het nieuwe leven eens voor altijd ontvangen. 
Maar zij doen er goed aan om zich in hem verder te laten opbouwen, zodat zij steeds meer in het geloof bevestigd zullen worden. Het fundament dat Epafras daarvoor gelegd heeft, is nog steeds een deugdelijke grondslag voor verdere geestelijke ontwikkeling. Zij moeten zich van die grondslag niet laten beroven, want ze kunnen ervan verzekerd zijn dat de Zoon van God, de Messias, daarvan het middelpunt is; reden genoeg om vervuld te zijn van een dankbare stemming. Vergelijk Ef 3:174:21.

Door het unieke gebruik hier van de uitdrukking 
Messias Jezus, de Heer, schijnt de apostel opnieuw in te spelen op de bedrieglijke, afvallige leringen van het opkomend Gnosticisme, want met zijn uitdrukking tekent Paulus Jezus zowel als een historisch figuur die werkelijk mens was, als de Christus of Messias, en ook als Heer.
βλεπετε μη τις υμας εσται ο συλαγωγων δια της φιλοσοφιας και κενης απατης κατα την παραδοσιν των ανθρωπων,κατα τα στοιχεια του κοσμου και ου κατα Χριστον· οτι εν αυτω κατοικει παν το πληρωμα της θεοτητος σωματικως,και εστε εν αυτω πεπληρωμενοιος εστιν η κεφαλη πασης αρχης και εξουσιας,

8-10
 Kijkt uit dat niemand jullie als buit wegvoert door de wijsbegeerte en leeg bedrog, overeenkomstig de overlevering der mensen, overeenkomstig de elementen van de wereld en niet overeenkomstig [de] Messias; omdat in hem heel de volheid van de Godheid lichamelijk woont; en in hem zijn jullie vervuld geworden, hij die het Hoofd is van alle overheid en gezag.
Op grond van Gl 4:3, 9, en hier in Ks 2:8, 20-22, zouden we onder de στοιχειαelementen, alle denkrichtingen kunnen verstaan die in de loop der eeuwen door de mensen - verblind als zij werden door de demonen voor de wijsheid van God - aangehangen en gepropageerd zijn. Hoewel ze een schijn van geestelijkheid in zich hebben, worden met de elementen toch vooral de bestanddelen der stoffelijke wereld bedoeld.

We zien dat bijvoorbeeld sterk terug bij de joodse wetgeving waarin de godsdienstige praktijken verbonden werden met de stoffelijke dingen waaruit de wereld bestaat: de feesttijden, de sabbatten en de nieuwemaanvieringen; alle werden ze door de loop der hemellichamen bepaald. 
De spijs- en reinigingsvoorschriften, de offers, hadden evenzo alle betrekking op stoffelijke dingen: op bepaalde plaatsen, tijden, dieren, voorwerpen, lichamelijke situaties. Zo meteen, in de vv 16 en 17, zal de apostel zijn lezers juist op die dingen attenderen, zaken waaraan door de misleiders groot gewicht wordt toegekend maar die in zich geen echte geestelijke waarde hebben.

En dat is juist waarvoor de apostel hier waarschuwt, de zogenaamde wijsheid vooral van joodse zijde waardoor zijn lezers ingepalmd dreigen te worden; als buit weggevoerd door een te Kolosse verspreide wijsbegeerte welke waarschijnlijk een versmelting (syncretisme) was van bestanddelen uit zowel Joden- als Heidendom.
Paulus’ geregelde toespelingen op de heidense mysteriën doen echter ook vermoeden dat hij daarnaast waarschuwt voor de geheime wijsheid van die mysteriën, verborgen kennis welke door visioenen en de mysterieuze omgang met geesten verkregen werd.
Vergelijk Ks 2:18-22

Maar wat ook de aard van die wijsgerige stromingen en overleveringen mag zijn, het betreft allemaal pseudo-wijsheid, geestelijk hol en leeg. Maar ze zijn wel hardnekkig; tot op heden hebben die elementen stand weten te houden; de godsdienstige wereld buiten de Gemeente wordt nog altijd door die lege rituelen gekenmerkt. Maar op Gods Grote Dag zullen al die verkeerd gerichte stromingen als pseudokennis en pseudowijsheid ontmaskerd worden; ze zullen uiteenvallen, of, zoals Petrus in 2Pt 3:10 aankondigt, op vernietigende wijze ontbonden worden, als door vuur verwoest:

Maar komen zál de Dag van de Heer, als een dief, waarin de hemelen met gedruis voorbij zullen gaan,elementen brandend ontbonden zullen worden, en [de] aarde en de werken daarin gevonden zullen worden.

Het zou werkelijk dwaasheid van de zijde van elke ware christen zijn om zijn godsdienstig leven door zulke lege rituelen te laten leiden of zelfs maar te laten beïnvloeden, terwijl hij in de Messias beschikt over al de schatten van wijsheid en kennis. De hele goddelijke volheid woont immers in hem; méér of hoger kan niet.

En in hem zijn wij vervuld geworden, dat wil zeggen geestelijk volledig voor wat betreft onze huidige geestelijke staat, terwijl we nog in het vlees verkeren, in de onderpandsituatie van de geest. 
Niemand, noch mensen, noch engelen, kan ons iets geven wat in onze Messias niet in veel hogere mate aanwezig is.
Hij is immers superieur aan al het geschapene, Hoofd van alle overheid en gezag. Daarmee wordt te meer beklemtoond dat wij nergens anders moeten zijn; in hem bezitten wij alles wat wij nodig hebben. Ja, alles wat (door wie dan ook) naast Jezus wordt geplaatst, is onecht en zal op zeker moment tot de stoicheia [elementen] van deze wereld blijken tebehoren en dus te gronde gaan.

εν ω και περιετμηθητε περιτομη αχειροποιητω εν τη απεκδυσει του σωματος της σαρκοςεν τη περιτομη τουΧριστου,

11 
In hem ook werden jullie besneden met een besnijdenis niet door handen verricht, in het wegnemen van het vleselijk lichaam, in de besnijdenis van de Messias.

Door de besnijdenis werd elk Israëlitisch jongetje in Gods volk Israël opgenomen en kreeg het deel aan de verbonden (Gn 17:9-14Jz 5:2-9Rm 9:3-5Ef 2:11-12).
Voor Jezus was dit speciaal van belang. Als Israëls Messias zou hij namelijk het voornaamste lid van de natie worden, het eigenlijke Zelf van Israël. Dat wil zeggen dat het ware Israël - het getrouwe deel der natie - in hem belichaamd zou worden. In Gl 4:4-5 schreef Paulus dienaangaande:

Maar toen de volheid van de tijd kwam, zond God zijn Zoon uit, geworden uit een vrouw, geworden onder wet, opdat hij hen onder wet zou vrijkopen, opdat wij het zoonschap zouden verkrijgen.

Met het zoonschap [
υιοθεσιαadoptie tot zonen] doelt Paulus op de nieuwe schepping die God op basis van de kracht van het loskoopoffer van zijn Zoon voortbrengt. Zie Gl 6:15-16 en ook 2Ko 5:14, 17
Maar de apostel licht toe dat God met het oog daarop zijn Zoon voortbracht uit een [joodse] vrouw en dat deze bijgevolg - door zijn besnijdenis op de 8e dag - onder de Wet van Mozes kwam te staan. 
De apostel ziet dus een verband tussen Jezus’ besnijdenis en Gods voorziening van redding tot een nieuwe schepping. Jezus’ besnijdenis had derhalve een diepere betekenis:
En toen acht dagen vervuld werden om hem te besnijden, werd ook zijn naam genoemd: Jezus, die door de engel werd genoemd voordat hij in de schoot werd ontvangen.(Lk 2:21)

De Hebreeuwse vorm van de naam Jezus, de naam die hij bij zijn besnijdenis volgens de opdracht van Gabriël ontving, betekent: Jahweh is redding. Toen ook Jozef over die naam werd geïnformeerd, legde de engel uit waarom Jozef zijn adoptief zoon Jezus moest noemen: 
Want hij zal zijn volk redden van hun zonden (Mt 1:21).
Maar hier, in vers 11, vinden we meer over de diepere zin van Jezus’ besnijdenis: een besnijdenis niet door handen verricht, in het wegnemen van het vleselijk lichaam, in de besnijdenis van de Messias.

De leden van de Gemeente ervaren als eersten van het Israël Gods die 
besnijdenis van de Messias. Door die 'besnijdenis' wordt het vleselijk lichaam der zonden weggenomen. Of, zoals Paulus het in Rm 6:6 nader formuleert:
Dit wetend dat onze oude mens tezamen aan een paal werd gehangen opdat het lichaam der zonde buiten werking gesteld zou worden, om niet langer slaven van de zonde te zijn.
Voor een christen betekent de werkelijkheid van zijn besnijdenis daarom dat zijn onreine, van Adam overgeërfde toestand wordt "weggesneden". Het lichaam der zonde wordt als het ware vernietigd doordat - dankzij de werking van Gods geest door Messias Jezus - de zondige begeerten niet langer de overhand over ons hebben, maar wij voortaan voor rechtvaardigheid kunnen leven.
Ons oude, ongelovige, blinde, opstandige ik en zijn gebruik van het lichaam voor zonde, wordt in de tegenbeeldige besnijdenis door de geest geëlimineerd. Dat is wat de besnijdenis van de Messias voor ons inhoudt. 

Wil dat zeggen dat ook bij onze Messias de zondige oude mens moest worden verwijderd?
Daarvan kon uiteraard geen sprake zijn, want toen Gabriël aan Maria Jezus’ geboorte aankondigde -doordat heilige geest over haar zou komen- vermeldde hij expliciet: Daarom ook zal het heilige dat verwekt wordt, Gods Zoon worden genoemd.
Dat niettemin ook hij op de 8e dag werd besneden, was niet alleen conform de Wet, maar verschafte tevens een beeld van zijn offer waarbij zijn leven in het vlees voor het aangezicht van God zou worden afgesneden.

Zijn plaatsvervangend sterven was voor Jezus als een besnijdenis, maar bij hem werd een zondeloos, vleselijk lichaam weggenomen, en dat met het oogmerk om na zijn opstanding en hemelvaart de [loskopende] waarde ervan aan God te kunnen aanbieden, in het hemelse Allerheiligste.
Zie Hb 9:1224-26.
Vandaar dat Paulus in Gl 2:19 kon schrijven: Ik ben met de Messias aan een paal gehangen.

En in Ks 3:3 zal hij van de Gemeente zeggen:

Want jullie stierven en jullie leven is verborgen met de Messias in God.

De dwaalleraren te Kolosse drongen blijkbaar aan op de letterlijke besnijdenis als een ceremonie van hoog godsdienstig gehalte. 
Maar ook wat de besnijdenis betreft bezitten christenen in hun Messias alles wat zij nodig hebben; in hem zijn zij reedsvervuld geworden; zij hebben al in hem een besnijdenis ondergaan die van een superieure waarde is. Zoals Paulus het in Fp 3:2-3 raak zal zeggen:

Kijkt
 uit voor de versnijdenis [van het vlees]. Want wij zijn de [ware] besnijdenis, die door de geest Gods dienstbaar zijn en roemen in Messias Jezus en die geen vertrouwen stellen in vlees
Terwijl bij de letterlijke [joodse] besnijdenis slechts een klein deel van het lichaam ceremonieel wordt verwijderd, wordt bij 
de besnijdenis van de Messias principieel de gehele oude, Adamitische mens weggenomen; en dat dankzij het oordeel over de zonde dat Jezus voor ons aan zijn martelpaal heeft gedragen.
συνταφεντες αυτω εν τω βαπτισμωεν ω και συνηγερθητε δια της πιστεως της ενεργειας του θεου του εγειραντοςαυτον εκ νεκρων·
12 Mede begraven met hem in de doop; in wie jullie ook mede opgewekt werden door het geloof van de werking Gods, die hem uit doden opwekte.
De apostel verschaft een verdere toelichting op wat hij in vers 11 schreef over de wijze waarop de nieuwe schepping tot stand komt. Dat geschiedt namelijk door 
het wegnemen van het vleselijk lichaam, in de besnijdenis van de Messias.
Nu laat hij ons weten dat een en ander waarneembaar is in de symboliek van de doop.

Met onze volledige onderdompeling in water gaven wij immers te kennen dat wij geloven dat onze Adamitische mens met Jezus aan zijn martelpaal gestorven is; dat wij mede met hem begraven werden.
Maar ook gaven we uitdrukking aan ons geloof dat wij mede met hem werden opgewekt om voortaan te leven als een nieuwe schepping: in een nieuwheid des levens, zoals de apostel het eerder had verwoord in het verwante hoofdstuk 6 van zijn Romeinenbrief:

Of
 weten jullie niet dat zovelen die in Messias Jezus werden gedoopt, in zijn dood werden gedoopt? Wij werden dan met hem begraven door de doop in de dood, opdat -  evenals [de] Messias uit doden werd opgewekt door de heerlijkheid van de Vader - zo ook wij in een nieuwheid van leven zouden wandelen. Want indien wij samengegroeid zijn in de gelijkheid van zijn dood, zullen wij het beslist ook zijn van de opstanding. Dit wetend dat onze oude mens tezamen aan een paal werd gehangen, opdat het lichaam der zonde tenietgedaan zou worden om niet langer slaven van de zonde te zijn. Want hij die stierf, is rechtens vrij van de zonde

Het zinsdeel - 
δια της πιστεως της ενεργειας του θεου - moet naar onze opvatting letterlijk worden weergegeven:door het geloof van de werking Gods. En niet: in de werking Gods.God toonde zijn grote macht toen hij zijn Zoon uit de doden opwekte. Met diezelfde macht kon hij ons nieuw leven geven in de Messias op grond van het geloof dat eveneens door hem in ons bewerkt wordt. 
Alles is derhalve te danken aan de werking van zijn grote macht, inclusief het geloof. In de Efezebrief brengt Paulus het aldus onder woorden (2:8-10):

Want
 door liefderijke gunst zijn jullie geredde [mensen], door geloof; en dat niet uit jullie, [het is] de gave Gods; niet uit werken, opdat niet iemand zou roemen. Want zijn maaksel zijn wij, in Messias Jezus geschapen [met het oog] op goede werken, die God tevoren bereidde, opdat wij daarin zouden wandelen.

και υμας νεκρους οντας [εντοις παραπτωμασιν και τη ακροβυστια της σαρκος υμωνσυνεζωοποιησεν υμας συναυτωχαρισαμενος ημιν παντα τα παραπτωματαεξαλειψας το καθ ημων χειρογραφον τοις δογμασιν ο ηνυπεναντιον ημινκαι αυτο ηρκεν εκ του μεσου προσηλωσας αυτο τω σταυρω· απεκδυσαμενος τας αρχας και ταςεξουσιας εδειγματισεν εν παρρησιαθριαμβευσας αυτους εν αυτω.
13-15
 (13) En jullie - doden zijnde in de overtredingen en de onbesnedenheid van jullie vlees - jullie maakte hij mede levend tezamen met hem, terwijl hij ons alle overtredingen goedgunstig vergaf; (14) uitgewist hebbend het handschrift in ons nadeel - [bestaande] in inzettingen - hetwelk tegen ons gericht was, en hij nam het uit [ons]midden weg door het aan de martelpaal te nagelen; (15) de overheden en de machten - volledig ontkleed hebbend - stelde hij openlijk tentoon, doordat hij in de [martelpaal] over hen triomfeerde.
Steunend op Ks 1:27 - 
wat de rijkdom der heerlijkheid van dit geheimenis is onder de Heidenen, hetwelk is [de]Messias in jullie, de hoop der heerlijkheid - beschouwen wij het eerste gedeelte van vers 13 als gericht tot alle Heidenchristenen. Voorheen waren wij, Heidenen, geestelijk dood in onze overtredingen en in de onbesneden staat van ons vlees.

Gezien de context, vers 11, moeten wij het laatste - 
de onbesnedenheid van ons vlees - kennelijk zien in het licht van wat de apostel de besnijdenis van de Messias noemt. Die was ons voorheen geheel vreemd; de oude, Adamitische natuur, de vleselijke 'voorhuid' van de oorspronkelijke zonde, was nog niet bij ons weggenomen. Maar toen bij ons de besnijdenis van de Messias plaats vond, kwamen wij, tezamen met hem, tot leven.

Aan het einde van het vers breidt de apostel de gedachte uit tot de Jodenchristenen; allen die deelachtig worden aan de nieuwe natuur, hebben vergeving van de overtredingen nodig en in zijn liefderijke gunst schenkt God hen die ook. Er is dan ook grote verwantschap met het gedeelte 2:14-16 in de Efezebrief:

Want
 hijzelf is onze vrede, hij die de beiden één maakte en de scheidsmuur der omheining, de vijandschap, afbrak, doordat hij in zijn vlees de Wet der geboden - [bestaande] in voorschriften - buiten werking stelde. Opdat hij de twee in hemzelf tot één nieuwe mens zou scheppen, [aldus] vrede stichtend, en de beiden in één Lichaam volledig met God zou verzoenen door de martelpaal, waardoor hij de vijandschap ter dood bracht in hemzelf.
Maar in de Efezebrief ligt de nadruk vooral op de relatie Joden-Heidenen, de twee groepen waarin destijds de wereld der mensheid globaal werd verdeeld. Tussen die beiden stichtte de Messias met zijn komst in de Eerste eeuw vrede door met zijn offerdood het grote obstakel, het Mozaïsche Wetstelsel, hetwelk beide groepen in de weg stond en dat de onderlinge vijandschap bevorderde, te verwijderen.

Door die Wetgeving, op zich bestaande uit heilzame inzettingen, werd voor Israël een wal opgeworpen tegen de vele schadelijke, hen omringende heidense invloeden. Om die reden vormde de Wet een muur of omheining welke het volk afschermde van de heidense ontaarding in haar vele vormen.
Met zijn geschreven paragrafen en artikelen kan de apostel de Wet hier daarom 
het handschrift noemen, maar hij voegt er betekenisvol aan toe: in ons nadeel en tegen ons gericht.

Daarmee betrekt Paulus opnieuw ook zichzelf en alle andere Jodenchristenen in de kwestie van schuldig staan tegenover God. De Wet legde de Joden namelijk een menigte van voorschriften op, maar ze verleende hun niet de kracht om de hun van Adam geërfde inherente zwakheid te overwinnen en al die inzettingen ook werkelijk na te komen. Bijgevolg waren allen, Joden en Heidenen, 
doden in hun overtredingen.

In Gods hand was het geschreven document (de Wet) als het ware een schuldbrief en vormde het één grote aanklacht tegen de overtreders, in de eerste plaats aan het adres van de Jodenchristenen, maar ook jegens de Heidengelovigen. Wij, mensen uit het Heidendom, zijn uiteraard niet tot meer in staat dan het oude Godsvolk Israël. In Rm 3:19 brengt Paulus dat punt aldus treffend onder woorden:

Wij weten echter dat alle dingen die de Wet zegt, tot hen spreekt die onder de Wet zijn, opdat elke mond gestopt en de hele wereld strafwaardig voor God wordt

Het handschrift, de Wet met haar inzettingen, was vanuit dit gezichtspunt in ons aller nadeel, tegen ons gericht omdat wij, Joden en Heidenen, erdoor werden aangeklaagd als zondaars en overtreders. Gelukkig dus dat God haar uit [ons] midden wegnam door de dood van zijn Zoon aan de martelpaal.
Terloops stellen we hiermee vast dat Paulus opnieuw polemiseert tegen de dwaalleraars die blijkens de vv 20-22 de gelovigen in Kolosse het naleven van allerlei bepalingen - ontleend aan de Wet, de traditie en eigen willekeur - wilden opdringen.
De overheden en de machten volledig ontkleed hebbend, heeft hij openlijk tentoongesteld, doordat hij in de[martelpaal] over hen triomfeerde…Ook deze uitspraak moet gelezen worden vanuit de optiek dat de apostel schrijft in de eerste persoon meervoud en dus zowel Joden- als Heidengelovigen op het oog heeft.
Met de dood van zijn Zoon ruimde God de schuldbrief, de uit bepalingen bestaande Wet, uit de weg, en ontwapende daarmee de demonen.
Die duistere machten hadden zich namelijk tot dan toe van de Wet bediend om mensen te beschuldigen van nalatigheid. Hun oogmerk was/is om hen in het verderf te storten. Maar God heeft die duivelse beschuldigers, in de dood van de Messias, beroofd van deze vorm van wapenrusting en hen openlijk tentoongesteld als overwonnen. Met Paulus kunnen wij daarom zeggen: 

Wat zullen wij dan zeggen ten aanzien van deze dingen? Indien God voor ons [is], wie tegen ons? Hoe zal hij, die zelfs de eigen Zoon niet spaarde maar hem voor ons allen overgaf, ons ook niet met hem alle dingen goedgunstig schenken? Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen uitverkorenen Gods? God is degene die rechtvaardigt. Wie [is het] die veroordeelt? De Messias [is het] die stierf, ja meer nog, die werd opgewekt, die ook aan de rechterhand van God is, die ook voor ons pleit (Rm 8:31-34).

Verzoening met God kon slechts plaats vinden wanneer de zonden en overtredingen werden bedekt. Welnu, de Messias stierf plaatsvervangend voor de mensheid; met zijn eigen ziel (leven) betaalde hij voor haar zonde (Rm 6:232Ko 5:21).

Μη ουν τις υμας κρινετω εν βρωσει και εν ποσει η εν μερει εορτης η νεομηνιας η σαββατωνα εστιν σκια τωνμελλοντωντο δε σωμα του Χριστου.

16-17
 Laat dan niemand jullie oordelen inzake eten en drinken of met betrekking tot een feest of nieuwe maan of sabbatten, welke zaken een schaduw zijn van de toekomstige dingen, maar het wezenlijke behoort de Messias toe.
Paulus verwijst terug naar de dogmata (inzettingen/verordeningen/bepalingen) van vers 14, en noemt ze thans schaduwen. Zij die aan de schaduwen willen vasthouden, mogen niet degenen (ver)oordelen die het diepere inzicht hebben, namelijk dat al die vereisten, ook al behoorden ze eeuwenlang tot Israëls nationale wetgeving, slechts schaduwen zijn. Waardevol weliswaar, aangezien ze vooraf een indruk gaven van zeer belangrijke toekomstige ontwikkelingen, maar niettemin tijdelijk van karakter.

Zo verleende, om een niet onbelangrijk voorbeeld te noemen, het bloed van de offers van stieren en bokken die van jaar tot jaar op de Verzoendag aan God werden opgedragen, het volk een reine status naar het vlees voor elk volgend jaar, maar het kon de zonden niet werkelijk wegnemen. Dat kon pas geschieden toen de schaduwen overgingen in de werkelijkheden, met de komst van de Messias 
Bijgevolg laten voortaan zij die werkelijk (geestelijk) verlicht zijn, de schaduwen voor wat ze zijn; terecht voelen zij zich niet langer gebonden die vereisten na te leven. Het werkwoord krinoo heeft ondermeer de betekenis van bekritiseren, d.i. zich in veroordelende zin uitlaten.
Er zijn, jammer genoeg, buiten de Joden die de Messiaanse werkelijkheden in Jezus van Nazareth nog altijd niet erkennen, ook onder christenen personen die menen dat het religieuze systeem waartoe zij behoren, en/of een strenge wijze van leven - zichzelf of door hun religieuze groepering opgelegd - iets kan toevoegen aan hun geestelijke schat. Dezen gaan voorbij aan het feit dat zij in de persoon en het werk van de Messias reeds alle dingen bezitten die nodig zijn.

Te gemakkelijk laten zij zich beïnvloeden door leiders die - naar het patroon der valse leraren te Kolosse - de gelovigen hun christelijke vrijheid proberen te ontnemen, door hen onder eigen controle te brengen. Van de aanhang wordt verwacht dat ze het op zichzelf onpersoonlijke autoritaire systeem waarover zij de leiding hebben, respecteren als een door God geschonken instrument. Dat baant voor hen de weg om van hun leden absolute loyaliteit en volkomen meegaandheid in de leer te eisen.

Aangezien de vijf in vers 16 genoemde riten alle deel uitmaken van het Judaïstische stelsel, is het waarschijnlijk dat die valse leraren zelf Joden waren, of in ieder geval voorvechters van het joodse, wettische systeem. Blijkbaar wilden zij christelijke rechtvaardiging en heiliging afhankelijk maken van het onderhouden der riten binnen dat systeem.
Maar het wezenlijke behoort de Messias toe…Het Grieks leest letterlijk: Maar het lichaam van de Messias.Lichaam [σωμαsooma] staat tegenover schaduw [σκιαskia].
Een schaduw is inhoudloos, niet wezenlijk; ze projecteert op de grond slechts een afbeelding van het object, de stoffelijke werkelijkheid. 
De zaken van de Wet wierpen dus hun schaduw vooruit, maar de werkelijkheden zijn alle met de Messias verbonden, in hem worden ze teruggevonden.
Doordat de valse leraren in gebreke bleven dit te onderscheiden en aandrongen op het onderhouden van de schaduwen, was dit weer een andere manier om afbreuk te doen aan de hoge positie van de Messias.
μηδεις υμας καταβραβευετω θελων εν ταπεινοφροσυνη και θρησκεια των αγγελωνα εορακεν εμβατευωνεικηφυσιουμενος υπο του νοος της σαρκος αυτου,
18 
Laat jullie niet de prijs ontzeggen door iemand die bereid is tot [schijnbare] zelfvernedering en engelenverering, ingewijd in de dingen die hij heeft gezien, zonder reden opgeblazen door zijn vleselijk denken,
Velen vertalen met: Laat niemand jullie de prijs ontroven…
Nog afgezien van het gegeven dat geen mens kan verhinderen dat wij onze bestemming bereiken, is het op grond van de context beter om het werkwoord καταβραβευω hier weer te geven met ontzeggen

Beroven (ontroven) is een daad, ontzeggen een oordeel en dan in de zin van diskwalificeren. Maar net zomin als iemand enig recht heeft om ons te (ver)oordelen omdat wij de riten van het Judaïsme niet onderhouden (vers 16), kan evenmin welke (valse) leraar maar ook ons de (kamp)prijs onwaardig oordelen. Te Kolosse ging het in beide gevallen over zaken die de misleiders wél en de gelovigen niet beoefenden.
Die misleiders zagen het blijkbaar als een deugd hun aanbidding niet rechtstreeks op God te richten, precies zoals ook de Joden in een later stadium deden. Omdat zij zich God in een onbereikbare verte gingen denken, beschouwden zij het als aanmatigend om op rechtstreekse wijze met hem in gemeenschap te treden.
Het alternatief werd gevonden in een vorm van godsdienst die op de engelen gericht was. Een en ander werd mede ingegeven doordat zij, kennelijk terwijl zij in een extatische toestand verkeerden - misschien als resultaat van vasten en/of zelfkastijding [een strenge behandeling van het lichaam; zie vers 23] - bijzondere, visionaire dingen te zien kregen. 
Terwijl het zeer aannemelijk is dat de demonenwereld zich graag leende om aan de verlangens van zulke mystici te voldoen, beschouwden de betrokkenen zichzelf als zeer begunstigd, als ingewijden in de mysteriën.
Het is heel opmerkelijk om vast te stellen welke kwalificaties de apostel aan deze vorm van godsdienstigheid [
θρησκεια] verbindt: ze heeft niets geestelijks in zich; integendeel, eerder is het een manier waarop iemand zijn vleselijke gezindheid tot uitdrukking brengt. 

Hetzelfde gold voor de zogenaamde nederige houding die zij tentoonspreidden. Onder leiding van de geest stelt de apostel vast dat het allemaal valse schijn was; achter hun nederigheid ging alleen maar hoogmoed schuil.
In werkelijkheid waren zij opgeblazen van trots, eveneens een uiting van een vleselijke wijze van denken. Zeer waarschijnlijk gingen zij er ook prat op dat zij zich met betrekking tot de in vers 16 genoemde zaken voorbeeldig gedroegen, alsook op de dingen die in de vv 20-23 genoemd zullen worden.
και ου κρατων την κεφαληνεξ ου παν το σωμα δια των αφων και συνδεσμων επιχορηγουμενον καισυμβιβαζομενον αυξει την αυξησιν του θεου.

19
 en niet vasthoudt aan het Hoofd, uit wie heel het Lichaam - door de verbindingen en banden ondersteund en bijeengehouden - groeit met de groei van God.
Met al hun mystieke, vleselijke praktijken waren de misleiders bezig steeds meer afstand te nemen van hem van wie zij in alle opzichten volkomen afhankelijk waren, hun Heer Jezus Messias, hij die het Hoofd is van zijn Gemeentelichaam.
Aangezien elke ware geestelijk groei tot stand komt in verbondenheid met hem, konden zij eenvoudig geen verdere geestelijke vooruitgang boeken.
Waarschijnlijk zullen zij wel de indruk gegeven hebben dat Messias Jezus ook voor hen belangrijk was, maar de realiteit liet zien dat zij hem niet de alles overheersende plaats toekenden die hem als Hoofd toekwam en toekomt.
Het vers is vrijwel identiek aan Ef 4:15-16
Maar laten wij, in elk opzicht waarheid sprekend, in liefde opgroeien naar hem toe die het Hoofd is, [de] Messias, uit wie heel het lichaam -samengevoegd en bijeengehouden door elke ondersteunende verbinding, naar [de]werking die elk deel is toegemeten - de groei van het Lichaam bewerkt tot opbouw van zichzelf in liefde.
Maar de geestelijke groei die hij in die Brief schildert, vindt plaats in de context van de gaven in mensen die door God aan de Gemeente geschonken zijn om de heiligen, de afzonderlijke leden van Jezus’ Gemeentelichaam, tot een mate van geestelijke wasdom te brengen, de volheid van de Messias waardig.
Geen onmondige kinderen derhalve wie het in geloofszaken aan een zelfstandig oordeel ontbreekt, maar in het bezit van de precieze feitenkennis omtrent de Zoon van God; een zeer waardevol iets waarin het hart rust en zekerheid vindt.

Wanneer men zich aan die gemeenschap onttrekt of, erger nog, er zich in misplaatste trots boven verheft, komt 
de groei met de groei van God, d.i. door de krachtige werkzaamheid van zijn geest, geheel tot stilstand.
Het besef van de onderlinge afhankelijkheid binnen het Lichaam is dan volledig zoek, met alle funeste gevolgen.
Want zoals de ledematen van het menselijk lichaam niet onafhankelijk van elkaar werkzaam kunnen zijn, maar integendeel, juist harmonisch zijn samengevoegd voor een doeltreffende samenwerking - daarbij sturing ontvangend van het hoofd met zijn brein - geldt hetzelfde voor het christelijke Gemeentelichaam. De afzonderlijke leden moeten beseffen dat zij deel uitmaken van een geheel; elk respectief lid kan alleen functioneren in afhankelijkheid van het Hoofd en dan pas bijdragen aan het welzijn van het gehele lichaam.
Eι απεθανετε συν Χριστω απο των στοιχειων του κοσμου, τι ως ζωντες εν κοσμω δογματιζεσθε, Mη αψη μηδεγευση μηδε θιγηςα εστιν παντα εις φθοραν τη αποχρησεικατα τα ενταλματα και διδασκαλιας των ανθρωπων;

20-22
 Indien jullie tezamen met [de] Messias stierven ten aanzien van de elementen der wereld, waarom zouden jullie je [dan] schikken, alsof jullie in de wereld leven, naar voorschriften [als]: grijp niet, proef niet, raak niet aan - dingen die alle door het gebruik te niet gaan - naar de geboden en leringen der mensen?
Ook hier moeten we in aanmerking nemen wat we uit het verband kunnen vaststellen omtrent de houding van de gelovigen te Kolosse. Hoewel ze onder voortdurende druk verkeerden van de zijde der misleiders, waren zij tot dan toe niet voor hun invloed bezweken. Daarom moeten wij vertalen: 
Waarom zouden jullie je schikken, en niet: Waarom onderwerpen jullie je…etc.

Het verwijt is niet aan hun adres gericht; Paulus fulmineert tegen de dwaalleraren; voor de gelovigen geldt ze enkel ter waarschuwing.
Men probeert hen allerlei voorschriften op te dringen die tot 
de elementen der wereld behoren, hetzij ontleend aan het Judaïsme, aan de traditie of aan de willekeur van de misleiders zelf. Zie de verzen 8 en 16 met bijbehorend commentaar.
Omdat ze met Messias Jezus zijn gestorven, begraven en opgewekt (vv 12 en 13), hebben zij in zekere zin al met hem plaatsgenomen in de hemelsferen (Ef 1:32:6). Zouden zij zich schikken naar de vleselijke wensen van hun opponenten, dan zouden zij de schijn wekken alsof ze nog met heel hun wezen aan deze wereld waren gebonden.
Niet grijpen, noch proeven, noch aanraken…
Alsof door zulke zaken getoond wordt dat christenen deel hebben gekregen aan de volheid van de Messias! (de vv 9 en 10).
Paulus tekent scherp de dwaasheid van zulke voorschriften: Al die dingen gaan teniet door het gebruik ervan; dat wil zeggen dat ze juist bestemd zijn om gebruikt te worden en derhalve vernietigd; zoals ook Jezus zelf aangaf:
Begrijpen jullie niet, dat alles wat de mond ingaat, in de buik komt en in het riool verdwijnt?(Mt 15:17)
Zie ook 1Ko 6:13.

Met zijn opmerking keert de apostel zich niet slechts tegen Judaïstische gebruiken maar ook tegen de dualistische opvatting waarin men het stoffelijke als slecht, boos beschouwt.
Christenen hebben geen enkele reden om zich ook maar iets gelegen te laten liggen aan zulke door mensen uitgedachte geboden en leringen.
ατινα εστιν λογον μεν εχοντα σοφιας εν εθελοθρησκια και ταπεινοφροσυνη [καιαφειδια σωματοςουκ εν τιμητινι προς πλησμονην της σαρκος.

23 
Die dingen hebben weliswaar een roep van wijsheid in een zichzelf opgelegde godsdienstigheid en[zogenaamde] nederigheid, een strenge behandeling van het lichaam, [maar zijn] van geen enkele waarde; [ze dienen slechts] tot bevrediging van het vlees.
Er is geen verdienste gelegen in een streng, zichzelf opgelegd ascetisme.
Paulus beschrijft vormen van een veel te ver doorgeschoten godsdienstijver.
De apostel had de Kolossenzen eerder gecomplimenteerd met het ordelijke leven dat zij leidden (vers 6). Zij hoefden zich niet te spiegelen aan mensen met een opgeklopte vroomheid, beoefend volgens eigen ideeën. 

Eθελοθρησκεια duidt op een dienst voor God naar eigen smaak, met de bedoeling vroom over te komen. Zoiets is slechts wijsheid in schijn; in werkelijkheid gaat er hoogmoed achter schuil.
De zogenaamde (valse) nederigheid die al in vers 18 werd genoemd, heeft evenzo slechts de schijn van voortreffelijkheid.

Hetzelfde geldt voor de lichaamskastijding [
αφειδια σωματοςstrenge behandeling van het lichaam]. Zo is van Maarten Luther bekend dat hij als monnik de gehele nacht, in bittere koude, naakt in zijn cel placht te liggen; ook dat hij zijn lichaam kastijdde.
Maar zelfs in recente, moderne tijden hebben gelovigen gemeend dat speciale verdienste gelegen zou zijn in het niet nuttigen van sommige dranken en bepaalde vormen van voedsel; niet naar het theater of de bioscoop gaan, geen romans lezen, etc.
Door het angstvallig onderhouden van dergelijke taboes was men dan niet alleen aanvaardbaar binnen de geloofsgemeenschap, maar behaagde men ook God; althans dat was de gedachte.

Het Christendom bestaat evenwel niet uit taboes en/of een eindeloze lijst van zaken die vermeden dienen te worden. Het geloof van een christen is positief gericht, zoals bijvoorbeeld goed naar voren komt in Rm 12:9-21.
In de daar gegeven vermaningen zullen we niets negatiefs ontdekken. Veeleer worden we aangemoedigd om, bijvoorbeeld, hen te zegenen die ons vervolgen; niemand kwaad met kwaad te vergelden; vredelievend te zijn jegens alle mensen en tal van andere goede dingen voor hen te doen. In zulke dingen schept God behagen en wordt men door Hem gezegend.

[ze dienen slechts] 
tot bevrediging van het vlees…
De genoemde zaken hebben geen waarde voor God, voor wie ze zogenaamd worden beoefend. Paulus onthult dat ze, integendeel, slechts bedoeld zijn het ego van de persoon in kwestie op te krikken.
Terwijl zulke mensen zich beroemen op hun zogenaamde, godsdienstige volmaaktheid - zoals kennelijk ook het geval was met de misleiders te Kolosse en omgeving - legt de apostel hun enige beweegreden bloot: de bevrediging van de natuurlijke mens. Maar de spreuk luidt: Laat een ander je roemen, niet je eigen mond; een vreemde, niet je eigen lippen (Sp 27:2).

Geen opmerkingen: